Eenzame uitvaart #257, verslag

maandag 11 januari 2021, 10.00 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam
Dichter van dienst: Charlotte Mutsaers
Auteur verslag: Joris van Casteren

De schrik van Buitenveldert

Mevrouw P. liet liever niemand binnen. ‘Mijn woning is niet geschikt om mensen te ontvangen,’ zei ze tegen buurvrouw Medema. Het appartement in Buitenveldert bevindt zich op de vijfde verdieping van een complex dat Rupelmonde heet. Vanaf de gaanderij zie je de Zuidas en een stukje van het Amsterdamse Bos.

Buurvrouw Medema ontweek haar, net als de meeste andere bewoners. ‘Want voor je het wist moest je van alles voor haar doen.’ Verschillende keren dwong ze buurvrouw Medema, die nota bene vegetarisch is, voor haar naar de poelier te gaan. Terwijl ze toen nog goed ter been was, absoluut niet hulpbehoevend.

Toen buurvrouw Medema haar bevelen niet langer duldde had ze buurvrouw Lommen aangeklampt, en meteen haar telefoonnummer gevraagd. ‘Je moet zelf weten hoe ver je wilt gaan, maar laat je niet inpalmen,’ adviseerde buurvrouw Medema haar.

Benedenbuurman Hendriks, inmiddels verhuisd, kreeg ook allerlei taken opgelegd, alsof hij haar dienstknecht was. Als eerste bewoner van het complex zag hij haar woning van binnen, vanwege een grote hoeveelheid boodschappen die hij voor haar had moeten inslaan.

Muren en vloer waren aan het zicht onttrokken, een onwaarschijnlijke hoeveelheid religieuze boeken en oude rommel groeide tot aan het plafond. Met de boodschappen boven zijn hoofd baande hij zich een weg naar de niet als zodanig herkenbare keuken, het was alsof hij door een loopgraaf ging.

Het contact tussen mevrouw P. en hem werd kort daarop verbroken, toen zij beweerde dat hij tijdens zijn bezoek haar bril had vernield. De buurman was er volgens haar op gaan zitten, terwijl hij zich direct uit de voeten had gemaakt en ook nergens een stoel had zien staan.

*

Haar vader was slager, het gezin woonde in de Pijp, op 17 augustus 1927 werd ze in de ouderlijke woning aan de Karel du Jardinstraat geboren. Ze had een broer, die vrouwenarts zou worden. De kinderen moesten studeren, vooral hun moeder stond er op.

Ze was anders dan anderen, een zorgenkind met stemmingswisselingen, haar vader hield haar in de gaten. Ze was begaafd, studeerde Frans en theologie, had geen idee wat ze er eigenlijk mee wilde.

Na de oorlog, op vakantie in Zwitserland, ontdekte ze het skiën, razend goed was ze er in. Er zou een man in het spel zijn geweest, al trouwde ze nooit en kwamen er geen kinderen. Ze vestigde zich in Gstaad, waar ze met haar Frans uit de voeten kon. Haar droom, skiër namens Nederland op de Olympische Spelen, kwam niet uit, hoe hard ze ook trainde.

Ze werkte in Gstaad als verpleegster, wegens insubordinatie dreigde haar werkgever een paar keer met ontslag, haar broer bemiddelde. Eind jaren zestig keerde ze naar Amsterdam terug, zorgde voor haar ouders die in 1969 en 1972 overleden.

Gedoe over de erfenis, haar broer was het zat en gunde haar de woning. Theologie keerde terug in haar leven, manisch ditmaal, de Schrift fascineerde haar oneindig.

Ze versleet verschillende kerken, in de Église Wallonne kreeg ze het aan de stok met de predikant die het waagde haar vergaande exegesen te betwisten. In de protestantse Thomaskerk in Amsterdam-Zuid, waar een door haar bewonderde dominee preekte, waren ook incidenten maar gedoogde men haar.

Ze woonde er discussieavonden over religieuze thema’s bij, na een hoogoplopend meningsverschil met gastspreker Theo de Boer over de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas werd ze op de gang gezet om af te koelen.

Na afloop van zo’n avond werkte ze nauwgezet haar aantekeningen uit, wat honderden handgeschreven pagina’s opleverde die, aangevuld met krantenknipsels en fotokopieën uit theologische naslagwerken, in ordners verdwenen.

Na het overlijden van haar ouders was ze een kansloze juridische strijd aangegaan met een in haar ogen malafide notaris die bij de boedelverdeling betrokken was geweest, twintig jaar lang sleepte de kwestie.

De verschrikkelijke papierwinkel die dit opleverde kwam in weer andere ordners terecht, die zoekraakten tussen andere opbergmappen, want elke instantie waar ze mee te maken kreeg – van belastingdienst tot roeivereniging – kon rekenen op aanmaningen en bezwaarschriften.

Na een hoogoplopend betalingsgeschil met de bank werd beslag gelegd op de ouderlijke woning, een tijd woonde ze in een hotel. Haar broer kreeg wroeging, nam haar in huis, tot wanhoop van diens kinderen: ineens was er een strenge tweede moeder die bij hun de telefoon opnam en de woning als haar eigendom beschouwde.

De broer zorgde dat ze vlug weer op zichzelf woonde, in Amsterdam-West, een achterbuurt volgens haar, niets voor iemand van haar stand. Aanvaringen met de buren, opnieuw een huisuitzetting. Zo spoelde ze aan het begin van deze eeuw in Buitenveldert aan.

*

Daar probeerde ze haar verouderende lijf in vorm te houden, sportverenigingen in de omgeving sidderden. Het lidmaatschap van Tennisclub Buitenveldert was binnen enkele maanden alweer ontbonden.

Met allerlei kwaaltjes bezocht ze de huisarts, die meer inzat over haar psychische gesteldheid en de woonomstandigheden, waar professionele hulp aan te pas diende te komen. Als dat thema werd aangesneden stoof ze op en was verdwenen.

Haar broer overleed, net als haar twee katten, die een poosje dood tussen de rommel hadden gelegen. Na het incident met de bril ontfermde mevrouw Okx zich over haar, een jonge bewoonster van het complex. Met eindeloos veel geduld wist die haar vertrouwen te winnen.

Mevrouw Okx schrok van wat ze in de woning zag, trachtte haar tot opruimen te bewegen. Dat was niet nodig, al die spullen waren dierbaar, in de chaos wist ze prima de weg. Er kwam nog altijd meer bij, iets moois bij het grofvuil liet ze niet staan.

Voortaan deed mevrouw Okx haar boodschappen, als een aankoop niet beviel stuurde mevrouw P. haar terug naar de winkel. Ze hield van zalm en verse sinaasappels, daar moest altijd een flinke voorraad van zijn.

Mevrouw Okx, werkende moeder, werd moe van het sjouwen en schakelde een boodschappenservice in. Dat vertrouwde mevrouw P. niet, met een loep liep ze nauwgezet de bonnetjes na. Soms had ze ineens zin in pizza of Chinees, of mevrouw Okx dat even kon halen, bezorgers waren niet te vertrouwen.

*

In de loop der jaren boden verschillende thuiszorgorganisaties hun diensten aan, gevaarlijke indringers die mevrouw P. helemaal niet nodig had. Heel af en toe mocht iemand even naar binnen, om de huisarts tevreden te stellen.

Mevrouw Okx nam haar mee uit wandelen, naar de Bosbaan, waar ze vroeger roeide. Halverwege de wandeling kon de stemming ineens omslaan. ‘Wat doen we hier, je brengt me nu naar huis!’

Haar wereld stortte in toen mevrouw Okx in 2019 verhuisde. Ze vermagerde, woog nog geen vijftig kilo, beschuldigde een van de thuiszorginstanties van diefstal en mishandeling. Haar deur ging weer op slot, alleen een maatschappelijk werkster van stichting Sina, door mevrouw Okx ingeschakeld, mocht soms een gesprek komen voeren.

Met een ontstoken wond en ernstig ondervoed belandde ze in het ziekenhuis, na het ambulanceteam met haar snerpende stem tot tweemaal toe te hebben weggestuurd. In het ziekenhuis kreeg het personeel ervan langs, als voormalig verpleegkundige wist ze zelf veel beter hoe het moest. Men was haar zo zat op de afdeling dat ze voortijdig naar huis werd gestuurd, een unicum.

Daar lag ze weer, in het ouderwetse paarse trainingspak, op een door paperassen en prullaria omgeven bankje in de woonkamer. Geen enkele wijkverpleegkundige organisatie wenste haar nog te behandelen, zo kwam ze bij Anjer Thuiszorg terecht, een extramurale zorginstelling die niet terugdeinst voor extreme gevallen.

*

Yessica en Conchita, ervaren Anjer-medewerkers, hadden al veel gemaakt, mevrouw P. spande de kroon. Na urenlang praten, eerst telefonisch, vervolgens met de deur op een kier, kregen ze toestemming haar wonderlijke bazaar te betreden.

Er viel onmogelijk te werken, terwijl de nog altijd ontstoken wond moest worden verzorgd. Middels een sluwe tactiek, waarbij Yessica de voorkomende Dr. Jekyll speelde en Conchita de boze Mr. Hyde, kregen ze mevrouw P. zover dat ze toestemming gaf een deel van de troep af te voeren.

Een boodschappenservice en maaltijdvoorziening werden ingeschakeld, draaiend op vrijwilligers. Het was een slopend proces waarbij alle betrokkenen snibbig werden bejegend en tot het uiterste getergd.

Door toenemende doofheid was mevrouw P. wantrouwiger dan ooit. Yessica en Conchita werden beschouwd als personeel, vierentwintig uur per dag diende ze ter beschikking te staan, net als hun collega Irlon, de enige man die haar ooit heeft mogen wassen.

Midden in de nacht belde ze hen op om te vragen hoe laat het was. Ze dienden subiet te verschijnen als ze behoefte had aan een gesprek. ‘Wat is dit verdomme voor een thuiszorg?’ tierde ze als ze niet kwamen. Soms deed ze uit wraak de deur op de knip, dan klommen Yessica en Conchita door het keukenraam naar binnen.

In haar boosheid klonk ook liefde door, de medewerkers van Anjer en Sina waren haar laatste getrouwen. Als een zoete oma vertelde ze over vroeger, de Olympische droom, haar theologische theorieën die wereldvrede zouden opleveren.

Het bankje maakte plaats voor een ziekenhuisbed, tot ieders verbazing stemde ze in met een schoonmaakbeurt van de woning, nog meer spullen konden worden afgevoerd.

*

In de laatste maanden verloor ze haar verstand. Wilde men haar verschonen dan diende ze eerst te overleggen met haar broer, die had kennis van zaken. De volgende dag kwam haar vader langs, dan mocht er niemand komen. Toen Conchita haar haar had geverfd geloofde mevrouw P. niet dat zij het was, ze belde Anjer om een klacht in te dienen.

’s Nachts was ze angstig, iemand moest haar uit bed komen halen. Ineens droeg iedereen coronamaskers, de wereld was gek geworden. Ze vroeg of Yessica en Conchita bij haar wilde komen wonen, ze kon hen betalen.

Begin december ging het niet langer, de huisarts bepaalde dat ze in januari de verzorging in zou gaan, zelf was ze tot niets meer in staat. Liever wierp ze zich van het balkon, wat niet ging; vanwege de katten had haar broer er destijds gaas omheen gespannen.

Ze verzon een list, besprak het plan met Yessica en Conchita. Ze zou vrijwillig meegaan en dan zouden zij haar komen bevrijden. Om de dokter te misleiden pakte ze alvast een koffer, gevuld met verhandelingen over symbolische getallen in de bijbel.

Een dag voor kerst klom ze op eigen kracht uit het ziekenhuisbed, struikelde over de po. Een gastvrouw van Anjer trof haar kreunend aan in een vreemde spagaat. Ze overleed in de ambulance, 93 jaar oud.

*

De neef en de nicht regelen de uitvaart niet. ‘Het is goed dat ze dood is,’ zeggen ze als Trup-medewerker Daisy Oerlemans hen in kennis stelt van het overlijden. In de woning aan Rupelmonde vinden we een oude overlijdenspolis, waarin mevrouw P. heeft laten opnemen dat de bekleding aan de binnenkant van haar kist niet van satijn mag zijn.

Yessica en Conchita komen naar de uitvaart op Sint Barbara, met andere leden van het Anjer-team. Een van hen, Hortence, zal een gospellied zingen, zoals ze dat bij mevrouw P. thuis soms deed.

Twee medewerkers van stichting Sina zijn ook van de partij, net als de dochter van de beste vriend van mevrouw P.’s vader, die ter bescherming van zichzelf, zo vertelt ze, het contact tot een minimum beperkte.

Ik laat werk van Messiaen, Debussy en Franck spelen. Charlotte Mutsaers – die best vrienden met mevrouw P. had willen zijn – leest haar gedicht voor, waarin de voornaam een aantal malen klinkt.

Na de hymne van Hortence volgen we de dragers naar het graf, dit lijkt zowaar een stoet.

Joris van Casteren.