Eenzame uitvaart #236, verslag

Eenzame uitvaart #236
dinsdag 29 januari 2019, 10.00 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam

Bij de dood van meneer De V. (25-5-1952 – 8-1-2019)

Meneer De V. uit Hoofddorp ging op zondag 6 januari om acht uur ’s avonds naar de film. In Het Oude Raadhuis, aan de Kruisweg. Hij zag daar The Wife, over een schrijver die beroemd wordt met een oeuvre dat door zijn vrouw blijkt te zijn geschreven.
Na afloop dronk meneer De V. een glaasje port, rond een uur of elf is hij naar huis gegaan. Aan de Egholm woonde hij, in zijn eentje, op de derde verdieping van een appartementencomplex.
Vermoedelijk heeft hij in de woonkamer nog een poosje zitten lezen. Op de salontafel naast zijn fautteuil lag Féerie générale van Emmanuele Pireyre opengeslagen. Meneer De V. had Frans gestudeerd en ging regelmatig naar Parijs.
De sigaret die hij in de keuken rookte smeulde nog toen hij in bed ging liggen. Rond een uur of twee ’s nachts werd hij naar adem happend wakker. Hij strompelde naar de gang, zakte in elkaar en vatte bijna vlam.
De brandweer tilde hem naar buiten. Hij werd gereanimeerd en per ambulance naar een ziekenhuis in Amsterdam gebracht. De volgende dag overleed hij daar, 66 jaar oud.

Gerald Rosenberger, medewerker van het Team Rampendienst, Uitvaarten en Pension (TRUP) van de gemeente Amsterdam, belde met de politie van Hoofddorp. Hij vernam dat meneer De V. een zus had, daags na de brand was zij in de woning geweest.
Op een tafel in de woonkamer had de zus een briefje neergelegd, naast een stapel formulieren. ‘Dit is het enige dat ik gevonden heb: persoonlijke administratie,’ schreef ze. ‘Dit is de laatste keer dat ik hier geweest ben, ik heb mijn handen ervan af getrokken.’
Rosenberger raadpleegde de gemeentelijke basisadministratie. Hij zag dat meneer De V. twee zoons had. In 1981 – de zoons waren één en drie – was hij van zijn vrouw gescheiden. Uit een centraal register voor wilsbeschikkingen viel op te maken dat meneer De V. over een testament beschikte. Maar in de loop van de jaren tachtig had hij de onbekende inhoud van dat document ongeldig laten verklaren.
Rosenberger schreef de zoons aan, met wie de zus geen contact had. De zoons lieten weten dat ze nooit omgang met hun vader hebben gehad. Ze wilden de uitvaart niet regelen. ‘Er is blijkbaar het een en ander voorgevallen binnen die familie,’ zegt Rosenberger als hij mij van de aanstaande eenzame uitvaart op de hoogte stelt.

Met een ‘opdracht tot huizoeking’ begeeft Rosenberger zich op donderdag 24 januari naar Hoofddorp, om na te gaan of meneer De V., die het appartement huurde, er middelen op nahield waarmee zijn begrafenis bekostigd kan worden.
De man van de sleuteldienst moet komen, omdat de zus haar sleutel na het laatste bezoek in de afgesloten brievenbus van haar broer heeft gedeponeerd. ‘Breng die sleutel dan naar de politie, of stuur hem op,’ bromt Rosenberger.
Als de man van de sleuteldienst na een half uur eindelijk verschijnt, hij had een verkeerd adres doorgekregen en stond daar op ons te wachten, is de voordeur van meneer De V. in een handomdraai open.
Hoewel er een brand heeft gewoed is het binnen tamelijk netjes, alleen in de zwartgeblakerde keuken heerst de ravage. Het vuur lijkt in een prullenbak, of wat daar van over is, te zijn begonnen. In de hal en in de slaapkamer zit een laag roet op de muren.
Rosenberger neemt de formulieren door, ik bekijk wat boeken in de woning. Meneer De V. las niet alleen Frans, hij hield ook van Kafka en smulde van spannende verhalen: zijn kasten staan vol met het werk van auteurs als Lars Kepler, Nicci French en Mo Hayder.
In een hoek van de woonkamer, die uitziet op een sombere nieuwbouwwijk, zie ik een schildersezel staan. Of hij begenadigd penseelde is niet duidelijk, van zijn doeken ontbreekt elk spoor.
Rosenberger weet intussen dat meneer De V. slechts negatief gefortuneerd was: uit de formulieren rijst het beeld op van een hopeloze schuldenaar. De schuldenaar heeft overigens wel een baan gehad, in 2013 werkte hij bij de NS.

We kloppen bij de overbuurvrouw aan, Wil is haar naam. Ze vertelt dat meneer De V. geregeld een praatje met haar maakte. ‘Hij hield van Frankrijk en van chique etentjes met dure wijnen bij elke gang.’
In Parijs heeft hij volgens haar meerdere liefjes gehad. ‘Sowieso was hij erg dol op vrouwen.’ Op een keer trof ze hem bij de centrale ingang aan, innig verstrengeld met een dame. ‘Zeg, zou je niet ergens een kamer huren,’ had ze toen gekscherend gezegd.
Schilderen deed meneer De V. volgens haar nog niet zo lang. Net als haar buurvrouw, die er ook op latere leeftijd mee is begonnen, hing hij zijn werken, een beetje in de stijl van Corneille, in de gemeenschappelijke gang. ‘Het leek hier soms wel een museum.’
Na de brand, waarbij buurvrouw Wil en de andere bewoners van de derde verdieping tijdelijk het appartementencomplex moesten verlaten, heeft de zus de schilderijen van de muur gehaald. ‘Maar toen heeft ze dus ook de doeken van de buurvrouw meegenomen.’

De buurman van meneer De V. opent zijn deur, een oudere man op huispantoffels die een verwarde indruk maakt. ‘Wat is hier toch allemaal aan de hand?’ roept hij verontwaardigd uit.
Als hem opheldering is verschaft weigert hij te aanvaarden dat meneer De V. op dinsdagochtend 29 januari in Amsterdam op Sint Barbara zal worden begraven. ‘Dat kan helemaal niet want hij heeft zijn lichaam ter beschikking gesteld aan de wetenschap.’
De buurman heeft nog meer opmerkelijks te melden. Volgens hem was meneer De V. door brand geobsedeerd. Regelmatig zou hij zich over het gebrek aan vluchtwegen in het appartementencomplex hebben beklaagd.
Over de brandveiligheid van het winkelcentrum van Hoofddorp maakte hij zich eveneens grote zorgen. ‘Hij was bezig met een studie daarover, dat heeft hij mij zelf verteld.’ Een ‘soort klokkenluidersboek’ moest dat gaan worden.
De buurman weet ook dat meneer De V. slecht sliep. Zodoende zou zich best wel eens een psychose hebben kunnen ontwikkelen in zijn bovenkamer. Om die reden sluit de buurman niet uit dat meneer De V. de brand zelf heeft aangestoken. ‘Wat een flauwekul,’ zegt overbuurvrouw Wil.
‘Ik moet nog even iets regelen,’ zegt de buurman als Rosenberger wil vertrekken. Hij loopt de woning van meneer De V. binnen en trekt er stekkers uit de stopcontacten. ‘Anders ontploft de boel als de stroom er straks weer op gaat.’
Als hij met een zaklamp de badkamer betreedt heeft Rosenberger er genoeg van. Met lichte dwang wordt de buurman naar buiten geleid.

De volgende dag belt Trudy mij op, een andere buurvrouw. Ze zegt dat ze meneer De V. goed kende. ‘We dronken af en toe een drankje bij elkaar.’ Behalve slim kon hij erg betweterig zijn. ‘Hij had op alles commentaar.’
Ze wist niet dat hij kinderen had. ‘Daar heeft hij nooit iets van gezegd, ik sta ervan te kijken.’ Kinderen leken haar niets voor hem. Toen ze ooit eens vroeg waarom hij geen Frans ging onderwijzen begon hij een tirade over de jeugd, die slechts in ‘kuttige mobieltjes’ geïnteresseerd zou zijn.
Met oud en nieuw is hij volgens haar nog in Parijs geweest. ‘Misschien heeft hij daar nog steeds een scharrel zitten, wie zal het zeggen?’

Dinsdagochtend, begraafplaats Sint Barbara. Buurvrouw Wil en buurvrouw Trudy zijn gekomen, in gezelschap van nog twee buurvrouwen, met wie meneer De V. ook wel eens sprak, en een dochter van een van hen.
De warrige buurman is ook verschenen, afgepeigerd, alsof hij een wereldreis heeft afgelegd. Hij toont mij een papiertje met zijn reisschema, inclusief de prijzen, en begint dan aan een bruine boterham die hij opdiept uit zijn jaszak. Dichter van dienst Jan-Willem Anker arriveert op een vouwfiets.
Ik laat Les feuilles mortes van Yves Montand en Tous les garçons et les filles van Françoise Hardy afspelen, meneer De V. hield van Franse chansons. In zijn kast zag ik ook bandjes en cd’s van Supertramp staan, dus krijgt hij tevens The Logical Song te horen.
Anker leest zijn gedicht voor, buurvrouw Trudy een brief, die ze een paar dagen geleden schreef. ‘We zouden eerdaags op het nieuwe jaar proosten, onverwacht zijn de plannen gewijzigd.’
Beheerder Richard laat de klokken luiden, de rolbaar hobbelt over het grind. Meneer De V. komt onderin het eerste graf van een nieuw perceel te liggen, niet ver van de spoordijk.
Het is een algemeen graf, waar nog twee kisten aan kunnen worden toegevoegd. ‘Ik hoop dat hij twee leuke dames bovenop zich krijgt,’ zegt buurvrouw Trudy.

Joris van Casteren.

Gepost in Uncategorized