EENZAME UITVAART NUMMER 19
I.M. mw A.W. van der M., 24 maart 1921 – 9 januari 2004, Amsterdam
Woensdag 28 januari 2004, 10:30 uur, Nieuwe Oosterbegraafplaats
Dichter van dienst: F. Starik
Door een natte sneeuwbui, over glibberige wegen, nader ik de Nieuwe Ooster. Ik heb mijn zoon naar school gebracht, de paraplu opgestoken, ik dacht: gewoon onderweg blijven. Onderweg houd ik dan tijd over om te schuilen. Ik kies ruim halverwege, op de Middenweg, zo’n moderne Coffeecompany, waar je uit achtenzestig koffie’s er een moet kiezen, die met veel vertoon dient gemalen, alvorens geduldig door een espressoapparaat te lekken. Ik heb de tijd voor een tweede kopje van een ander soort. Nog zesenzestig te gaan.
Even lijkt het erop dat er niemand anders komt. Ik zie Ger Fritz niet. Hij klonk bij de aankondiging van deze uitvaart al zo verkouden, dat ik bezorgd informeerde of hij wellicht een griepje onder de leden had. Hij eufemiseerde toen ‘een beetje, een beetje verkouden misschien’. Onrustig drentel ik in mijn laatste kwartier de wachtkamer in en uit. Op de Nieuwe Ooster staat de kist in een cirkelvormige ruimte opgesteld, waarbij de dragers buiten staan en als de ronde deuren opengaan, pas zichtbaar worden. Zorgelijk zie ik de uitvaartleider aan, een man met een sterk vooruitstekend gebit, die normaal op kantoor zit, en af en toe ‘een uitvaartje’ meepikt, om het handwerk niet te verleren. De man spreekt consequent in verkleinwoordjes. Als er niemand komt, zullen wij samen afscheid nemen van mevrouw Van der M. Kunnen we de dragers niet bij ons binnen zetten, dat is minder eenzaam, geef ik hem ter overweging. Dat is goed. Hij ziet er zelf misschien ook een beetje tegenop met de dichter te worden opgesloten.
Fritz blijkt inderdaad door griep geveld. Pieter Verbeek arriveert precies om half elf in gezelschap van Jane, een oogverblindende medewerkster van de Dienst. Hij zegt: ik wist van niks en nu weet ik nog niets; Fritz meldde zich ziek en daar gingen we. Ik weet niet eens of we een man of een vrouw gaan wegbrengen. Ik deel mijn kennis over de overledene mee, in dezelfde ambtelijke bewoordingen als ze tot mij zijn geraakt: op vrijdagavond 16 januari om 23.46 uur betrad de politie op aanwijzing van een buurman de woning aan de Nieuwe Keizersgracht van mevrouw Van der M., geboren 24 maart 1921. Het was een buurman opgevallen dat de post in de brievenbus zich opstapelde. Bovendien was het erg stil geweest in de woning. De politie trof haar stoffelijk overschot in de hal van haar huis. De lijkschouwer constateerde dat de dood ruim een week eerder moet zijn ingetreden. Geen sporen van geweld of braak; de doodsoorzaak moet een natuurlijke zijn. Mevrouw Van der M. leefde teruggetrokken. Vier jaar geleden is de politie al eens aan de deur geweest, maar ze wenste geen bijstand of bemoeienis van derden. Ze was niet verzekerd, ze bezat geen papieren van haar familie. Haar huwelijk werd in 1976 ontbonden. Uit de verbintenis kwam een zoon voort, die in 1941 in Duitsland werd geboren, en sinds 1985 weer in Duitsland woonachtig schijnt te zijn. Daar loopt het spoor dood. De politie sloot de woning weer af met de binnen aangetroffen sleutels en liet de bevoegde instanties gas, water en licht afsluiten.
Het orgel zet in. De Nieuwe Ooster houdt van levende orgelmuziek. We gaan rond de kist zitten, Verbeek, Jane en ik op de eerste rij, de dragers achter ons.
*
Voor wie jong is, is de wereld een oneindigheid.
Later het besef van toegemeten tijd. Eerst wordt alles
groter, meer en mogelijkheid. Daarna krimpen
de keuzen tot wat je naliet, ben je kwijt.
Je trouwt, kiest één enkele man uit miljarden
mannen, en sluit zoveel levens daarmee uit:
mogelijkheden, kansen, plannen. Je kiest
en daarmee verlies je. Je verliest
en blijft verliezen tot er over is: belangstelling
van de professionele soort. Een agent van de politie,
wijkzuster, kassajuffrouw. En de televisie. Lachend, kletsend,
maar ze lachen niet naar jou. Ze doen maar hoe het hoort.
Wie zo alleen is, leert wel met zichzelf te overleggen,
dunne plakjes van halve onsjes vlees op ingevroren
boterhammen leggen. Voor wie klaar is met verliezen,
valt er niets te kiezen. Niets te zeggen.
Alles verandert, en dan komt het einde,
je ligt in de gang van je eigen huis: nu ben je
nergens meer, nergens meer thuis. De agent van de politie.
De wijkzuster, de kassajuffrouw, en de televisie.
Ze luisteren toch niet. Niet echt.
Als jij iets zei, was het alsof je niets had gezegd.
Dan komt het moment dat je bent uitgekeken. Je zet alles uit.
Zet alles uit. Eerst valt het beeld weg, dan sterft het geluid.
Halverwege het gedicht besluit de organist maar vast zijn tweede nummer in te zetten. Een enkele toon weerklinkt en dan zwijgt het orgel weer. De man zit elders en kan niet zien of horen wat er in de kleine aula gebeurt; hij moet wachten op de schakelaar van de uitvaartleider en meende zeker, dat die hem vergeten was. Eenzame uitvaart, was hem doorgegeven. Opschieten. Doorwerken. Voorafgaand aan de uitvaart heb ik aan mijn bureau een kleine uitvinding gedaan: ik heb het gedicht van tevoren in een envelop gestoken, en neem het pas bij lezing uit het couvert, vouw het papier glad en vang dan pas te lezen aan. Om na de lezing hetzelfde proces in omgekeerde volgorde nog eens te voltrekken. Ik steek het gedicht weer in de envelop terug, lik de plakrand, om dit laatst bericht vervolgens op de kist te leggen. Het gedicht is nu van u, mevrouw. Zo rek ik het stiltemoment na het uitspreken van zijn laatste zin; eerst valt het beeld weg, dan sterft het geluid…
Nu gaat de schakelaar wel om en zet het orgel opnieuw in. Langzaam gaan de deuren open en zien we dat de baar nog nat is van gesmolten sneeuw, en zien we, dat het harder is gaan sneeuwen, en ook natter, een aarzeling tussen vlok en spetter. Daar gaan we, in een stevig wandeltempo naar de laatste rustplaats van mevrouw Van der M. Een harde wind. De kist wordt op het graf gezet, we naderen, de kist daalt zonder verdere plichtplegingen in het graf. We hebben geen vertrouwen in de aarde, geen moment van stilte of bezinning, de uitvaartleider zegt: dit is het einde van dit plechtigheidje. Snel maar weer naar binnen. Er is zowaar een plakje cake bij het kopje koffie. Ik lust geen cake. En vooral geen cake die op een begraafplaats werd bewaard. Gemaakt van mensendeeg, als de ouwel in een kerk. De uitvaartleider kauwt drie stukken weg. Het geeft hem de gelegenheid plakje te zeggen en nog een kopje? Dankje, zeg ik, om ook eens een verkleinwoord te gebruiken. Wij verwonderen ons over mevrouw Van der M. Een Nederlandse die in 1941 in Duitsland een zoon baart, die heeft wat uit te leggen. Zij zal bij terugkomst weinig complimenten krijgen. Als ze terugkomt.