Eenzame uitvaart #89, Amsterdam

Eenzame uitvaart nummer 89
I.M. A.R. B.
* 29 januari 1945, Budel, † 30 januari 2008, Amsterdam
Begraafplaats Vredenhof, maandag 11 februari 2008, 9.30 uur
Dichter van Dienst: Catharina Blaauwendraad

‘Woensdagmiddag word ik gebeld door Starik. Of ik een eenzame uitvaart kan doen op maandag 11 februari. De eenzame dode in kwestie is ‘bevonden’, zoals dat heet, in een woning aan de Van Swindenstraat te Amsterdam. Dat is hier in de buurt, vandaar dat Starik aan mij dacht. ‘Nieuwe Ooster?’ informeer ik. ‘Nee, Vredenhof’, antwoordt Starik. Dat wordt zoeken. Eerst maar even mijn agenda raadplegen. Er moet alleen even een afspraak met de tandarts verzet worden. Geen probleem.

De melding is afkomstig van Ali Mahmut die, zoals gewoonlijk, niet erg scheutig is geweest met bijzonderheden: De heer B. is altijd ongehuwd gebleven. Er zijn nog broers en zusters, vier in getal. Ze zijn aangeschreven door de Dienst maar tot dusverre heeft er niemand gereageerd. De uitvaart zal worden voltrokken in afwezigheid van de heer Starik, die tijdelijk elders verblijft, namelijk in de zon op een eiland. Hij is voornemens vrijdagochtend te vertrekken. Dus of ik ook het verslag wil schrijven. Geen probleem.

Later die middag, op weg naar de bibliotheek, kom ik door de Van Swindenstraat. Besluit bij gebrek aan andere aanknopingspunten de woning te bekijken. Maar het bewuste nummer is nergens te vinden. Andere kant van het viaduct dan? Nee, daar heet het Javastraat. Er moet ergens een 2e Van Swindenstraat zijn, waarschijnlijk parallel aan de eerste. Maar dat zoek ik later wel uit.

Bij thuiskomst uit de bibliotheek vind ik een mailtje van Starik – het blijkt inderdaad de 2e Van Swinden te zijn. Het heeft tijd, denk ik – eerst de muziek. Ik mail nog even terug naar Starik, of hij daar ondanks zijn afwezigheid nog zeggenschap over wil. Ik herinner me dat hij bij mijn eerste uitvaart zijn veto heeft uitgesproken over Maddy Prior, vanwege de hoorbare aanwezigheid van een twaalfsnarige gitaar. Starik mailt terug: ‘Het gaat er niet om of ik er naar luister. Het gaat er om dat de muziek de dode beter wegbrengt, als er muziek is waarvan je denkt ja, dat klopt wel, hoort bij m’n gedicht, dat past, whatever…’

Ik trek een stapel kandidaten uit mijn cd-kast, al wetende dat op de ochtend van de uitvaart mijn halve huis vol zal liggen met losse cd’s en lege hoesjes, want ik sta voorlopig even op standje chaos. De onrust groeit. Om 23.30 besluit ik, de 2e Van Swindenstraat te gaan zoeken. Na enige omzwervingen (ik heb het oriëntatievermogen van een kleiduif) vind ik inderdaad het bewuste nummer aan de 2e van Swindenstraat. Het betreft een hoekhuis aan het spoor. Aan de andere kant van het spoorwegtalud woon ik.

Ik blijf een tijdje door de glazen pui naar het nieuwbouwportaal staan kijken (nou ja, nieuw: later zal een bezoek aan de online beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam me leren dat de huizen begin jaren tachtig gebouwd zijn). Het naambordje van de dode is verwijderd. Met enig geweld losgewrikt waarschijnlijk; de geelbruin verdroogde kitresten zitten in een keurig rechthoekje naast de bel. Tegenover de toegangsdeur is de straat nog redelijk in oude stijl; de woning kijkt uit op rossige bakstenen woningen, helaas wel met van die afschuwelijke kunststof kozijnen.

Bij thuiskomst wordt mijn vermoeden bevestigd: door het balkonraam van mijn woonkamer kan ik het hoekhuis zien liggen. Het is een raar idee dat er in al die anonieme huizen aan de overkant mensen leven. Het idee, dat er mensen doodgaan, is zo mogelijk nog vreemder.

Mijn eerste aanvechting is vervolgens, om ‘Por la tu puerta yo pasí’ (ik kwam langs jouw deur) in een uitvoering van Lena Rothstein uit de kast te trekken. Maar dan bedenk ik, dat deze muziek wat minder toegankelijk is voor eventuele nabestaanden. Want ik koester ergens nog stille hoop op de komst van, ach, één van de vier misschien?

De keus valt uiteindelijk op Patti Smith: Paths That Cross (4’17’) van de cd Land (1975 – 2002). Dat lijkt me een rustige maar dwingende binnenkomer. Daarna wil ik, als rustpunt in het midden, iets dat hoog en zuiver klinkt. Van de verzamel-cd Roberta Alexander… a retrospective kies ik een compostite van Aaron Copland met de tekst van een gedicht van Emily Dickinson: Heart, we will forget him / You and I, tonight. / You may forget the warmth he gave, / I will forget the light. / When you have done, pray tell me, / That I my thoughts may dim; / Haste! lest while you’re lagging, / I may remember him! (1’51’). Als afsluiting kies ik een niet al te plechtstatige maar mooi sonore, trage dans genaamd Oude Passepie (4’01’) van de cd Twee eeuwen Hollandse dansmuziek, uitgevoerd door strijktrio Twee Violen en een Bas. Dit laatste nummer, dat geen tekst heeft om me af te leiden, zet ik als een geluidsmuur om me heen. En dan maar schrijven.

Op vrijdagochtend laat mijn dochter van zestien me plompverloren weten dat zij het weekeinde met drie jongens gaat kamperen, waar weet ze nog niet, het Amsterdamse bos of de Utrechtse Heuvelrug. O Heer die daar des hemels tenten spreidt – wat een onzalig idee. Ik voorzie rampen die mij het schrijven van een uitvaartgedicht zullen gaan beletten. Besluit daarom dat het gedicht uiterlijk vrijdagavond af moet. Zondag is mijn vriend weer terug van een buitenlandse reis; dan kan hij als calamiteitendienst functioneren, maar ik wil het gedicht niet op het laatste moment laten aankomen. Bovendien zullen mijn gedachten vanaf vrijdagavond dermate vaak gaan afdwalen richting Amsterdamse Bos of Utrechtste Heuvelrug, dat er van concentratie geen sprake meer kan zijn.

Gelukkig is het gedicht op vrijdagavond in principe af, zaterdag controleer ik mijn garderobe, kijk of er nog kleding gewassen, gedroogd, uitgeborsteld of aangeschaft moet worden. Alles in orde, zelfs een paar reservekousen (altijd prettig om op zak te hebben, al is de kans dat ik in gevecht raak met een slechtbespijkerde Thonetstoel klein).

Op zondagmiddag ga ik naar de vespers en steek bij mijn vaste bankje (tegenover de muur met het opschrift HEILIGE MARTELAREN VAN GORCUM BIDT VOOR ONS EN VOOR DE ONKATHOLIEKEN VAN NEDERLAND) een kaarsje op voor de dienst van morgen. Die avond moet mijn geliefde me het itinerarium verschaffen – een ondankbare taak, want er is in dit soort gevallen altijd sprake van enige hysterie mijnerzijds. ‘Ik ga niet overstappen!’ roep ik, want ik wil de zaken graag overzichtelijk houden. Hij vraagt me droogjes wat ik dan wil doen; de bestuurder van lijn 7 een pistool tegen zijn hoofd houden en ‘naar de Van Hallstraat of ik schiet!’ roepen?

Het valt in de praktijk ook allemaal reuze mee; ik ben ruim op tijd en heb na enig zoeken zelfs de entreedeur gevonden. Er wordt maar half opengedaan. ‘Ik kom voor de Eenzame Uitvaart van half tien’, zeg ik. Er wordt gefronst. ‘Starik is er vandaag niet bij,’ zeg ik, ter verduidelijking. De man houdt de deur nog steeds op een kier van dertig centimeter. ‘Bent u dichter?’ vraagt hij. ‘Ja,’ straal ik, opgelucht dat dit kennelijk het wachtwoord is.

Ik vraag met wie ik het draaiboek moet regelen. ‘Met mij’, zegt de fronsende poortwachter die zich alras ontpopt tot een jofele jongen die Dennis blijkt te heten. Hij neemt de cd’s in ontvangst met mijn wensen: eerste nummer, introductie, tweede nummer, gedicht, derde nummer, aula verlaten.

Even later arriveert een gesoigneerde heer van Uitvaartcentrum Zuid die zich voorstelt als Nico van Bruinessen. Hij weet niet of Ali Mahmut erbij zal zijn. We drinken koffie. Dennis vertelt anekdotes over mensen die op kosten van de Dienst begraven zijn terwijl de nabestaanden bleken te bulken van het geld (er worden reeksen automerken genoemd die mij weinig zeggen). De heer Van Bruinessen daarentegen vertelt over schrijnende gevallen waar oude mensjes hun laatste spaarcenten opofferden om de schande te voorkomen dat hun dierbare ‘van de armen’ begraven zou worden.

Ondertussen is ook de heer Mahmut gearriveerd. Hij vertelt dat er van de nabestaanden nog één zuster en twee broers in leven waren – de zuster heeft aan de telefoon laten weten er verder niet bij betrokken te willen zijn. Ik verdeel alvast het gedicht onder de aanwezigen. Bij het uitdraaien had ik ontdekt dat er slechts één dag verschil tussen geboorte- en sterfdag was; de man is kennelijk de dag na zijn verjaardag overleden. Een wrang idee. Alsof hij tot zijn dood nog met onaangesneden taart heeft zitten wachten. Van Bruinessen corrigeert me: de man heeft naar schatting een maand lang dood in zijn woning gelegen. De sterfdatum is in dit geval niet de datum van overlijden, maar de dag waarop hij bevonden werd. Na een inventarisatie van geopende en ongeopende post en data op melkpakken en dergelijke, kan men meestal wel vaststellen hoe lang iemand al overleden is. Ali knikt instemmend. Hij was op de hoogte. ‘Waarom heb je dit allemaal niet eerder verteld?’ vraag ik. Het gedicht had een stuk persoonlijker kunnen zijn en nu moet ik het aan een nieuwbouwpui ophangen. ‘Het gaat niet om de inhoud van het gedicht,’ antwoordt Ali ernstig, ‘het gaat er om dat er iemand aanwezig is en afscheid neemt.’

Het is tijd. We scheuren ons los van de bijna al te gemoedelijke sfeer in de koffiekamer. Patti’s getergde stem roept ons toe: Speak to me heart / all things renew / hearts will mend / round the bend / Paths that cross / cross again / Paths that cross / will cross again. De nabestaanden blijven afwezig. De paden kruisen zich niet meer.

In de stilte die volgt, wacht ik op een introductief woord van de uitvaartbegeleider en realiseer me, kwaad op mezelf, dat ik dit niet met Dennis maar met Van Bruinessen had moeten regelen. Dit overkomt me geen tweede keer, denk ik met kramp in mijn tenen, wanneer de prachtige sopraanstem van Roberta Alexander als een cultuurschokgolf achter Patti Smith aan wordt gejaagd. Wanneer ik vervolgens opsta om het gedicht voor te dragen, merk ik dat mijn rok een kwartslag gedraaid zit en dat het onmogelijk is om deze nog onopvallend terug te draaien. Na wat indiscreet gesjor haal ik diep adem, probeer me te concentreren op datgene waar het om gaat, neem plaats achter de katheder en lees:

OVERKANT

ik zocht u in de tussen nieuw- en oud-
bouw zoekgeraakte nummering, een deur
die vroeger voor u openging

uw brievenbus ontdaan van naam en koud
uw trapportaal waar geur na geur na geur
onzichtbaar boven treden hing

gespiegeld in uw glazen straatdeur stond
een gevel die, markant intact gebleven,
de oude geest gaf van de straat

toch goed dat men van u een lichaam vond
en dat er van uw afgebroken leven
nog even een bewijs bestaat.

Dan loop ik terug naar mijn stoel en blijf staan terwijl de Oude Passepie wordt ingezet. We lopen achter de kist aan naar buiten, de muziek speelt nog volop, alsof we de strijkers in de aula achterlaten. Dennis en Nico van Bruinessen gaan voorop, daarna de dragers met de kist, daarna Ali Mahmut en ik. Het weer is schitterend – het haar van meneer Nico straalt als zilver. Het vers gedolven graf is niet ver. Er liggen een half dozijn minder verse bloemstukken naast van een eerdere, belendende uitvaart. Het vormt een decor van bovengronds bederf dat me extra bitter stemt.

Ik steek mijn gedicht, tweemaal dubbelgevouwen, schuin onder de knop aan het voeteneinde van de kist. Plotseling doet Ali Mahmut een stap naar voren en schuift het papier recht naar het midden, zodat een perfect symmetrische aanblik ontstaat. Dan laat Dennis laat de kist geroutineerd en zonder haperen zakken.

We nemen enige ogenblikken stilte in acht. Dan draait Ali zich om naar de zandhoop achter hem, steekt met een resolute beweging het schepje in de berg en werpt de aarde met een definitieve plof op de kist. Nico van Bruinessen en ik volgen zijn voorbeeld met minder resolute, maar even definitieve bewegingen. Nico bedankt ons voor onze aanwezigheid. Ik was blij dat Ali erbij kon zijn en dat zeg ik hem ook.

De sfeer in de koffiekamer is nog steeds gezellig. Alleen Ali blijft een sobere ernst uitstralen. Hij vond het gedicht mooi, zegt hij. Maar daar gaat het niet om. Het gaat er om dat er iemand bij is die afscheid neemt.’

© voor gedicht en verslag: Catharina Blaauwendraad