Woensdag 7 oktober 2026, 10:00 uur
begraafplaats Westgaarde, Amsterdam
Dichter van dienst: Sasja Janssen
Auteur verslag: Joris van Casteren
Benidorm
Meneer J. was veruit de beste klant van Ambulancepost Noord. Meerdere keren per week rukte de ziekenwagen uit naar flat E aan Loenermark, waar meneer J. sinds een jaar of drie woonde.
Flat E is geen gewone flat maar een zogeheten Lang Leven Thuis Flat. In een Lang Leven Thuis Flat werken woningcorporaties, zorgverleners en welzijnsorganisaties samen om de seniore bewoners goed van dienst te kunnen zijn.
Meneer J. kampte met een zware vorm van COPD, veroorzaakt door roken. Hij hoestte als een bootsman en gaf taai slijm op. Bij het ademen klonken schurende geluiden.
Geregeld kreeg hij een exacerbatie; zo’n zware longaanval die met benauwdheid en verstikking gepaard gaat. De patiënt kan zo’n exacerbatie afwenden door zich zuurstof toe te dienen.
De zuurstofbril die daarbij wordt opgezet is middels een lange slang – zodat de patiënt nog een flink stuk in het rond kan lopen – verbonden met de zuurstofconcentrator, een elektrisch apparaat dat in de woning staat opgesteld.
Wie zo’n zuurstofconcentrator in huis gebruikt mag absoluut niet roken. De pure zuurstof maakt de patiënt en alle voorwerpen om hem of haar heen uiterst licht ontvlambaar.
*
Meneer J. was altijd stug blijven doorroken. De drank had hij opgegeven, dat wel. In de jaren tachtig al, nadat hij als postbode door de PTT was ontslagen, omdat hij in beschonken toestand brieven zou hebben besteld.
Met roken wenste hij niet te stoppen, het was de enige slechte gewoonte die hij nog had. Hij mocht in de medische systemen als stadium-4 COPD’er staan geregistreerd, in mei was hij toch maar mooi negenzeventig geworden.
Vanwege z’n constante gepaf kreeg hij die zuurstofconcentrator niet. Het risico dat hij de Lang Leven Thuis Flat, waar honderddertig ouderen wonen, in lichterlaaie zou zetten was simpelweg te groot.
Intussen namen de exacerbaties in frequentie toe, ze werden ook steeds heftiger. Zodra hij er eentje voelde aankomen belde hij noodnummer 112. Als het nog lukte nam hij alvast de lift naar beneden, dan kon het ambulancepersoneel hem zo inladen.
In het Boven ’t IJ-ziekenhuis zat hij vervolgens een poosje aan de Nebulizer, een apparaat dat een speciale nevel door z’n aangekoekte longen joeg. Meneer J. voelde zich dan vlug weer beter.
De ambulance moest hem ook weer terugbrengen naar de Lang Leven Thuis Flat, want meneer J. kon amper lopen. Hij beschikte over een geweldig scootmobiel, maar dat paste niet in de ambulance.
Thuis stak hij meteen weer op. Ambulancepost Noord had er de balen van. Het liep enorm in de papieren, de vele ritten naar Loenermark gingen bovendien ten koste van andere spoedgevallen.
*
De ouders van meneer J. kwamen uit Rotterdam. Z’n vader had daar onder meer gewerkt als magazijnbediende. Na het behalen van het groot rijbewijs bezorgde hij vracht voor groothandels.
Hij leverde onder meer tapijten aan een meubelzaak in Kralingen, het was een heel gesjouw. In de meubelzaak werkte een meisje. Hij werd verliefd op haar en zij na een poosje ook op hem.
De vader van meneer J. woonde nog bij zijn ouders, aan de Nieuwe Rubensstraat. Tijdens het bombardement op Rotterdam werd de Nieuwe Rubensstraat volledig weggevaagd.
Het gezin overleefde de brisantbommen en de daaropvolgende vuurzee. Tachtigduizend mensen raakten dakloos, het was moeilijk om in Rotterdam een nieuw huis te vinden.
De vader van meneer J. trouwde met het winkelmeisje. Samen vertrokken ze naar Amsterdam, zoals zovele Rotterdamse evacuees. In de armoedige Bilitonstraat in de Indische Buurt vond hij een krappe verdieping op tweehoog.
Aan transporteurs was in de oorlog geen behoefte, de Duitse bezetter had vrijwel alle vrachtwagens in beslag genomen. De vader van meneer J. werd weer magazijnbediende, in het Gemeentelijk Handelsentrepot.
De voedselrantsoenen waren karig. Op de zwarte markt was het een en ander te koop, maar met het schamele loon dat hij in het Gemeentelijk Handelsentrepot verdiende kon de vader van meneer J. dat nauwelijks betalen.
Het voordeel van de baan was dat hij niet zou worden opgeroepen voor de Arbeitseinsatz, aangezien in het Gemeentelijk Handelsentrepot als essentiële instelling was aangemerkt.
Maar in de zomer van 1944 gebeurde dat alsnog, hij diende zich te melden bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. De geallieerden rukten op, in nazi-Duitsland was het alle hens aan dek.
Hij haalde zijn buitenlandse pas op bij het Bevolkingsregister aan de Plantage Kerklaan. Kort daarna brak Dolle Dinsdag uit, de Amerikanen stonden inmiddels in Parijs.
De vader van meneer J. besloot onder te duiken, in de eigen woning aan de Billitonstraat. Als de bezetter razzia’s uitvoerde vluchtte hij naar zolder. De moeder van meneer J. raakte zwanger van hun eerste kind, een dochter. Met een bolle buik stond ze bij de gaarkeukens uren in de rij.
Het was afschuwelijk koud in de tochtige woning. Graatmager kwam het jonge gezin de hongerwinter door.
*
Na de oorlog zou alles beter gaan. Het huis aan de Billitonstraat werd opgeknapt, de vader van meneer J. vond opnieuw een baan in de transportsector. Op 21 mei 1947 werd een zoon geboren.
De kinderen moesten het goed hebben, nooit meer hongerwinter. De zoon werd ontzettend verwend, met name door de moeder. De jongen kreeg wat hij maar wilde, anders dan zijn zus hoefde hij nooit te helpen in het huishouden.
Als transporteur sjouwde de vader zich een ongeluk, hij kreeg last van zijn rug en werkte tot aan zijn pensionering als verkoper in een meubelzaak. Het was eenvoudig werk, je ontmoette allerlei soorten mensen.
De vader van meneer J. hoopte dat zijn zoon zich ook voor het vak van verkoper zou gaan interesseren. Hij wilde niet dat de jongen net als hij met zware vracht moest gaan sjouwen.
Maar meneer J. kreeg belangstelling voor andere zaken. Voor school had hij geen belangstelling, het nut van diploma’s zag hij niet in. Liever zat hij met twijfelachtige vrienden in kroegen aan het Thorbeckeplein.
Met deze figuren reisde hij regelmatig naar Spanje. In Benidorm lagen ze hele dagen te drinken op het strand. De vrienden namen verdovende middelen mee, meneer J. was er niet vies van. ’s Avonds werd er druk gegokt.
Hij was gedrongen maar tamelijk gespierd. In een strak zwembroekje paradeerde hij met zijn gebruinde lijf zelfverzekerd langs de parasollen. Hij versierde een Amsterdamse die daar met vriendinnen op vakantie was.
Dit resulteerde in een eerste huwelijk dat niet lang stand hield. Nog tweemaal zou meneer J. trouwen. Halsoverkop en met vrouwen waar hij vlug weer op uitgekeken was. Hij plantte zich bewust niet voort, hij was gesteld op zijn vrijheid en hield niet van verplichtingen.
Zijn zus was serieuzer, haar huwelijk met een timmerman was stabiel. Ze gingen samenwonen en kregen twee kinderen die aanvankelijk erg gesteld waren op hun flamboyante oom.
De moeder maakte zich zorgen. Ze had gehoopt op een perfecte bruid voor de zoon die niets verkeerd kon doen. Het kon niet aan hem liggen dat de huwelijken telkens sneuvelden, de vrouwen waren simpelweg niet goed genoeg.
Ze werd ziek, in 1979 overleed ze op 65-jarige leeftijd. In 1986 stierf de vader, hij werd 74. Op dat moment had meneer J. een aardig drankprobleem ontwikkeld.
Op de uitvaart van z’n vader zou hij in aangeschoten toestand zijn verschenen, tot afschuw van zijn zus, haar kinderen en de timmerman. Hij maakte ruzie over erfenis, die summier was.
De zus vond dat hij hun ouders met zijn manier van leven enorm had teleurgesteld. In de oorlog hadden ze zoveel meegemaakt, de kinderen moesten het beter krijgen. En wat deed hij? Terend op hun zak liep hij alleen maar te gokken en te feesten. Ze besloot voorgoed met hem te breken.
*
Meneer J. wilde in de ouderlijke woning aan de Billitonstraat blijven wonen. De vrienden kwamen daar graag over de vloer, om in hogere sferen te geraken, ook toen de vader nog leefde.
Zonder werk kon hij de huur niet betalen. Hij werd de ouderlijke woning uitgezet, een volgend dieptepunt. Een tijdje sliep hij bij de vrienden op de bank. Totdat die hem ook zat waren en hij op straat dreigde te belanden.
Meneer J. was al een flink eind in de veertig toen hij voor het eerst op zoek ging naar een baan. Zonder diploma kwam hij voor weinig in aanmerking, vernam hij op het Arbeidsbureau. Postbode leek hem de minst slechte optie.
Het inkomen was niet royaal maar voldoende om de huur van een rijtjeshuis in Amsterdam-Noord te kunnen betalen. Het was een volkse buurt, de mensen waren er een beetje zoals hij.
Meneer J. bleef gretig doordrinken, ook op doordeweekse dagen. Het rijtjeshuis werd een zoete inval voor dorstige buurtbewoners die de kroegen niet konden betalen.
Met een houten hoofd had hij niet altijd zin om post te gaan bezorgen; waarschuwingen volgden en ten slotte ontslag. Het deerde hem weinig, hij was al zestig, de aow-leeftijd lonkte.
Het vele lopen met die post ging toch al niet goed meer, hij had last van vocht in zijn benen. Bij een helpdesk van de gemeente vroeg hij een scootmobiel aan.
In beschonken toestand reed hij in dat scootmobiel tegen een lantaarnpaal. Van de helpdesk van de gemeente vernam hij dat het voertuigje kon worden ingenomen als hij het onder invloed bleef besturen.
Meneer J. besloot de drank af te zweren, anders zou hij alleen nog maar binnen kunnen zitten. Het was een enorme opgave, enkele weken bracht hij door in een afkickkliniek, maar het lukte hem wel. Voortaan reed hij nuchter door z’n buurt.
*
In 2023 werd zijn woning gerenoveerd. Met z’n COPD kon hij de trappen nauwelijks nog op, van de woningcorporatie hoorde hij over de Lang Leve Thuis Flat aan Loenermark, verderop in Noord.
De kamer die hij kreeg was klein maar dat gaf niet want hij had toch nauwelijks spullen. Er was een huishoudelijke hulp en verderop in de gang woonde een aardige dame bij wie hij wel eens koffie dronk.
’s Ochtends trok meneer J. er op uit in z’n scootmobiel. Dan reed hij in z’n trainingspak naar z’n oude buurt, waar de tabakszaak was gevestigd. Hij praatte wat met de eigenaar, die op de hoogte was van z’n rauwe verleden.
Om half elf kwam hij aan bij de Febo aan het Buiksloterplein. Op het bankje naast de snackbar zat een vast ploegje ouderen, hij kletste dan een beetje met hen mee.
Meestal vertelde hij over een zoveelste ambulancerit, ternauwernood had hij weer een van z’n exacerbaties overleefd. De anderen verstonden hem niet goed, als hij sprak rochelde en piepte hij dat het een aard had.
Hij droeg een rode pet die soms afwaaide. Van zijn gespierde lijf was weinig over, volgens een van de ouderen van de Febo-groep zag hij eruit als een ingezakte pudding. Zijn gelaat was bleek geworden, de Spaanse tint die hij lang had behouden was geweken.
Bij de Febo dronk hij aanvankelijk koffie onder het roken. Toen de arts hem vanwege ondraaglijke pijnen morfinepillen had voorgeschreven bestelde hij plotseling milkshakes.
Door de morfine ging hij zich vreemd gedragen. De huishoudelijke hulp mocht niet meer binnen komen, met de aardige dame op zijn gang maakte hij ruzie. Bij de Febo-groep konden ze hem ook niet meer luchten of zien.
*
Maandag 7 september rook de aardige buurvrouw een vieze lucht toen ze achter haar rollator de kamer van meneer J. passeerde. Tevergeefs klopte ze aan, de huismeester kwam en opende de deur.
Meneer J. zat al enkele dagen dood op de bank. Een van de exacerbaties was hem fataal geworden. Ditmaal was het hem niet gelukt om tijdig het noodnummer te draaien.
Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam zocht contact met de zus, die aangaf op geen enkele manier betrokken te willen zijn. Een vriendelijke mevrouw van de woningcorporatie, die meneer J. een aantal keren sprak, zou nagaan of er misschien anderen waren die naar de uitvaart wilden gaan.
Aanvankelijk zegde de eigenaar van de tabakszaak toe, net als iemand van de Febo-groep en de aardige buurvrouw. Maar bij nader inzien zagen ze er toch weer van af. Eigenlijk wisten ze nauwelijks iets van meneer J. en de laatste tijd had hij toch wel erg vervelend gedaan.
*
Woensdag 7 oktober vindt de uitvaartdienst plaats op Westgaarde, helemaal in Osdorp. Meneer J. beschikte over een uitvaartverzekering, afgesloten in de tijd dat zijn ouders nog leefden.
In de polis stond dat hij gecremeerd wilde worden. Ik laat Julio Iglesias voor meneer J. draaien, volgens de aardige buurvrouw hield hij daarvan. Waarschijnlijk gleden zijn gedachten dan af naar Benidorm.
De mevrouw van de woningcorporatie is wel gekomen. Ze brengt de zachte kanten van meneer J. in herinnering. Ze hoopt dat hij met open armen in het hiernamaals wordt ontvangen.
Sasja Janssen leest haar gedicht voor, later die dag verdwijnt het lichaam van meneer J. in de oven. Volgende maand zal het op Westgaarde worden verstrooid, op een speciale veldje voor as uit urnen die niet zijn opgehaald.
Joris van Casteren.