Eenzame uitvaart #240, verslag

Ansicht uit Emmerich

Het eerste artikel dat meneer R. schreef ging over marmite. Ik vind het terug in een plakkerige map in zijn zwaarvervuilde woning aan de Ter Haarstraat in Amsterdam-West.
Het verscheen in 1973 in de Tilburger Koerier, meneer R., geboren in Rotterdam, was toen 24 jaar oud. In iets meer dan vijfhonderd woorden zette hij uiteen dat marmite een gistextract was dat in de negentiende eeuw door een Duitse chemicus uit een restproduct van bier werd vervaardigd.
De journalistieke carrière van meneer R. vertoonde kortstondig een stijgende lijn, blijkt uit het kleverige portfolio. Als sterverslaggever van Ariadne/Revue der Reclame interviewde hij onder meer televisiepresentator Willem Duys en actrice Marijke Philips.
Andere bladen begonnen aan hem te trekken, zoals NieuwsNet en Marketing Magazine, dat hem Drs P. liet ondervragen. In 1977 mocht hij voor Panorama met een fotograaf op reportage in Londen, in 1980 stuurde Downtown Magazine hem voor een reisverhaal naar de Verenigde Staten.
Vakblad De Drogist vroeg hem TeleBingo, een op het kienspel gebaseerde show onder leiding van Mies Bouwman, dat in 1979 op de beeldbuis werd vertoond, vanuit de regiewagen te verslaan.
Een goedbetaalde schnabbel was het verslag dat hij voor glossy Woonsignatuur schreef over de duurste woonboot ter wereld, De Zwerver. In dit drijvende paleis op de Vecht dronk meneer R. meerdere glazen champagne.
Voor OnzeTaal recenseerde hij het bij uitgeverij Veen verschenen boek Wat zeggie? Azzie val dan leggie!, over het dialect dat in zijn geboortestad wordt gesproken. ‘In de speurtocht heeft de auteur getracht aan te tonen dat het Rotterdamse dialect meer is dan een verzameling taalfouten,’ schreef meneer R. ‘Dat is hem nauwelijks gelukt.’
Hoogtepunt moet het gesprek zijn dat hij op paleis Soestdijk voerde met prins Bernhard, in aanwezigheid van twee collega-journalisten. De foto die ervan werd gemaakt, een verslag in krant of tijdschrift is nergens te vinden, liet meneer R. inlijsten. Het staat nog altijd op de met muizenkeutels bezaaide schouw, naast een jeugdportret.
Piekfijn gekleed ging meneer R. in die dagen. In een verweerd fotoalbum zie ik hem in kostuum met vlinderstrik, in geruit colbert met das, in blazer met sjaaltje. Kort haar, iets te grote bril. Hij kwam in café Hoppe, voor de plaatselijke intelligentsia was hij geen onbekende.

Op het allerlaatst meldt zich alsnog een zus. Ze woont in de buurt van Utrecht en heeft van de gemeente Amsterdam per post een bericht van overlijden ontvangen. Dat bericht had eerder verstuurd moeten worden maar meneer R., die overleed in OLVG West, was eerst aan de zorg van een andere uitvaartondernemer toevertrouwd, een die samenwerkt met het ziekenhuis.
Toen die ondernemer, PC Uitvaart, er via een executeur-testamentair achterkwam dat er weinig tot niets bij meneer R. viel te halen werd hij alsnog doorgeschoven naar de gemeente Amsterdam.
De zus vertelt dat het contact met haar jongste broer in 1996 is verbroken, na het overlijden van hun vader. De twee andere kinderen uit het gezin, een oudere broer en zus, wensten al eerder niets meer met hem van doen te hebben.
Meneer R. was volgens de zus niet helemaal in orde. Dat zou het gevolg zijn van een niervergiftiging waar hun moeder, die bij de geboorte van meneer R. in 1949 vijfenveertig jaar oud was, aan zou hebben geleden.

Al op jonge leeftijd vertoonde meneer R. vreemd gedrag. Hij was slim maar erg opstandig. Hij schepte er een genoegen in de boel te verpesten, zowel thuis als op school.
Dat nam dusdanige vormen aan dat zijn vader, een autoritaire zakenman met wie meneer R. niet overweg kon, hem in een tehuis dreigde op te sluiten. Telkens wist zijn moeder, van wie hij veel moet hebben gehouden, dat op het nippertje te voorkomen.
Meneer R. werd van school gestuurd, het deerde hem niet, hij zou zichzelf als zelfstandig journalist gaan bewijzen. Hij trok naar Amsterdam en gaf tijdens familiebijeenkomsten hoog op van zijn prestaties; om zijn oudste zus, een wat burgerlijker type, en zijn vader te imponeren.
In het dorp waar zijn ouders na het vertrek uit Rotterdam neerstreken kwam hij voorrijden in elegante voertuigen, die hij, aangezien hij ook voor automagazines schreef, voor een dagje meekreeg van een importeur.
Meneer R. huwde niet en kreeg geen kinderen. Volgens de zus onderhield hij ooit kortstondig een relatie met een getrouwde vrouw. Seksueel was hij volgens haar niet actief omdat zijn testikels, als gevolg van de nieraandoening bij de moeder, zich niet zouden hebben ontwikkeld.
De enige kameraad in zijn leven was Boris, een zwarte labrador die iemand bij het centraal station aan een paal had gebonden. Meneer R. maakte hem los, vanaf dat moment waren ze onafscheidelijk.
Boris ging mee op reportage, ’s zomers maakten ze samen lange tochten. In juni 1979 waren ze samen in het Duitse Emmerich. Daar kocht meneer R. een ansichtkaart, die hij aan zichzelf opstuurde.
Er staat op dat hij op een terras aan de Rijn haringsalade bestelde. In Kevelaer liep hij met Boris de Mariabasiliek binnen. ‘Een Duitser protesteert,’ lees ik op de ansichtkaart. ‘Ik zeg: Boris ist auch katholisch.’

Na de dood van Boris ging meneer R. zich steeds gekker gedragen. Hij at ongezond en ruimde niet meer op, iets waar hij nooit erg goed in was geweest. Muizen renden door de woning, buren klaagden over stank.
De eigenaar stuurde hem tijdelijk de woning uit, zodat de boel kon worden uitgemest. Meneer R. keerde terug, het huis verloederde opnieuw. Hij schoffeerde zijn opdrachtgevers, de mot kwam in zijn carrière.
Het laatste artikel dat ik aantref heeft in NRC/Handelsblad gestaan. Het gaat over de Fiat 500, een autootje ontwikkeld voor arbeiders, waar meneer R. zeer veel van wist. ‘Het verhaal gaat dat een Italiaanse rechter ooit vrijspraak verleende omdat het volgens hem onmogelijk was om in een Fiat 500 een vrouw te verkrachten,’ schrijft meneer R. onder meer.

Tijdens de uitvaart van zijn ouders, de moeder overleed in 1995, wist meneer R. zich niet te gedragen. Hij foeterde familieleden uit en raasde in een geleende auto met gierende banden over de parkeerplaats van het crematorium; er kwam politie aan te pas. Hij begon dreigbrieven te sturen, ook aan zijn jongste zus, die vertelt dat hij dacht dat ze hem wilde vergiftigen.
Meneer R., ooit slank als een den, werd dikker en dikker. In winkels kreeg hij het aan de stok met het personeel, Albert Heijn en Bristol aan de Bilderdijkstraat lieten hem niet meer binnen.
Graag pakte hij de tram, om de buurten van Amsterdam te fotograferen, een liefhebberij. Maar in die tram lag ergernis steevast op de loer, blijkt uit een klacht die hij ruim een jaar geleden indiende bij het Gemeentevervoerbedrijf (GVB).
Iets te frivool had een conducteur haltes omgeroepen. Gaande de rit werd de ongein tenenkrommender, ter hoogte van Artis deed de conducteur een brullende leeuw na. ‘Men neemt de tram en krijgt er een lolconference bij,’ schreef meneer R. ‘Alles was niet alleen oorpijnigend maar deed mij ook heftig verlangen naar het rennen in de richting van de niet in uw voertuig aanwezig zijnde medicijnkast voor het ledigen van een doosje Rennies.’
Een andere klacht had betrekking op een bestuurder, die hem had gevraagd of het borreltje goed had gesmaakt. ‘Geboren met een licht motorische storing, een enigszins gestoorde motoriek, krijg ik al mijn bijna zeventig jaar durende leven dergelijke vragen.’ Van een overheidsdienaar in functie hoefde hij dat niet te accepteren.
Hij zag er verlopen uit. Mensen ontweken hem, niemand wilde met hem praten. Op internet, waar hij actief was op allerlei fora, schreef hij dat Kerstmis wat hem betreft mocht worden afgeschaft. ‘Alleenstaand zijn het tamelijk eenzame dagen want uitgenodigd wordt men zelden.’
Gelukkig had hij een plastic mannequin, afkomstig uit de etalage van Vroom & Dreesman. Hij had haar een pruik opgezet en noemde haar zijn vrouw.

Ik spreek met een vriendelijke mevrouw van Cordaan Thuiszorg. Ze vertelt dat meneer R. op het laatst honderdtachtig kilo woog. Twee keer per week omzwachtelde ze zijn opgezwollen benen.
De situatie was eigenlijk onhoudbaar, mensonterend ook wel. Naast het chaotische bureau, waaraan hij ooit zijn artikelen schreef, hoopte een vuilnisberg van afhaalmaaltijden zich op, muizen schoten alle kanten op.
De vriendelijke mevrouw had de huisarts ingeschakeld, zonder dat dat ergens toe leidde. Iemand van Mentrum zou eveneens in de woning zijn geweest, wat tot direct ingrijpen had moeten leiden. Dat is volgens de vriendelijke mevrouw van Cordaan niet gebeurd omdat meneer R. ‘in het vervolgtraject’ medewerkers van die organisatie zou hebben beledigd.
Meneer R. sliep op een kaal matras op de vloer. Er moest op z’n minst een ziekenhuisbed komen, daar was iedereen het over eens, al zou het allicht wegzakken in een van de gaten in de vloer. Toen het bed eindelijk werd geleverd zorgde meneer R. ervoor – hij kreeg tijdens de montage ruzie met de leverancier – dat het meteen weer werd ingepakt en meegenomen.

In de vroege ochtend van zondag 14 april hoorden de buren iets zwaars vallen, vervolgens klonk er hulpgeroep. Met hulp van de brandweer werd meneer R., die vermoedelijk plaats had willen nemen aan zijn bureau, naar het ziekenhuis gebracht, waar hij vijf dagen later als gevolg van hartfalen kwam te overlijden.

Op Sint-Barbara, het is vrijdagochtend 3 mei, laat ik Kathy’s Song van Simon & Garfunkel voor meneer R. spelen. Hij hield van dit zangduo, ik zag er, tussen de muizenkeutels, meerdere cassettebandjes van liggen. Meneer R. hield ook van tango, vertelde zijn zus, die met een vriend is gekomen. Daarom heb ik als tweede nummer Oblivion van Astor Piazolla uitgekozen, het wordt gedraaid als Erik Jan Harmens zijn geweldige gedicht heeft voorgelezen.
De kraaien van uitvaartcentrum Zuid hebben moeite met de zware kist. Terwijl Janaceks Taras Bulba (Andrei’s Death) speelt lopen we de aula uit, langs de platanen over de hoofdas naar het veld met algemene graven.
Behalve de zus zijn ook twee medewerksters van Cordaan – niet de vriendelijke mevrouw, zij kon helaas niet komen – van de partij. Na afloop, we drinken koffie in de wachtkamer van de kapel, vertellen de medewerksters dat meneer R. bezig was met afvallen. Hij had een hometrainer op de kop weten te tikken – die ik inderdaad heb zien staan – en was van plan om bij een diëtist langs te gaan.

Joris van Casteren.

Gepost in Uncategorized