Eenzame uitvaart #252, verslag

Eenzame uitvaart #252
donderdag 16 juli 2020, 10.00 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam
Dichter van dienst: Mark Boog

Koelvitrine

Daags voor de uitvaart van meneer Van D. (78) ben ik aan de Tweede Kostverlorenkade bij zijn bovenbuurman op bezoek. De bovenbuurman is een breedgeschouderde verschijning, brommend merkt hij op de verantwoordelijken van woningbouwvereniging De Alliantie graag een kopje kleiner te maken.
Zelf is hij een koper, net als de derde portiek-bewoner, een aardige mevrouw die hier later neerstreek. Alleen meneer Van D. zat nog in de huur, waardoor er tijdens de halfjaarlijkse VvE-vergadering ook iemand van De Alliantie diende aan te schuiven.
Vijfentwintig jaar woont de bovenbuurman er intussen, toen hij arriveerde zat meneer Van D. er al, op één-hoog, een krappe verdieping boven de garage. Van die garage had het hele blok last behalve meneer Van D., omdat ze qua smerigheid niet voor elkaar onder deden.

Kort voor de bovenbuurman zijn intrek nam had de zoon van meneer Van D. brand gesticht in de woning van zijn vader. De boel was gerenoveerd, de zoon ondergebracht in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. De moeder, met wie meneer Van D. elders in Amsterdam zou hebben samengewoond, was toen reeds overleden.
De bovenbuurman, klusjesman van beroep, werd gratis en voor niets van allerlei advies voorzien. Hij kon het beste aan de voorkant slapen, daar was minder geluid. Als hij toevallig nog een opdracht zocht kon meneer Van D. dat voor hem regelen.
Het was een praatgrage man, dat had de bovenbuurman vlug in de gaten. Meneer Van D. was geabonneerd op een actieblaadje van de SP, tijdens een van de ontmoetingen in het trappenhuis vertelde hij dat hij huisschilder was geweest en binnen een bepaalde vakbond als een leeuw voor de belangen van zijn collega’s had gevochten.
De bovenbuurman was er vlug achter dat de vele contacten waar meneer Van D. van repte op z’n best schimmen waren uit een niet-verifieerbaar verleden. Hij zat de hele dag binnen, slechts voor een tocht naar de supermarkt of apotheek kwam hij de woning uit.
Soms stond zijn deur op een kier, de bovenbuurman gluurde naar binnen. Hij ontwaarde er een ontzettende smeerboel, de vloer bezaaid met troep, het stonk als de neten. Alles glom alsof er een laag vet op was aangebracht.
De zoon werd na een poos weer losgelaten, hij was agressief, bekogelde zijn vader met de vieze troep uit de woning. Als meneer Van D. niet opendeed trapte hij de gemeenschappelijke voordeur in.
Na een volgend incident, waarbij de zoon zogeheten kanonslagen afstak op het balkon van zijn vader, werd hij door een arrestatieteam uit de woning gehaald en opnieuw een poosje opgeborgen.

De bovenbuurman nam het trappenhuis onder handen, met instemming van de aardige buurvrouw, die zich net als hij enorm ergerde aan de vuiligheid in de gemeenschappelijke opgang.
De verf was nog niet droog of de leuningen op de eerste verdieping zagen alweer zwart van de vegen, woedend was de bovenbuurman erover. Tot overmaat van ramp was meneer Van D. met een pak yoghurt onder zijn arm op de fonkelnieuwe vloerbedekking onderuit gegaan.
Hij liep steeds moeizamer, door suikerziekte zwollen zijn voeten, het leken wel klompen. De huisarts in Amsterdam-Zuid, die hij sinds 2014 niet meer heeft bezocht, hielp hem aan orthopedisch schoeisel.
Voor meneer Van D. was het euvel daarmee verholpen, terwijl zijn voeten door de wijkverpleging wekelijks verzorgd moesten worden. Dat vond hij overdreven, ze raakten ontstoken. Het was te pijnlijk om de schoenen uit te doen, hij sliep ermee op het matras dat tussen de opstuwende rommel op de vloer lag.
De zoon stortte zich in de instelling op de schilderkunst, soms stuurde hij zijn vader een schilderij dat meneer Van D. dan inlijstte en aan de muur hing. Hij deed dat uiterst zorgvuldig, zijn voormalige vakmanschap bloeide op zo’n moment weer even op.
Hij vertelde de bovenbuurman dat hij ergens in een van de grachten een zeilbootje had liggen, hij wist niet meer waar, zijn voeten deden te zeer om er lang naar te zoeken.
Soms schakelde hij, temidden van alle troep, een oude schuurmachine in, de muizen schoten alle kanten op, om een van de bootonderdelen die hij thuis bewaarde te behandelen. Na uren van helse herrie ging een oud blik bootverf open, en hing nog dagen een giftige geur in het trappenhuis.

Meneer Van D. hield van opera, hij zong graag aria’s mee, uit volle borst. De buurvrouw had meer moeite met zijn televisie die op hoog volume stond omdat meneer Van D. steeds dover werd.
Toen ze hem er op aansprak was meneer Van D. in de Kinkerstraat meteen een koptelefoon gaan kopen, wat dat betreft was het een lieve man, hij wilde anderen geen last bezorgen.
Toch vergat hij dikwijls, de ingeschakelde koptelefoon al op het hoofd, het geluid van de televisie uit te schakelen, waardoor ze nog regelmatig op zijn deur stond te bonzen, wat dankzij de koptelefoon niet goed tot hem doordrong.
Meneer Van D. probeerde bij de tijd blijven, bij zijn telecomaanbieder vroeg hij internet aan. De monteurs zouden op een bepaalde dag tussen acht en twaalf komen, beneden op de trap wachtte meneer Van D. hen op.
In de woning maakten de mannen rechtsomkeert, hier viel niet te werken. Meneer Van D. zou het zelf wel aansluiten, al kwam het daar niet van; geabsorbeerd door omringende rommel verdwenen modem en kabels al vlug uit het zicht.

Tijdens de VvE-vergaderingen, waar meneer Van D. als huurder niet zelf bij aanwezig was, kaartte de bovenbuurman de verontrustende situatie bij de afgevaardigde van De Alliantie aan.
Telkens werd er actie beloofd, pas na vijftien jaar werd een welzijnsorganisatie ingeschakeld die twee afgevaardigden stuurde. Omdat hun komst ruim van tevoren per post bij meneer Van D. werd aangekondigd was hij als een bezetene begonnen met opruimen. De welzijnswerkers schreven in hun verslag dat meneer Van D. een oudere man was met veel sociale contacten, hij had allerlei hobby’s, zijn leven was prima op orde.
In de jaren na het bezoek ging het bergafwaarts. Als gevolg van de onbehandelde diabetes was niet alleen het gehoor aangetast, meneer Van D. kampte ook met verminderd zicht. Steeds moeizamer liep hij de trap af, regelmatig moesten de buren, opschrikkend van daverend gebonk, hem na een struikel-partij overeind helpen.
Schuifelend, met twee handen aan de reling, ging meneer Van D. de Kinkerbrug over. Steun zoekend aan de gevels van de panden aan de Postjesweg bereikte hij de supermarkt. Daar trof de bovenbuurman hem op een keer aan met zijn hoofd in een koelvitrine, in een poging het etiket van een zuivelproduct te ontcijferen.
In de supermarkt kocht meneer Van D. zoveel als hij kon, des te langer kon hij ongestoord binnen blijven. De buren zetten zijn post schuin tegen de deur, als ze die omgevallen aantroffen vormde dat een levensteken.

In februari, vlak voor de corona-crisis, vermagerde meneer Van D. in rap tempo, de bovenbuurman schrok geweldig. Zijn stem, die gewoonlijk een laag, onverstaanbaar gemurmel, was plotseling heel hoog geworden.
De bovenbuurman zei dat hij hulp moest gaan zoeken, dit was toch niet in orde. Meneer Van D. beweerde dat er reeds iets in gang was gezet, hij hoefde zich beslist geen zorgen te maken, hij voelde zich goed en ging naar zijn bootje op zoek.
Een paar weken later was het trappenhuis in nevelen gehuld, er was iets misgegaan bij het koken. De bovenbuurman was aan zijn deur verschenen, zag dat meneer Van D. zijn gaskookplaat op de grond had staan, temidden van smeulende troep.
Bezorgd belde hij met allerlei instanties, vanwege de corona was niemand tot hulp bereid. Op een ochtend in april hoorden ze gekerm, meneer Van D. was gevallen in de woning, verdronken in de rommel kwam hij niet meer overeind.
De brandweer hees hem af, in het ziekenhuis, waar men met de grootste moeite het orthopedisch schoeisel verwijderde, werd een terminale ziekte in vergevorderd stadium vastgesteld. Een nieuwe huisarts verbood hem naar huis terug te gaan, meneer Van D. kwam in Amsterdam-Zuidoost bij zorginstelling Nellestein terecht.

In de eerste week van juli werd de bovenbuurman gebeld door een medewerker van Nellestein, meneer Van D. had zijn nummer opgegeven. De medewerker vroeg of hij wist of er afgezien van de zoon, die niet op telefoontjes en brieven reageerde, nog andere familieleden waren.
De bovenbuurman dacht van niet, behalve de zoon en de welzijnswerkers had hij er ook nog nooit iemand naar binnen zien gaan, vrienden of bekenden waren er sowieso niet. Een uur later belde de medewerker opnieuw, of hij toestemming wilde geven voor palliatieve sedatie.
Verbluft zei de bovenbuurman, die later van een meerdere vernam dat die vraag niet aan hem gesteld had mogen worden, dat dat waarschijnlijk wel het beste was, de conditie van meneer Van D. was immers hopeloos, hij zat al een poos aan de morfine.
De medewerker zei dat meneer Van D. hem graag wilde spreken, hoewel van spreken geen sprake was; aan de andere kant van de lijn had slechts gehijg geklonken. Je bent in goede handen, Dick, zei de bovenbuurman. Ik pas wel even op je huis. De volgende dag hoorde hij dat meneer Van D. was overleden.

Donderdag 16 juli, tien uur in de ochtend, begraafplaats Sint Barbara. Meneer Van D. krijgt het Ombra mai fu uit Handels Serse te horen, gevolgd door Vocalise van Rachmaninov. Op Romance de Mignon van Henri Duparc lopen we achter zijn eenvoudige kist aan, de aula uit, naar het veld met algemene graven.

Joris van Casteren.