Eenzame uitvaart #166 Amsterdam

Eenzame uitvaart nummer 166
N.N. (R. B. B.)
donderdag 29 augustus, 15 uur, begraafplaats St Barbara
dichter van dienst: F. Starik

Maandagmiddag. Ali Mahmood belt. ‘Ik heb een eenzame uitvaart voor u.’ Ik graai een leeg papier uit de printerlade, pak een pen van mijn bureau en ga aan de keukentafel zitten. ‘Gevonden door de politie, zelfmoord,’ vat hij staccato samen. ‘Er is een brief, een afscheidsbrief, een heel erg mooie brief, waarin hij vertelt over zijn eenzaamheid, die brief hebben we gevonden. De politie heeft DNA afgenomen, hij is nog niet officieel geïdentificeerd.’ Dat gaat een aantal gevolgen hebben. Hij moet als onbekende begraven worden. Zijn wens om in Buitenveldert, in de nabijheid van zijn woning, te worden verstrooid kan daarom niet gehonoreerd worden. Dat vindt Ali net zo jammer als ik, maar zo zijn de regels, die kunnen we niet veranderen.

Er is een zus, maar met haar heeft onze R. – zijn naam wordt later bekend - al veertig jaar geen contact meer, en volgens de politie is het niet raadzaam om haar nog met hem lastig te vallen. Hij zal rond zes augustus de hand aan zichzelf hebben geslagen. Op 20 augustus werd hij gevonden. In zijn huis in Amstelveen, een volstrekt non-descripte galerijflat, zo te zien afkomstig uit de vroege jaren zeventig. Een flat te midden van andere flats van gelijkaardig ontwerp, uitzicht op een parkeerplaats, garages, een huis met alleen een achterkant, of twee achterkanten. Keurig, maar zonder enige liefde gebouwd en onderhouden. Nette armoe, vind ik, armoediger nog dan de armoe die zich openlijk vertaalt in vuil op straat, afbladderende kozijnen, hier is alles steriel, alsof er niemand woont. Zelfs de bomen in de perkjes durven geen blad te laten vallen.

‘Dit is eenzaamheid, eenzaamheid in de grote stad,’ benadrukt Ali Mahmood nog eens. Hij klinkt geëmotioneerd. Hij heeft de woning – heel even maar, want de stank was niet te harden – bezocht, het dagboek mee gegrist op zijn spoedige aftocht. ‘Duizenden vliegen vlogen als raketten op me af.’ De GGD had het lijk weliswaar weggehaald en de ergste rotzooi opgeruimd, klaar was het bepaald nog niet. ‘U kunt zijn boekje komen halen,’ vervolgt Mahmood, ‘ik leg het bij de portier voor u klaar, maar weest u vooral voorzichtig met persoonlijke dingen, het is alleen ter inspiratie.’

Dankbaar stap ik op de fiets. Maandagmiddag, het is prachtig weer, ik heb in de zon aan mijn nieuwe boek zitten werken, alles was rustig, maar dit verandert de zaak. Hier zou je ook een boek over kunnen schrijven. Nee, dat kan niet. Je hebt een uitvaart te verzorgen.

Een zwart schrift van de HEMA, gelinieerd. Als ik het boek bij de portier in ontvangst neem, kan ik het niet nalaten om er even aan te snuffelen. ‘Meneer Van Bokhoven is er nog,’ wijst de portier, ik ken de weg. Hij heeft me begroet met een hartelijk: ‘Meneer Starik!’ Hij wist al dat ik dat boek kwam halen.

Meneer Van Bokhoven resideert op de eerste etage in een serre aan de achterzijde van het pand aan de Nicolaas Witsenkade, daar kan hij roken. Dat doet hij dan ook. Twee telefoons onder handbereik, ze gaan allebei zonder tussenpozen af. Af en toe neemt hij er een op. Ik ga zitten in het tweede stoeltje dat op zijn kantoor is geplaatst. Het staat recht achter zijn eigen stoel voor het bureau, bezaaid met papieren. In zeker opzicht zijn we op een rijtje gaan zitten. We praten kort. We verzekeren elkaar ervan dat we elkaar donderdag weer terug zullen zien.

Het stinkende boekje ligt opengeslagen op mijn eigen bureau. Op de grijze dekpagina is een afbeelding van een schroef geplaatst, een platkop. Een plaatje, met grove pixel van internet gedownload, het zal wel een kruiskop zijn, het voorwerp is precies recht gefotografeerd. Je kunt niet zien welke schroevendraaier je nodig hebt om met deze schroef aanstonds een verbinding tot stand te doen komen. Het is geen scherpe schroef, hij is kort en dik, je zult een gaatje moeten voorboren, wil het materiaal niet splijten. Het zwarte omslag is versierd met een moeilijk te duiden tekening, die met zorgvuldig aangebrachte stroken plakband als waterdicht daaroverheen is aangebracht, heel netjes geplakt.

Waarschijnlijk heeft hij de tekening zelf gemaakt, met kleurpotlood en een fine-liner, die overal de contouren aangeeft, altijd binnen de lijntjes kleuren. Aan de basis staat een roze ingekleurde cirkel, voorzien van uitstekels met aan het eind een bolletje eraan die met verschillende kleuren zijn ingevuld. Aan de bovenzijde ontspruit iets wat wij herkennen als een Mexicaanse cactus, je weet wel, waar ze die sterke drank van maken, of in ieder geval op het etiket van de fles afbeelden, symbool ook van tal van andere hallucinerende middelen.

Daarboven volgt een rood ingevulde dubbele streep, iets wat je als een mond zou kunnen herkennen, temeer daar hier weer vlak boven een bruine driehoek een neus lijkt voor te stellen, die terzijde wordt gestaan door twee pilvormige, met hetzelfde bruine kleurpotlood getekende plooien in de wangen, geschraagd door de uitlopers van die Mexicaanse cactus.

Daarboven vinden meer ogen, misschien een duinlandschap dat evengoed als blond haar bedoeld kan wezen, een boos gezichtje met een rode, verticale blikseminslag bij wijze van kapsel, om hoopvol te eindigen met de vertakkingen van de cactus zelve, gewoon groen.

Tequila, Mescaline. Telkens als ik het boekje opensla moet ik even later mijn handen wassen. Het boekje stinkt. Aan de achterzijde van het grijze dekvel zit een pasfotootje geniet: een tanig, niet onsympathiek gezicht boven een zwart overhemd, een bruin colbert. De volgende bladzijden zijn ingeruimd voor bankrekeningnummers, toegangscodes, wachtwoorden, beveiligingsvragen en de daarbij behorende antwoorden. Wat is uw favoriete sport?

Mahmood vertelde al dat hij erg van wielrennen moet hebben gehouden: in zijn woning trof hij diverse foto’s van R. gehuld in fietstenue, geflankeerd door een racefiets, ook vond hij foto’s van een parachutesprong.

Dan volgt zijn afscheidsbrief. Hij excuseert zich omstandig, richt zich tot een onbekende lezer, tot wie hem dood zal vinden, lezer, gegroet. ‘Ik kan niet meer,’ schrijft hij. Hij is zijn leven lang alleen geweest. Met de familie is het al heel lang geleden misgegaan, dat zal niet meer goedkomen. Hij is misbruikt, in zijn jeugd, schrijft hij, maar gaat daar verder niet op in. Hij heeft recent nog een poging gedaan met een neef in contact te komen, maar ook die had geen zin om R. te leren kennen. ‘In deze wereld voelde ik mij toch al nooit thuis. En het wordt erger dus ik ben eruit gestapt.’ Hij verontschuldigt zich nogmaals voor de rotzooi. Vertelt dat de meest voor de hand liggende reden voor zijn zelfgekozen einde zijn drugsgebruik zou zijn, maar dat dit er niets mee te maken heeft, het is de eenzaamheid die het gedaan heeft, het voornemen om een bedrag voor de kosten van de uitvaart bijeen te brengen is niet meer ten uitvoer gebracht, ook daarvoor biedt hij zijn excuses aan: ‘Het besluit mijn leven te beëindigen kwam toch nog sneller dan ik dacht. Het is niet eerlijk tegenover u maar ik kan niet meer, kapot door vermoeiing en eenzaamheid.’

Hij vraagt in zijn brief om bij zijn uitvaart An Ending van Brian Eno te draaien, ik heb aardig wat Eno in huis, maar dit niet. Een stuk uit 1983. Via bol.com is hij alleen op vinyl verkrijgbaar, maar helaas niet leverbaar. Ik bel met Concerto. Zelfde verhaal. Marktplaats. Nope. Het is wel op You-Yube te vinden. Maar dat kun je dan weer niet downloaden. Ik besluit twee stukken van My life in the bush of ghosts te gebruiken, dat komt in sfeer het dichtste bij wat hij graag had willen horen.

In het boek zit een los vel gestoken, waarop een gedeelte van zijn cv is afgedrukt: hij werkte jarenlang als kok en bartender, als administratief medewerker, hij vermeldt ook in de vroege jaren tachtig een opname in de Jellinek-kliniek, hij werkte in een platenzaak, was enige tijd voorzitter van de Bezoekers Adviesraad van Paradiso, werkte als chauffeur, als nachtwaker, als standwerker op de Albert Cuypmarkt, in de decorbouw, bij een paraclub in Frankrijk, en tenslotte als nachtportier in een hotel, tot 2001, verder reikt zijn cv niet.

Ik mail Jan Dietvorst, die al een eeuwigheid bij Paradiso werkt. Hij kan zich de bezoekersraad herinneren, een relict uit een voorbije tijd, hij bewaart er geen blije herinneringen aan, maar heeft onze man daar nooit ontmoet. Ik vraag Thomas Verbogt, die hetzelfde café frequenteert waar R. ooit kok was, maar de mensen daar herinneren hem zich evenmin.

Onder het cv, handgeschreven, maakte hij notitie van een indrukwekkende lijst boeken, die hij waarschijnlijk allemaal gelezen heeft, sindsdien. Als ik hem google, stuit ik op een groot aantal reacties die hij postte op artikelen over wielrennen, over sekse-ongelijkheid, over filosofische onderwerpen: ‘Ik had zelf altijd het idee dat ik veel inzichten juist heb verworven omdat ik min of meer aan de zijlijn bleef en mij niet liet verdrinken in de drukte en waan van de dag die mijn tijd zouden volmaken en geen leegte meer boden om de geest ‘te laten waaien’ zoals een beroemde schilder uit de vorige eeuw altijd adviseerde.
Dat was de meester Terpen Tijn voor de kunstliefhebbers onder ons.
Immers: mijn ledigheid is mij juist zeer welkom, ik heb de gelegenheid om desnoods 10 jaar over iets na te denken.
En ik zou voor geen miljoen verleid kunnen worden die oase te verlaten.’
Dat was op 13 juli van dit jaar. Op 6 augustus werd hij door de politie in zijn woning gevonden, had hij zijn oase toch verlaten, op 20 augustus werd het stoffelijk overschot vrijgegeven en in een gesloten kist overgebracht naar Uitvaartcentrum Zuid, deze op 19 juni 1958 geboren en getogen Amsterdammer, op 29 augustus werd hij weggebracht en dat was dat.

SCHROEF

voor R. B. B.

Er is het vermoeden van
een droog stuk land, een solitaire plant.
Niemand die op hem wil lijken. Alleen
maar zand, zover het oog wil reiken.

Er is het geloof in de eenzame fietser
die kromgebogen over zijn stuur tegen de wind
zichzelf een weg baant. Altijd berg op, door
rul zand. En toch stug verder rijden.

Hij kan zich, al malend, niet bevrijden
van die eeuwig tollende gedachten:
wie geeft me water, wie maakt me open,
wie schroeft me vast

wie wacht me op aan het eind van
mijn tocht, is er een eind? Is er een top?
Wie brengt de verbinding tot stand?

En wat als het antwoord luidt:
helemaal niemand? Wat dan?
Ja, dan.

donderdag 29 augustus 2013, 15 uur, begraafplaats St Barbara
F. Starik

Tags: | Gepost in 2013, Amsterdam