Eenzame uitvaart #39, Den Haag

Eenzame uitvaart nummer 39, Den Haag
De heer P. V.
Vrijdag 18 januari, 9.00 uur, Oud Eik en Duinen
Dichter van dienst: Ruth van Rossum

Het is winterdonker en het sneeuwt als ik op de fiets stap om naar de uitvaart van de heer V. te gaan. Ik neem in dit ijzige weer extra tijd om bij Oud Eik en Duinen te komen. Het is licht aan het worden als ik het terrein op wandel. Een medewerker hangt het papier op met de naam en de tijd van deze eerste uitvaart van de dag.
Als ik bij de aula aan kom wordt buiten, op het kleine bordes, het gastenboek neergelegd. Dat zal vrij leeg blijven. In de ontvangstruimte pel ik mijn fietskleding af. Eén van de pleegzonen van de heer V. komt binnen met zijn vriendin. Vroeg van huis gegaan, ze komen van ver, om niet te laat te zijn. “Ik ben hier uit respect voor het feit dat hij me indertijd heeft opgenomen,” zegt hij, “maar zeker niet om hoe hij me verder heeft behandeld. Mijn moeder was heilig, maar hoe hij met mij is omgegaan…” Langzaam komt de lijkwagen aanrijden, we gaan buiten staan en zien hem langsgaan, de meneer van Oud Eik en Duinen maakt zoals dat hoort een buiging als de wagen de hoek omdraait. Achter de auto komen nog een paar mensen aanlopen, kinderen van een goede vriendin van de familie, en Henk van Zuiden.

De uitvaart zou afgelopen dinsdag plaatsvinden maar werd de dag ervoor uitgesteld. Er was onverwacht een testament gevonden en aan de hand daarvan zocht de gemeente nog enkele dagen naar verwanten. Nu, vrijdag, zijn er dan toch zeven mensen gekomen. Zodat we het beter kunnen hebben over een eenzaam overlijden dan over een eenzame uitvaart.

Er was in eerste instantie weinig informatie. De heer V. werd 87 jaar. Hij overleed in een woonzorgcentrum. Hij was getrouwd. Er waren geen eigen kinderen, maar wel pleegkinderen. Daarmee was verwijdering ontstaan. Hij leefde tot vlak voor zijn dood in een net huis en was katholiek. Hij was dol op zijn vrouw en toen zij overleed, zo’n tien jaar geleden, ging het met hem steeds slechter.

Een leven zoals er veel zijn. Van een afstand niets bijzonders. Ondertussen gebeurt er in elk leven van alles, gewild en ongewild, ons overkomen dingen, we maken keuzen, proberen het zo goed mogelijk te doen, er gaan altijd dingen anders en mis, we houden vol. Zodat levens tegelijkertijd én onbeduidend én majestueus zijn. In het weekend zie ik ¡Vivan las Antipodas! van de Russische filmmaker Victor Kossakovsky. Een beeldschone film. Je ziet mensen leven, scharrelen is een beter woord, in onmetelijke verlatenheid (Argentinië, het Baikalmeer), of in de tomeloze drukte van een Chinese wereldstad. Onder de indruk van de kleinheid van het bestaan, en met ontzag voor de manmoedigheid van de mensen blijf je achter. Daarmee schrijf ik het gedicht voor de heer V.

De dame die de uitvaart leidt heeft stevige laarzen aan gedaan, voor de sneeuw. Het licht dat we vanuit de aula buiten zien is dat onwerkelijke lila sneeuwlicht. De heer V. hield van klassieke muziek. We luisteren naar Allegro van Mozart en Morgenstimmung van Grieg. En daar tussen in draag ik het gedicht voor:

Trompetgeschal

Voor de heer P. V.
geboren op 23 december 1926, overleden op 9 januari 2013
in Den Haag

Geen trompetgeschal bleef achter. Wij
hebben moeite het verhaal te vinden,
zo weinig is er over. Het kon ieder leven
zijn. U trouwde met een vrouw, had een
beroep. Geen kinderen gekregen, toch
kinderen gezocht, ze weer verloren. Wat
knutselen en blijven geloven. Alles klein,
kan men denken, geen trompetgeschal
klinkt na. Is God een brede lavastroom,
traag vermorzelen van wat zijn best doet
te bestaan, dat wreed krakend geluid als
grote dieren bomen scheuren. Huizenhoog
onzeker is de lava van dichtbij, en daarin
leven een werk van vreemd vertrouwen.

Ik leg het gedicht op de kist, bij het rood witte bloemstuk. Als de muziek is opgehouden kijken we in stilte hoe de kaarsen worden uitgeblazen en de consoles weggezet, en hoe de dragers zich installeren, de kist opnemen en op de baar zetten. Wij stellen ons op achter de kist en lopen rustig naar het graf. Sneeuw maakt de begraafplaats mooi. Stadsgeluiden. De kist zakt “tot op maaihoogte”, zoals de uitvaartbegeleidster het noemde, en we zijn even stil. Wat ongemakkelijk lopen de verwanten langs de kist. Er is voor hen geen koffie met cake, zij roken met elkaar nog een sigaret in de ontvangstruimte. Henk en ik mogen in het kantoor even opwarmen. Met de meneer van Oud Eik en Duinen en de uitvaartbegeleidster praten we na over deze en andere uitvaarten. Na het ene kopje koffie staan zij weer op: de volgende komt eraan. Als we weglopen wordt de aankondiging van de heer V. vervangen door een andere.

 gedicht en verslag Ruth van Rossum, 2013