EENZAME UITVAART NUMMER 16
IM: heer N.N., als verstekeling gevonden in een schip uit Ivoorkust aan de Australiëhavenweg, Amsterdam
maandag 22 december 2003, 10 uur, begraafplaats Vredenhof.
Dichter van Dienst: Eva Gerlach.
Maandagochtend, deze ochtend. Na een onstuimige nacht wacht een heldere rustige morgen. Scheepscontainers vielen in zee. De Telegraaf kopt een woeste storm. Als ik de begraafplaats opwandel, is ons kleine gezelschap compleet. Ger Fritz brengt Tineke Pomp mee, de nieuwe medewerkster die we een vorige keer op Westgaarde al troffen, en twee heren van de schrijvende pers: Hans Mol en fotograaf Guus Dubbeldam. Fritz meldde in de loop van de week al dat er iemand van de schrijvende pers aanwezig zou zijn, zo noemt hij dat: de schrijvende pers. Het hoofd van de dienst Communicatie had daarvoor toestemming gegeven. Je kunt ze niet allemaal tegenhouden, zucht Fritz opgewekt.
We staan voornamelijk zwijgend bijeen. Ik weet mijn ergernis niet goed te verbergen. Op de obligate vragen van meneer Mol klinkt een afgemeten antwoord, ja of nee. Fritz daarentegen dreunt opgewekt getallen op: vijfhonderd meldingen per jaar, resulterend in driehonderd uitvaarten. Meestal merkt niemand daar wat van; er is familie, er zijn vrienden. Maar het komt ook voor dat iemand helemaal niemand heeft, of, in gevallen zoals vanochtend, dat je gewoon helemaal niets van de overledene weet. Helemaal niets. Het ‘helemaal’ komt eruit als drie afzonderlijke woorden. En dan komen de dichters dus in beeld, wijst Fritz om zich heen.
Eva Gerlach zwijgt. Als het tijd is, gaan we zitten, keurig op een rijtje. Eerst Fritz, dan Pomp, dan ik, dan Gerlach. De verslaggever moet een rij naar achter zitten, alleen. De fotograaf beweegt zich vrij door de ruimte. Er wordt in ieder geval geen foto gemaakt als de dichter spreekt, heeft Fritz terloops bedongen. Een instrumentale versie van ‘I will always love you’ in een soort van James Last-uitvoering weerklinkt. And I ai ai will all wol wol way hee hees lo hahaha ve yoo, hoe hoe. Zo zing ik in gedachten mee.
Gerlach deelt haar gedicht uit aan de voorste rij. Dan spreekt ze. ‘Op 10 december om 12.15 uur werd bij het lossen van het Italiaanse vrachtschip de ‘Grande America’ in de Amsterdamse haven het stoffelijk overschot van een tengere, negroïde man aangetroffen. Het schip was afkomstig uit Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust. De man is daar als verstekeling aan boord gegaan en verstopte zich in een holte tussen de verschillende delen van de laadklep. Hij had enige bagage, medicijnen en proviand bij zich. Als bijzonder kenmerk wordt in het politierapport genoemd: opvallend magere man, hij mat slechts 1.60 meter. Geen leeftijd bekend. De proviand werd onderweg niet aangesproken. De Amsterdamse waterpolitie constateerde dat de man spoedig na vertrek moet zijn overleden. Hij werd overgebracht naar koelcel 21 in het mortuarium van het VU-ziekenhuis te Amsterdam.’
‘En nu bent u hier,’ besluit ze haar uiteenzetting, daarmee de overgang makend naar haar gedicht:
Wie
In verdwijnen ben ik altijd
beter. Verder en
dieper lig ik dan jullie
meten. Onderuit ga
ik in je lichaam dat zich
denkt te bewegen
waarheen de neus wijst, een leven
maakt als een jammerplank, stampt,
rolt, zucht. Ha harde lijven
vol lucht en gangen, gaten waarin ik
me schik, heb je water,
brood, pillen? mij? De reis
begint, steek af, je bent precies
mijn maat. Wij zijn één stof, die wordt gelost
te zijner tijd. Je komt absoluut vrij.
Zo spreekt Eva Gerlach, met alle haar kenmerkende stijlmiddelen toewerkend naar de vereenzelviging en het afscheid tegelijkertijd. Zo is dit alles precies bedoeld: een gedicht dat letterlijk op maat gesneden is, dat de situatie van de man in de kist ook werkelijk verbeeldt. Sensitief, nauwkeurig, pijnlijk nauwkeurig, een gedicht bovendien, waarin betekenis naast betekenis wordt gegenereerd, dat van een verstijfd lijk weer een mens maakt, en van die mens jij, ik: en ik geloof in dit specifieke gedicht ook andersom, ook andersom. ‘We zijn één stof die wordt gelost.’ Het klinkt als een belofte, haast een gebed.
Terwijl ze spreekt, begint het hard te sneeuwen. De fotograaf drentelt door de schemerruimte, klik. Klik. Geen flits. Het duet uit de Parelvissers klinkt op, weer hoor ik de treiterige stem van Henk Elsink: mayonaise? Piccalilly? Ja luister eens meneer ik kan toch geen mayonaise en piccalilly op uw patat gaan doen. Gevolgd door het woordeloze Adagio, Het Adagio: op het laatst zijn er geen namen nodig. De uitvaartleider noemt het zo.
Dan mogen de gordijnen open, staan de dragers buiten in het bleke winterlicht, dan is het plotseling weer opgehouden met sneeuwen. De fotograaf wordt enthousiast. Hij heeft geluk met Vredenhof: het altijd weer verrassende beeld van de brede openzwaaiende deuren naar de begraafplaats, waar de dragers staan met hun getekende hoofden, in hun lange grijze jassen, hoed in de hand. Een van de dragers zou later aan Eva vertellen dat hij zelf een zeeman was geweest. Hij wist van zulke gevallen. In zeker opzicht gaat er troost van uit als er lotgenoten zijn. Zonen van de grote zee.
De kist wordt naar buiten gereden. De hoed mag worden opgezet. Een kleine rode auto rijdt met een verrassende snelheid van rechts het beeld binnen. Geschrokken, bijna driftig gebaart de uitvaartleider: wegwezen, en met dezelfde haast rolt het autootje het beeld weer uit.
Zwijgend lopen we achter de baar aan, de fotograaf rent om ons heen. Gerlach doet omzichtige pogingen om buiten beeld te blijven, alsof ze studie verricht naar de graven die we passeren. Nu eens vertraagt ze, om dan weer juist achter de imposante gestalte van Fritz op te duiken. Een vreemde dans. Het bewustzijn van de camera verandert de wandeling in een zorgvuldige choreografie. Je moet maar net doen alsof je er geen last van hebt, alsof je niet merkt dat we gezien worden. In de stilte bij het dalen van de kist zie ik Gerlach uit een ooghoek geheel achter Fritz verdwijnen. De uitvaartleider vergeet bijna dat wij onze schep zand nog mogen werpen.
Eerst Ger Fritz, dan Tineke Pomp, dan de dichter, dan ik, en tenslotte mag ook de jongen van de krant. De fotograaf wordt van de laatste handelingen uitgezonderd. Klik. Klik. Dwaas toneelstuk van de levenden in het aangezicht van de dood.
Later vertelt Gerlach dat ze werkelijk de graven onderweg bekeek, ze moet er een stukje over schrijven. Met de aanwezigheid van de fotograaf had dat niets te maken. En staande aan het graf hoorde ze een specht. ‘De specht’ doceert ze, ‘brengt een van de mooiste geluiden uit het dierenrijk voort.’ Ze probeerde nu om die specht ook te zien te krijgen. Maar dat lukte niet, want Fritz stond ervoor. Dus u hoorde niets, bevreemdt Eva zich, ernstig twijfelend aan mijn opmerkingsgave. Gelukkig heeft ook Fritz de specht niet gehoord, en ook Tineke Pomp moet zich voor haar onachtzaamheid excuseren. De fotograaf hoorde hem wel. U had wel een foto van de specht kunnen maken, oppert Gerlach, met uw toestel. Nee, meent de fotograaf, dat zou niet gaan: dan moet je zo’n toeter hebben. Met zijn handen geeft hij een klein formaat kerktoren aan. En de zijne was zo: nu spreidt hij zijn armen, als om een enorme groothoek aan te duiden. Dan ben je in ieder geval zeker dat alles erop staat. Alles staat er weer op.
Als we afscheid nemen, alvast de beste wensen voor het nieuwe jaar uitsprekend, resumeert Fritz de volle tevredenheid van de Dienst met het initiatief, de waardevolle bijdragen van de dichters, en de toegevoegde waarde van de dichters voor de Dienst, het wordt bijna een toespraak. Verlegen grijnzend neem ik de complimenten in ontvangst.
F. Starik