Eenzame uitvaart #315, verslag

Donderdag 27 augustus 2026, 10:00 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam
Dichter van dienst: Twan Vet
Auteur verslag: Joris van Casteren

Naast de vuilcontainer

Op dinsdag 7 juli vertrok meneer P. uit Szczecin. Zijn hele leven had hij gewoond in de zevende stad van Polen, gelegen aan de Oostzee, niet ver van de Duitse grens. Hij was er zelfs geboren, op 20 januari 1962, nog in het communistische tijdperk.

In Szczecin was hij naar een technische school gegaan. Mogelijk raakte hij betrokken bij het geweldloze verzet van Solidarnosc. Hij was achttien toen de vakbond de scheepswerf van Szczecin lamlegde.

Geruime tijd zou meneer P. in Szczecin een baan hebben gehad. Misschien wel op diezelfde scheepswerf, veel jongemannen kwamen daar terecht. Er is niemand te vinden die het met zekerheid kan zeggen.

*

Broers of zussen had hij niet, z’n ouders zijn waren geruime tijd dood toen hij die dinsdag zomaar ineens vertrok. Meneer P. was nooit getrouwd geweest, voor zover bekend kreeg hij geen kinderen.

Wel was er nog wat verre familie, al jaren had hij geen contact met die mensen. Volgens de verre familie zou meneer P. de onbekende baan omstreeks zijn vijftigste zijn kwijtgeraakt.

Daarna werd hij dakloos. Ruim tien jaar leefde hij in Szczecin op straat. Net als de andere zwervers dronk hij om in slaap te komen. Een notoire overlastgever zou hij niet zijn geweest.

Als het warm was lag hij in een van de parken, als het koud was sliep hij in de opvang. Hij vond het daar onaangenaam, het was te druk. Meneer P. was liever in z’n eentje.

*

Zijn vertrek had met het naderen van de pensioengerechtigde leeftijd te maken. In Polen zou hij maandelijks tweehonderdtachtig euro ontvangen. Daar viel niets van te huren, voor altijd zou hij dakloos blijven.

In Nederland had je een vast pensioen voor iedereen, een maandelijks bedrag van meer dan duizend euro. Iemand kon hem hebben wijsgemaakt, of hij was het zelf gaan geloven, dat hij daar ook aanspraak op kon maken.

Nederland hoorde net als Polen bij de Europese Unie. Ingezetenen mochten zich vrij door de lidstaten bewegen. Ingezetenen mochten zich ook in andere lidstaten vestigen.

Meneer P. kwakkelde met z’n gezondheid, de laatste maanden was hij ontzettend moe, er was iets niet goed met hem. Hij liep met een stok, nooit had hij laten onderzoeken wat hem scheelde. In Szczecin meed hij de zorg, Poolse artsen met hun verouderde medische apparatuur vertrouwde hij niet.

*

Dinsdag 7 juli liep meneer P. de moderne hal van station Szczecin binnen. Hij had geen bagage bij zich, alleen de stok. Hij droeg de donkere spijkerbroek die hij altijd droeg, de warme zwarte jas met capuchon en de halfkapotte schoenen.

Meneer P. had geen bankrekening, het treinkaartje betaalde hij contant. Hij gaf de lokettist alles wat hij had. Het was niet veel, als dakloze kon je bij de gemeentekas van Szczecin soms wat biljetten ophalen en dat had hij die ochtend gedaan.

De lokettist zei dat het niet genoeg was. Hij kon een kaartje tot Hannover krijgen. Hannover was al een heel stuk richting Nederland, in Hannover zou meneer P. wel weer verder zien.

De trein vertrok, z’n geboorteplaats met de hoge havenkranen trok nog eenmaal aan hem voorbij. Drie uur later was hij in Berlijn. Op het Hauptbahnhof moest hij overstappen.

Daar liep hij, door het enorme gebouw, kreupel met zijn stok, op zoek naar het juiste perron. Hij sprak alleen maar Pools, niemand kon hem helpen. Dat hoefde ook niet, hij vond zelf de juiste trein.

*

In Hannover stapte hij uit. Meneer P. wilde niet in Duitsland zijn. Hij wist dat ze daar geen fatsoenlijke pensioenvoorziening hadden, wat dat betreft was de situatie net zo beroerd als in Polen.

Zijn geld was op, en toch zat hij de volgende dag met een geldig plaatsbewijs in de trein naar Amsterdam. Misschien bedelde hij in Hannover, hij bracht er ook ergens de nacht door.

In de middag van woensdag 8 juli kwam hij aan op station Amsterdam-Zuid. Hij viel niet heel erg op in de massa. Hij was een man met een stok die overal vandaan had kunnen komen.

*

Wie in Nederland iets wil op het gebied van pensioenen moet bij de Sociale Verzekeringsbank zijn. Het hoofdkantoor van die instelling bevindt zich in Amstelveen, niet ver van station Zuid.

Misschien reisde meneer P. daarom naar station Zuid, en niet naar Amsterdam Centraal. Misschien had hij dit vooraf allemaal uitgezocht. Van station Zuid naar het hoofdkantoor was het maar een kort stukje met de tram.

Als hij die tram nam ging hij voor niets. Het hoofdkantoor aan de Van Heuven Goedhartlaan heeft geen bezoekersbalie. De Sociale Verzekeringsbank heeft nergens nog bezoekersbalies, alles gaat tegenwoordig digitaal.

Meneer P. was niet digitaal, hij had niet eens een mobiele telefoon, op internet was hij compleet onzichtbaar. Hij beschikte niet over een adres en al helemaal niet over een burgerservicenummer.

*

Op donderdag 9 juli dook meneer P. op aan het Hoofddorpplein. Hij zou er, na Amstelveen te hebben aangedaan, met zijn stok en in zijn oude kloffie naartoe gestrompeld kunnen zijn.

De eigenaar van een lunchroom aan het Hoofddorpplein zag hem eerst uitgeput op een bankje voor de toko liggen. Toen hij daar weg moest van de winkelier nam meneer P. op de rotonde plaats in het gras.

Op die rotonde bracht hij de nacht door, de volgende ochtend werd hij verwijderd door twee agenten. Ze waren streng, want in de Hoofddorppleinbuurt had men al genoeg te stellen met haveloze types.

Iets verderop, aan de Poeldijkstraat, bevindt zich een opvangcomplex voor mensen mensen met psychosociale problemen. Onder hen veel drugsgebruikers, die soms problemen veroorzaken op straat.

Misschien dacht meneer P. dat er in het opvangcomplex aan de Poeldijkstraat plaats voor hem was. Iemand zou het hem hebben kunnen wijsgemaakt.

Dat was natuurlijk niet zo, je moest dan eerst aan allerlei voorwaarden voldoen. Meneer P. hield van een slok, hij was geen drugsgebruiker. Het kan ook toeval zijn dat hij uitgerekend in de onbarmhartige Hoofddorppleinbuurt neerstreek.

*

Aan het begin van de Aalsmeerweg – ter hoogte van huisnummer 8, pal aan het fietspad en de rijweg – stond een rode container waar bouwafval ingestort kon worden. Tegen de container had iemand een oud matras neergezet.

De eigenaar van de lunchroom aan het Hoofddorpplein zag meneer P. op vrijdag 10 juli met z’n stok van de rotonde naar de container strompelen. Hij legde de matras op de grond en ging er op liggen.

Het was die dag erg warm, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu liet het Nationaal Hitteplan in werking treden. Meneer P. lag de hele dag in de volle zon op de matras, in zijn zwarte jas met capuchon.

Ontelbaar veel fietsers kwamen voorbij, ontelbaar veel automobilisten. Driemaal in het uur stopte bus 62 richting Lelylaan om reizigers in en uit te laten. De afstand tussen halte en matras bedroeg enkele meters.

Iedereen kon meneer P. zien liggen.

*

Een buurvrouw, die aan de overkant op de eerste verdieping woont, stelde de volgende ochtend vanuit haar woonkamer met uitzicht op de bushalte vast dat meneer P. nog steeds naast de rode container lag.

Eenmaal zag de buurvrouw hem overeind komen, heel even was hij in het bushokje gaan zitten. Dat beviel kennelijk niet, hij keerde terug naar de matras.

Het werd nog warmer die dag. Meneer P. at niets, wel nam hij water aan van een jongeman die uit een verderop gelegen pizzeria kwam. De buurvrouw was bezorgd maar durfde niet op hem af te stappen.

Ze dacht dat hij misschien gewelddadig was, vertelt ze als ik haar spreek. Twee jaar eerder had een verwarde man, die soms ook op straat sliep, op het Hoofddorpplein zomaar iemand doodgestoken met een vleesmes.

*

Op zondag lag meneer P. er nog steeds. Soms wentelde hij zich even op z’n zij, meestal lag hij op z’n rug. Het werd die dag nog warmer, op de Aalsmeerweg liep de gevoelstemperatuur op tot bijna veertig graden.

Vanuit haar huiskamer maakte de buurvrouw enkele foto’s van de man op de matras. Ze vond het gek dat hij niet naar de wc ging.

Eigenlijk was dat niet zo gek, meneer P. had geen cent op zak, al dagenlang had hij geen hap gegeten. Dat braden in de zon had hem volledig uitgedroogd. Hij was totaal verzwakt, opstaan lukte op zondag niet meer.

*

Maandag 13 juli was het tropisch heet. De buurvrouw, gepensioneerd kledingverkoopster, besloot dat er iets moest gebeuren. De man lag er nog steeds, hij bewoog niet eens.

Ze belde met de politie. De politie had het druk, pas in de loop van de dag konden ze komen kijken. Om twee uur ’s middags kwamen ze aan bij de rode container.

De agenten begonnen aan meneer P. te schudden. Ze probeerden hem duidelijk maken dat hij te dicht bij het fietspad lag. Als hij z’n benen te ver uitstrekte kon een onoplettende fietser ten val komen.

Meneer P. moest van de matras af, dat ding hoorde niet op straat. De agenten propten de matras in de rode container. Ze gaven meneer P. wat water en vertrokken weer.

Meneer P. ging op de stoeptegels liggen, naast z’n stok. De buurvrouw en de eigenaar van de lunchroom dachten dat de agenten een mobiel team van een welzijnsorganisatie zouden inschakelen.

Dat was niet zo, om zes uur lag de man er nog. De eigenaar van de lunchroom belde om een ambulance. Die kwam omstreeks half zeven bij de rode container aan.

Meneer P. was er slecht aan toe, hij mocht meteen op de brancard. In ziekenhuis OLVG West kreeg hij intraveneus vocht en voedsel toegediend. De eerste dagen was hij niet aanspreekbaar.

*

Een medisch maatschappelijk werker probeerde op vrijdag 17 juli met hulp van een tolk een gesprekje te voeren. Meneer P. was in de war, hij begreep aanvankelijk niet waar hij was.

Tijdens een volgend onderhoud begon meneer P. over het Nederlandse pensioenstelsel. Als Pools ingezetene van de Europese Unie meende hij ook recht te hebben op AOW.

Met zo’n oudedagsvoorziening kon hij een woning vinden, in Szczecin was hem dat in tien jaar niet gelukt. Hij was afgemat, moest hij de rest van z’n leven in de bosjes slijten?

De tolk legde uit dat hij een baan moest hebben, of over voldoende spaargeld beschikken, om langer dan drie maanden in Nederland te mogen blijven. Meneer P. was volkomen kansloos, zijn pelgrimage was een flop.

Het nieuws kwam hard aan, meneer P. wilde uit het ziekenhuisbed stappen om naar een ander land te gaan, desnoods terug naar Polen. Dat ging niet, hij was veel te zwak.

Uit onderzoek was gebleken dat hij huid- en prostaatkanker had, in zo’n vergevorderd stadium dat hij medisch uitbehandeld was. Daarom was hij dus de hele tijd zo moe.

De vijf lange hete dagen op straat waren hem fataal geworden. Het was onverantwoord dat hij met de zweren van de huidkanker zolang in de brandende zon had gelegen. Zijn toch al aangetaste gestel kon die laatste klap niet aan.

*

In OLVG West kon niets meer voor hem worden gedaan, met de ambulance werd meneer P. overgebracht naar de palliatieve afdeling van een woonzorglocatie in Amsterdam Noord.

Niemand daar sprak Pools. Meneer P. sliep onrustig, ze gaven hem morfine. Op vrijdag 7 augustus overleed hij, de verpleegster ontdekte het toen ze zijn kamer betrad om een van de zweren op z’n lichaam te verzorgen.

Met hulp van de Poolse ambassade vond Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam de verre familieleden. Ze vonden het vreemd dat meneer P. in Nederland was opgedoken. Ze hadden geen geld om het lichaam te repatriëren en wilden verder niet betrokken zijn.

*

Op begraafplaats Sint Barbara laat ik op donderdag 27 augustus muziek van de Poolse componisten Szymanowski en Chopin voor hem spelen. Met dichter Twan Vet loop ik achter de dragers aan naar het algemene graf.

Onder de kist met meneer P. ligt al iemand, boven hem komt binnenkort een onbekende aan. Meneer P. is een gelijke hier. Eindelijk heeft hij huisvesting gevonden.

Joris van Casteren.

11 gedachten over “Eenzame uitvaart #315, verslag”

  1. Het zijn overwegend treurige verhalen, die van de Eenzame Uitvaart . Maar zo treurig als deze heb ik ze zelden gelezen . Een sprankje humor valt dan ook in het gehele verhaal niet te bespeuren. In wat voor wereld zijn we beland ? Niemand die er nog van op kijkt , een bewegingsloze man met zijn voeten bijna op het fietspad … “gaat het meneer?”heeft blijkbaar ook niemand bedacht te vragen. We zijn er blijkbaar aan gewend geraakt, de politie ook !

  2. Inderdaad heb ik zelden zoiets treurigs gelezen. Wat laten we mensen toch makkelijk aan hun lot over.
    Misschien dat iedereen een beetje bevangen was door de hitte en daardoor weinig actiebereid.
    Tegelijkertijd ging tijdens het lezen door me heen: Wat zou ik hebben gedaan?

  3. Och -wat triest toch weer dit verhaal van mijnheer P. – een enkele reis Amsterdam – om te sterven
    Compliment voor het afscheid en eerbetoon dat jullie ook hem gaven -maar wat treurig dat ‘we’ er massaal aan voorbij lopen en de menselijkheid vaak pas komt vlak voor of na de dood -🙏

  4. Mensonterend triest. Wat mij raakt is dat hij de hoop niet opgaf en met zijn laatste krachten richting een beter leven reisde. Om vervolgens als ‘oud vuil’ naast een container te belanden en daar vijf dagen lang weg te teren zonder uitgestoken handen en barmhartige blikken. Ik schaam mij voor mijn medemens op zo’n moment. En daarmee bedoel ik ook mijzelf, want geen idee of ik het anders had gedaan. Rust zacht, lieve meneer P.

  5. Ja, triest, maar wat gaan we er aan doen om dit soort schrijnende gevallen in de toekomst te voorkomen? De bureaucratische overheid en de vrije markt zijn niet in staat om hier oplossingen te bieden. En deze Poolse man is niet de enige die in het afvoerputje terecht komt. Een structureel probleem dus.

    Ik wil pleiten voor een universeel basisinkomen als mensenrecht en het ontwikkelen van autonome gemeenschappen waar mensen elkaar ondersteunen vanuit empathische betrokkenheid. Gastvrijheid en onderling vertrouwen worden dan (weer) normaal.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *