Eenzame uitvaart #276, verslag

Vrijdag 11 november 2022, 10.00 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam
Dichter van dienst: Rob Schouten
Auteur verslag: Joris van Casteren

Opwaartse kracht

Bij de visboer eet ik een nieuwe haring als Rosenberger van Team Uitvaarten belt. ‘Ik heb er weer eentje voor je.’ Het betreft een onbekende mannelijke drenkeling, zondagochtend 2 oktober is hij aan het Damrak ter hoogte van de Oudebrugsteeg uit het water gevist.

In de voorbije weken heeft de politie geprobeerd te achterhalen wie het is. Dna is afgenomen en zonder resultaat door diverse databanken gehaald. De man, donkergetint, kalend en van middelbare leeftijd, had niets op zak, nog geen bosje sleutels.

Rosenberger hoorde van de recherche dat hij een shirt droeg van de Rode Duivels. Een week voor de vondst van het lichaam speelde het Nederlands elftal in de Johan Cruijf-Arena tegen België. Amsterdamse agenten deden navraag bij Vlaamse en Waalse supportersverenigingen, geen van hen mist een fan.

Omdat nadere aanknopingspunten ontbreken is het onderzoek opgeschort. De officier van justitie heeft het lichaam vrijgegeven, het kan niet onbeperkt in de koelcel van het forensisch mortuarium in het VU-ziekenhuis aan de Zuidas blijven liggen.

Rosenberger vraagt of donderdag 27 oktober mij schikt, op Sint Barbara is plaats die dag. Dat kan, ik noteer de datum. De visboer vraagt of ik nog een haring wil, ik dank beleefd en reken af.

*

Twee dagen later, zondagochtend kwart over acht, exact drie weken na de vondst, ben ik aan het Damrak. Het is nog tamelijk rustig op straat, een groep afgematte feestvierders strompelt zwijgend richting het station.

In het rimpelloze water bij de de Oudebrugsteeg liggen de rondvaartboten van rederij Plas. Bij het loket op de aanlegsteiger vraagt een matineuze toerist wanneer de eerste afvaart is.

Als de toerist is vertrokken informeer ik bij de lokettist naar de drenkeling. De lokettist heeft ervan gehoord maar was die dag niet aanwezig. Een meerdere komt erbij, Chris Hootsmans is z’n naam.

Hootsmans was in het kantoortje met de administratie bezig toen de schipper van de achterste rondvaartboot op de deur klopte en binnentrad. ‘Ik denk dat je de politie moet bellen, er ligt een lijk in het water.’ Hij was in het geheel niet overstuur, volgens Hootsmans maken zijn mannen wel vaker ‘van dit soort dingen’ mee.

De schipper, vertelt Hootsmans, was met een spons en een emmertje met sop de boot aan het reinigen toen hij naast zich iets zag drijven. Eerst dacht hij dat het een vuilniszak was; het schemerde nog enigszins en de Beurs van Berlage werpt een lange schaduw over de Oudebrugsteeg.

Hootsmans begaf zich naar de achterste boot en stelde vast dat de schipper, die thans in Mallorca op vakantie is, geen spoken zag. Het was een mens, zo te zien nog redelijk intact.

Het leek alsof de drenkeling voorover gebogen op een onzichtbare stoel zat. Achterhoofd en schouders aan de oppervlakte, gelaat en de rest van het lijf verborgen in het troebele grachtenwater. Hootsmans belde de politie en maakte voor de zekerheid een foto die hij mij laat zien.

We lopen naar de achterste boot, hij wijst aan waar de man zich ongeveer bevond. Voor de politie arriveerde begon Hootsmans aan z’n eigen onderzoek. Niet ver van de man vandaan zag hij een fiets in het water liggen.

‘En omdat zich hier op dit stukje kade geen reling bevindt,’ legt Hootsmans druk gebarend uit, ‘dacht ik dat hij zo, misschien in een of andere bezopen bui of bewust door iemand afgesneden, de plomp was ingefietst.’

Z’n theorie hield geen stand. De agent die het lint spande legde uit dat het lichaam was gaan zweven. Omdat het soortelijk gewicht van een lichaam iets groter is dan het soortelijk gewicht van water, zakt een dood lichaam in eerste instantie naar de bodem.

Op de bodem begint het ontbindingsproces, dat zich in zoet water vlotter voltrekt dan in zout water. Bij een relatief hoge watertemperatuur, zoals in een Amsterdamse gracht tijdens een warme nazomer, verloopt het ontbindingsproces zeer vlug.

Al na enkele dagen ontstaat, al dan niet met hulp van diervraat – vooral krabbetjes en paling zijn dol op mens – gasvorming in de maag en in de longen. De gasvorming veroorzaakt een opwaartse kracht, het lichaam stijgt van de bodem op.

Nooit zodanig dat het horizontaal, als ware het een surfplank, aan de oppervlakte komt te liggen. Want de zwaartekracht blijft trekken, vandaar de merkwaardige, diagonale houding van de man.

*

Een politievrachtwagentje met kraan arriveerde, een zogenaamde calamiteitencontainer werd geplaatst, een forensische tent opgezet. Duikers gingen het water in. Ze plaatsten een drijvende brancard onder het lichaam, dat tamelijk fors bleek te zijn, duwden het naar de kant waarna de kraan het druipende geheel uit het water takelde.

Hootsmans denkt inmiddels niet meer dat de fiets een rol heeft gespeeld. ‘Die lag er waarschijnlijk toevallig, de onverlaat die dat ding erin smijt heeft geen idee wat een hoop verwarring hij sticht.’ De Oudebrugsteeg, weet Hootsmans, is een onguur stukje Amsterdam, vroeger was het hier een soort openlucht apotheek, in de volksmond ‘de pillenbrug’ genoemd.

Omdat de gulp van de spijkerbroek die de man droeg was gesloten is hij niet al urinerend in de gracht voorover getuimeld, iets waar de recherche bij de vondst van waterlijken rekening mee houdt.

Hoewel er geen sporen van geweld op het lichaam zijn aangetroffen sluit Hootsmans niet uit dat de man vanaf de pillenbrug het Damrak is in gekieperd, al dan niet als gevolg van een ruzietje over de aanschaf van een geestverruimend middel, fantaseert hij, of over de uurprijs van een dame van lichte zeden die hem door een rauwe souteneur zou kunnen zijn aangeboden.

Alles is mogelijk, maar gelet op de stroming van het grachtenwater kan de overledene evengoed een heel eind verderop te water zijn geraakt, en mogelijk ook met minder sensationele aanleiding, omdat hij domweg struikelde en niet kon zwemmen.

*

Op de foto die Hootsmans maakte draagt de man een zwartwit geblokt overhemd, geen Rode Duivels-shirt. Hootsmans begrijpt niet waarom de politie denkt dat de drenkeling een voetbalfan zou zijn geweest. Misschien, opper ik, droeg hij het shirt onder z’n overhemd? ‘Dan ben je volgens mij geen echte fan.’

De volgende dag, het is dan maandag 24 oktober, bel ik de politie om te informeren of het shirt zich inderdaad onder het overhemd heeft bevonden. Enkele dagen voor de vondst van de Damrakman werd in het water bij de Torontobrug ook een lichaam gevonden. Het zou niet mooi zijn als die persoon het Rode Duivels-shirt droeg, er sprake is van miscommunicatie en een toekomstige persoonsverwisseling.

Ik verneem van een woordvoerder dat de man het voetbalshirt inderdaad onder de blouse droeg. Eveneens verneem ik dat vlak voordat ik belde door de teamleider is besloten met nieuwe gegevens naar buiten te treden.

In het politiemortuarium in het VU-ziekenhuis zijn een aantal opvallende kenmerken vastgesteld die mogelijk alsnog tot tips kunnen leiden, zodat de man niet anoniem hoeft te worden begraven. Het is dus goed dat ik bel: de uitvaart wordt tot nader order uitgesteld, ik zet een streep in mijn agenda.

In het opsporingsbericht dat later die week wordt vrijgegeven meldt de politie dat het lichaam van de man is bezaaid met ‘vele tattoes’. Onder meer een ster op zijn rechterborst en ‘een bloemachtig patroon’ op zijn rechterschouder. Aan de binnenzijde van de rechter bovenarm ‘staan de mogelijke letters KIJTS’.

Op de onderarm, eveneens de rechter, waar hij duidelijk een voorkeur voor had, misschien omdat hij linkshandig was en de wat knullige tatoeages zelf aanbracht, troffen de rechercheurs drie clichématige, niet geheel correct gespelde aforismen aan: ‘Txid is what love look like’, ‘Life is what we make of it’ en ‘Love the life you live’.

*

Twee weken later, maandag 7 november, wordt het lichaam voor de tweede maal vrijgegeven. Er zijn geen tips binnengekomen die tot identificatie hebben geleid. In overleg met Team Uitvaarten en Sint Barbara prik ik een nieuwe datum.

Omdat ik weinig tot niets weet van de overledene besluit ik langs te gaan bij Uitvaartcentrum Zuid (UZ) aan de Roeskestraat, dat in opdracht van de gemeente Amsterdam de verzorging en het vervoer van de overledenen regelt, om te zien of meneer daar al binnen is gebracht.

Verzorger Jan Morees, gehuld in operatiekleding, neemt me mee naar de benedenverdieping waar zich de koelcellen en een ruimte met sectietafel bevinden. Hij vertelt dat er de afgelopen week slechts één ‘normale’ plechtigheid is geweest, de rest waren uitvaarten van gemeentewege, waaronder twee eenzame.

Bij UZ doen ze altijd hun uiterste best om iemand netjes op te baren, presenteerbaar te maken, of er nou familie is of niet. Maar de afgelopen jaren komen er steeds vaker lichamen binnen waar niets mee valt aan te vangen omdat ze pas na verloop van tijd zijn gevonden en al flink ontbonden. ‘Deze week heb ik er alweer drie in die categorie.’

Morees weet niet uit zijn hoofd of de drenkeling zich hier in de koeling bevindt of dat hij nog moet worden aangevoerd vanuit het politiemortuarium. In de computer naast de sectietafel scrollt hij door een lange lijst. ‘Ja, hier heb ik ‘m, meneer is reeds binnen.’

Op 20 oktober is hij door een collega in ontvangst genomen. Twee medewerkers van Unigra, een gespecialiseerde transportdienst die in opdracht van de politie lichamen of delen ervan vervoert, arriveerden in een busje, een zogenoemde ‘overbrengauto’. De drenkeling lag in een zak op een brancard.

Morees’ collega heeft de zak geopend, om er zeker van te zijn dat zich geen voorwerpen in of aan de overledene bevonden. ‘Een standaardprocedure,’ zegt Morees. De drenkeling was naakt, zijn kleren waren al uitgetrokken in het politiemortuarium en in bewaring genomen.

De zak werd snel weer dichtgeritst en met hulp van de Unigra-chauffeurs in een eenvoudige kist gelegd. Gewoonlijk zouden ze zo iemand op z’n minst een lijkwade aantrekken, zegt Morees, maar dat was in dit geval niet meer mogelijk.

Morees opent de koelcel – er zijn er drie – waar de drenkeling zich zou moeten beviden, het is er vier graden celsius. Een stuk of tien kisten, het is even zoeken, de drenkeling ligt om de hoek. Aan de kist is met plakband een formulier bevestigd. ‘De heer N.N. Mannelijk lijk,’ staat er op.

*

De volgende ochtend, vrijdag 11 november, zie ik de kist opnieuw. Door vier dragers wordt hij op begraafplaats Sint Barbara uit de rouwwagen getild en op de rolbaar de kapel binnengereden. Er ligt een bloemstuk op.

De man in de kist heeft een naam die we niet kennen, zeg ik. We weten zijn leeftijd niet, noch waar hij vandaan komt, wie zijn familieleden zijn die op dit moment mogelijk ergens ter wereld op hem wachten.

Na Pièce pour l’oeuvre du ‘Vêtement du blessé’, een stuk dat Claude Debussy schreef ter opluistering van een inzamelingsactie voor kleding voor gewonde soldaten, leest Rob Schouten zijn gedicht voor. We lopen naar buiten terwijl Emperor van Joseph Haydn klinkt, een eerbetoon aan Frans II, de laatste keizer van een instortend rijk.

Aan het graf zwijgen we een minuut. De kist komt bovenop te liggen, zoals te doen gebruikelijk met ongeïdentificeerde personen. Als er alsnog familie opduikt en tot crematie of herbegraven wordt besloten, hoeft de grafrust van de overledenen in de andere twee kisten niet te worden verstoord.

Joris van Casteren.