Eenzame uitvaart #87, Amsterdam

Eenzame uitvaart nummer 87
I.M. V. C.
10 december 1932, Italië, † 4 januari 2008, Amsterdam
Begraafplaats Vredenhof, dinsdag 22 januari, 9.30 uur
dichter van dienst: Anneke Brassinga

V. C. stond sinds 26 september 1972 in Amsterdam ingeschreven. Hij is nooit getrouwd geweest, geen kinderen. Hij is door de politie gevonden in zijn woning aan de Wittenstraat in Amsterdam. Hij heeft ‘enige tijd’ dood in zijn woning gelegen. Hoe lang dat is, kan Mahmut niet zeggen. V. C. werd geboren op Sicilië, verhuisde naar Milaan. Het Italiaanse consulaat vindt geen familie daar. Nadat ik de melding van Ali Mahmut binnenkrijg, summier als altijd, wandel ik naar het huis van de overledene. Ik moet raden naar de precieze locatie van zijn woning, de nummers in het portiek ontberen logica. Het zou die woning met de vier glanzende porseleinen siervissen in het raam en die bos bleekpaarse rozen op tafel kunnen zijn, maar die rozen lijken te vers. V. werd op vier januari al gevonden. Ik ga twee weken later kijken. Er hangen van die Jordaanvitrages voor het raam, in drie boogjes, meer het soort gezelligheid van een oude vrouw dan voor een man alleen, lijkt me.
De bovenwoningen geven weinig informatie prijs. Het gehele gebouw is hardroze gestuct.

Een stralende dinsdagochtend. De zon heeft er zin in, na een week lang regen. Ik wandel van mijn woning naar de begraafplaats. Tien over negen slenter ik het terrein op. ‘Er is nog niemand’, komt een drager op me af, bijna opgelucht dat er toch nog iemand is gekomen. We posteren ons bij de ingang. Hij vertelt dat hij dertig jaar geleden uit Kroatië is gekomen, altijd in de metaal gezeten, toeslagen, goed verdienen, NDSM, ADM, somt hij de verdwenen scheepswerven op, later schoonmaakwerk, ’s avonds schoonmaken, kinderen, studeren, duur. Overdag: dragen. ’s Avonds: schoonmaken, vat hij zijn leven samen. Maar nu niet meer. Kinderen nu goede baan. Niet meer schoonmaken. Alleen nog dragen.

Iets voor half tien komt Ali Mahmut aanfietsen. Even later draait een auto het erf op. Twee dames. Ze sluiten zich bij Mahmut aan, die bij de aula is gaan staan. Dan komt ook Anneke Brassinga aangestapt. We schudden handen. Een piepklein autootje met de twee volgende dragers erin komt aangereden. We wandelen naar Mahmut en de dames, die zich voorstellen als buren van V. Anneke wil graag weten of hij grijs haar had. Dat had hij. ‘Het was een mooie man hoor, en altijd goed verzorgd, heel schoon. Nee, bezoek kreeg hij nooit, tenminste, er was paar maanden geleden een vrouw gekomen, en later nog een keer, maar toen deed hij niet open. De huisgenoot van een van de dames kwam haar tegen op de trap. Ze vroeg of meneer C. de laatste tijd nog gezien was, in het trapportaal.’ Dat was hij niet.

Dit jaar was de kerstversiering achterwege gebleven. ‘Ieder jaar hing hij lichtjes voor het raam, zo’n snoer, weet je wel, en voor zijn deur een krans, nu ja, een kransje.’ De buurvrouw dacht nog dat hij dit jaar misschien naar familie was. Maar toen die mevrouw geweest was had het haar toch niet lekker gezeten. Een paar dagen later belde ze nog eens aan. Deze keer echt lang. Toen is ze de politie gaan bellen. Dan komt de politie. De brandweer om de deur te doen. Die hebben ze open gezaagd, die zat goed dicht. ‘Nu zit er een plaat op getimmerd, met zo’n brief erop van de politie, niet betreden. Het herinnert je eraan, telkens als je weggaat of thuiskomt.’ Ze hoopt dat de woning gauw weer een gewone deur krijgt.

Anneke Brassinga vindt dat het jaartal van zijn overlijden dan eigenlijk een jaar naar beneden kan worden bijgesteld, als hij al voor de kerst is overleden. Maar zo werkt dat niet. Het is de datum van de vinding, die telt, in onze administratie. Een buurvrouw wil graag weten waar hij is gevonden. Dat wou de politie niet vertellen. ‘Gewoon op bed’ weet Mahmut, Kerstens is in de woning geweest om adressen te zoeken. Mahmut heeft alle nummers in het boekje geprobeerd. Bij een van de nummers sprak zijn gehoor uitsluitend Italiaans, en gooide na twee zinnen de hoorn op de haak. Hij vroeg het consulaat nog eens te bellen naar dat nummer, in het Italiaans, maar ook daar ving men bot. ‘Kennen we niet.’ Geen idee hoe dat nummer dan in het boekje komt.

Mahmut weet nog meer. Vragen die eerder onbeantwoord bleven vinden antwoord. Meneer C. is na Milaan naar Zwitserland verhuisd, heeft ook nog in Duitsland gewoond, om uiteindelijk in Nederland te blijven, één steek diep. En dat er dus geen familie is gevonden, niet in Italië. ‘Bureaucratie hè,’ zucht hij, en strijkt met zijn hand langs zijn kin, de korte, grijze baard. ‘Misschien wil de familie hem niet meer,’oppert een van de buurvrouwen, ‘met zijn geaardheid. Dat is in die landen echt een probleem, echt een probleem hoor.’ Ze deden aan groeten, op de trap. Verder kenden ze de buurman nauwelijks. Erg op zichzelf, die man. Heel beleefd, vriendelijk, voorkomend, maar afstandelijk. Hij deed zijn boodschapjes. Hij was erg netjes. Hij veegde de trap, dat deed hij. ’s Zomers in een korte broek. Soms had hij de deur aanstaan en als hij dan iemand hoorde op de trap, kwam hij een praatje maken. ‘Zo van: goedemorgen. Lekker weertje. Alles goed?’ Een van de buurvrouw kan een beetje Italiaans. Vliegvelditaliaans, noemt ze dat. We gaan nu allemaal Italiaanse woorden zeggen. Ik kom met Como esta?, maar dat klopt niet. Cappuccino, dat is al beter.

De lijkwagen arriveert om kwart voor tien. De dragers klagen over de Coentunnel. De uitvaartleidster laat op zich wachten. En wachten. Er wordt druk gebeld met de mobieltjes, waar ze blijft. Ze schijnt op een heel andere begraafplaats gesignaleerd, waarvandaan ze inmiddels weer vertrokken is, omdat daar helemaal geen uitvaart was. We moeten maar afwachten. ‘Misschien kan meneer Starik voor haar invallen,’ oppert Mahmut. Tsja, echt moeilijk is het niet. Je hoeft alleen maar drie keer heren alstublieft te zeggen, aan het graf om een moment van stilte vragen. Zeggen dat er koffie is. Maar de beheerder van Vredenhof heeft de papieren nodig. Zonder papieren begint hij niks. ‘We zouden de muziek vast kunnen aanzetten,’meent de beheerder. Hij biedt koffie aan. We drinken koffie. Heerlijk zeggen we.

V. C. was in zijn jonge jaren een hele mooie man, vertelt Mahmut, hij heeft foto’s gezien. Een met paarden erop, en een met een glas in zijn hand, vrolijk, vrienden, vakantie. ‘Ik denk dat hij in de horeca heeft gewerkt,’ denkt een buurvrouw. ‘Hij had een pensioen uit Italië, iedere maand een paar honderd euro,’weet Ali. ‘Hij werkte in een pizzeria,’ denkt de tweede, ‘ja, hij was een pizzabakker.’

Bijna een uur later dan de bedoeling was kunnen we beginnen. De uitvaartleidster excuseert zich voor de vertraging. De buurvrouwen hebben allebei naar hun werk gebeld, dat het allemaal wat langer gaat duren dan gepland. We gaan de aula binnen op Nessum Dorma, waarschijnlijk afkomstig van zo’n verzamelaar ‘de mooiste klassieken.’ Het eindigt abrupt, op drie minuten zoveel, langer mag een hit niet duren. Anneke Brassinga stapt naar voren, neemt plaats achter de katheder en leest haar gedicht.

Het raadsel
voor V. C., 1932-2008

In de eerste dagen van het nieuwe jaar
is het of de tijd niet voort meer kan, zo oud
lijkt dan de wereld en zo afgetakeld.

Een van die schamele korte dagen was voor jou
de laatste. V. – - “leven” zegt je naam
en mijn verbeelding ziet een grijze, taaie

Siciliaan. Chi sei tu? Eeuwige vraag: wie
ben je? Ik heb je huis gezocht, je straat, om stil
te staan bij je raam. Ik zag het uitzicht,

verre brug die opengaat en dicht voor stromen
van verkeer, passanten. Wie bewoonden je gedachten
de vijfendertig Nederlandse jaren, wie zal

onthouden wat je dierbaar was? Hooguit ’n fractie
is van iemand bekend – - zo onbegrensd, de mens.
Maar ieders uitzicht is gelijk: noi tutti

dobbiamo morire, wij allen moeten sterven
ovunque in questa valle di lacrime, hier
in dit tranendal, waar alleen de tijd mag

stromen zonder einde. Jouw stof van dromen,
V., wordt in de aarde opgenomen;
het raadsel – - wie je was – - leeft voort.

© Anneke Brassinga, 22 januari 2008.

Ave Maria klinkt op, en dan is het Time to say goodbye. Een buurvrouw snikt. De ander legt een hand op haar schouder, biedt een zakdoek aan. De beheerder doet de deuren van de aula open, schuift het gordijn opzij, het zonlicht knalt als een felle spot de aula in. We wandelen de perfecte ochtend in. De buurvrouwen hebben elkaar een arm gegeven. Aan het graf betrachten we het moment van stilte. Werpen ons schepje zand. De buurvrouwen keren het schepje voorzichtig om boven de kist, ongeveer zoals je suiker in je koffie doet, opdat het zand mooi zacht zal vallen, Mahmut kiept het schepje eenvoudig om boven de kist, boem, ik kies de gulden middenweg. Brassinga tenslotte buigt zich ver over de kist, alsof ze bang is om te morsen, mikt, giet.

We lopen terug naar de aula. De buurvrouwen zijn onder de indruk. Het is allemaal heel mooi gegaan. Ze zijn vol bewondering voor de dichteres, die zo mooi Italiaans kan spreken, in dat prachtige gedicht, en dat het wel heel mooi is, dat het zo gebeurt, allemaal. Geroerd nemen we afscheid. Het was een fijne uitvaart.

© voor het verslag, F. Starik.

Tags: | Gepost in 2008, Amsterdam