EENZAME UITVAART NUMMER 168
I.M. hr. J. P. 14 november 1919, Amsterdam – 16 oktober 2013, Van Oldebarneveldtstraat, Amsterdam
De Nieuwe Ooster, dinsdag 5 november 2013, 9.45 uur
dichter van dienst: Eva Gerlach
Maandagochtend, 28 oktober, Ali Mahmood belt. Hij vraagt of het goed met mij gaat, in de storm, en of ik wel naar buiten durf. ‘Liever niet,’ antwoord ik. Hij zegt dat ik gelijk heb: er zijn twee Amsterdammers doodgegaan. Er is een boom omgevallen op de Ceintuurbaan, en een op de Herengracht. Bovenop die Amsterdammers. ‘Die hoeven wij niet te begraven,’ veronderstel ik, ‘maar wie dan wel?’ ‘De heer J. P.,’ antwoordt Ali.
Meneer P., geboren op 14 november 1919 in Amsterdam, door de politie op 16 oktober gevonden in zijn woning op de Van Oldenbarneveldtstraat, dat is vlak bij mij in de buurt. Als ik het adres op google intik, blijkt een groot gedeelte van de straat te koop te staan: kleine voormalige sociale huurwoningen, het huis erboven is vorig voor bijna twee ton verkocht, 45 vierkante meter.
Meneer P. is ooit getrouwd geweest, maar al heel lang geleden gescheiden. Er zijn twee dochters, die willen niets met hem te maken hebben, ze hebben al 25 jaar geen contact meer met hem. De oudste dochter raakt al overstuur als ze de naam van haar vader hoort. ‘Hij was een ruziezoeker,’ vat Ali zijn gesprek met de oudste dochter samen. De andere dochter reageert berustend, maar wil er ook niets mee van doen hebben. Er is ook nog een kleinzoon, die geeft evenmin thuis, hij kent zijn opa nauwelijks.
Meneer P. is ‘in natura’ verzekerd voor zijn uitvaart, hij heeft aangegeven gecremeerd te willen worden. Aan die wens wordt voldaan op 5 november, op De Nieuwe Ooster, om kwart voor tien ’s morgens. Maar voordat het zover is, belt Ali opnieuw: hij heeft de jongste dochter opnieuw aan de telefoon gehad, ze wil toch naar de uitvaart komen, en dan neemt ze haar zoon ook mee. Ze denkt er aan om toch nog iets te zeggen, op de uitvaart van haar vader. Maar ze is blij als er een dichter komt. Ik krijg haar telefoonnummer. Ik geef het door aan Eva, zij moet het gedicht immers schrijven, Eva voert de volgende dag een telefoongesprek met haar.
Het wordt dinsdag. Grijze morgen, waterkoud. Vroeg op. Tram, en nog een tram. Ik arriveer ruim op tijd, de dame bij de ingang wijst me de weg naar de kleinste aula, daar vind ik niemand. Ja, de lijkwagen wordt uitgeladen, ik zit goed. Ik wacht, drentel rokend wat voor het gebouwtje heen en weer, roken, heerlijk. Slenter terug in de richting van het hokje bij de ingang, waar de dame zich weer binnen heeft verschanst. Op haar bureautje staat een bord met een in voorzichtige hapjes gesneden bruine boterham met fricandeau erop, ze schuift haar informatieraampje open en weet te vertellen dat zich nog niemand voor de uitvaart van meneer P. heeft gemeld, of ja toch, ze is gebeld dat de familie in de file staat, dus het kan allemaal nog wel even duren. En er zit iemand in de wachtruimte aan de andere zijde van het welkomstterrein. Ik wandel derwaarts in de verwachting Eva daar te treffen, maar nee, er zit een onbekende mevrouw, ik geef haar een hand. ‘Komt u voor de uitvaart van meneer P.?’ Dat beaamt ze. ‘Ik ben de thuiszorg,’ verklaart ze eenvoudig. ‘O wat lief!’ barst ik uit.
Bij de uitvaartleider informeer ik hoeveel tijd we hebben: tot elf uur, er is geen reden voor paniek. Ook van Eva Gerlach nog geen spoor. Van Eva heeft de uitvaartleider inmiddels bericht gekregen dat ze recent op Westgaarde is aangekomen, waar helemaal geen meneer P. wordt weggebracht, vandaag. Ze schijnt inmiddels onderweg te zijn naar de juiste laatste bestemming. ‘O jee,’ mompel ik, ‘dit gaat allemaal niet goed.’
Er staat ons weinig anders te doen dan wachten. Ik wandel met de thuiszorg over het terrein. Ze is verdrietig, echt verdrietig, meneer P. was een vriend. Hij vertelde weinig, en ja, hij was misschien een moeilijke man, maar daar moet je ook maar mee omgaan, en hij was tenminste echt, en met echte mensen is het niet moeilijk je te verstaan, vertelt ze. Hij was een vriend. En helemaal alleen was hij toch niet, hij belde regelmatig met een vriendin, alleen bezat hij geen agenda, de thuiszorg kon nergens een nummer van haar vinden. Anders was ook zij zeker nog gekomen, denkt ze. Drie jaar lang heeft ze voor hem gezorgd, bij hem schoongemaakt. ‘Ik heb dit nog nooit eerder zo meegemaakt.’
Er loopt een traan langs haar wangen. Ik moet de impuls om haar te knuffelen onderdrukken. Zoveel mensen krijgen hulp van de thuiszorg, zo weinig uitvaarten worden door die thuishulpen bezocht. Maar zij is er wel, ruim op tijd, ook dat nog.
Daar is Eva Gerlach, in gezelschap van haar echtgenoot, er is hard gereden. ‘Een dodenrit,’ noemt hij het. We schudden handen. Ik vraag me af of ik het ben, die de verkeerde begraafplaats heeft doorgegeven. Een paar dagen geleden moesten we allebei immers op Westgaarde spreken bij het herdenkingsconcert dat daar jaarlijks rond Allerzielen wordt gegeven, zoiets blijft toch hangen. De uitvaartleider krijgt telefonisch door dat we nog tien minuten geduld zullen moeten hebben. De familie staat nog altijd in de file. Eva heeft de muziek meegebracht, geheel in de wens van de ontslapene en zijn dochter, hij hield van zingen, heeft ze geleerd, en ook van Mozart, lieflijke muziek, Beethoven, maar geen donkere Beethoven, iets van Sibelius misschien? Er kan het een en ander op cd gebrand worden, ik waarschuw voor het gevaar dat gebrande cd’s nog wel eens willen haperen, op muziekinstallaties in uitvaartcentra. ‘Brand ze vooral op de laagst mogelijke snelheid.’ Dat is gelukt, zal even later blijken.
Een auto komt de begraafplaats opgereden. Het is bijna kwart over tien, de file heeft zijn werk tot het uiterste opgerekt, maar daar zijn ze, de dochter en haar zoon. Het is niet gelukt, vertelt ze, om iets voor haar vader te schrijven, het is gewoon niet gelukt, ze zal zwijgen. Op krukken nadert ze de aula waar die vader ligt, veilig in zijn kist, haar zoon aan haar zijde. We groepen samen in de kleine ontvangstkamer. De thuiszorg stelt zich opnieuw voor als de thuiszorg.
De uitvaartleider nodigt moeder en zoon uit om een moment alleen van vader afscheid te nemen, ze gaan de aula binnen. Dan worden ook wij in de kleine aula verwacht, we gaan zitten, de thuiszorg huilt stilletjes. Muziek. De uitvaartleider komt naar voren en vertelt dat we afscheid nemen van meneer P., dat Eva Gerlach zal spreken, en noodt haar met een handgebaar naar voren. Ze spreekt, ernstig, toegewijd, bijna stil.
uit
Tussen goed en kwaad in
moet ik het midden vinden
van waaruit ik kan zien
wie je was. Wat je hebt gedaan
behalve verdriet. Wat je wist
als je je niet vergiste.
Voorbij de twee of drie woorden
die ik over je hoorde
werd je dan nieuw misschien.
Niet meer die hier in de kist
is wat hij is geweest
en nooit meer een kant op kan
maar een ander, omdat ik dat wilde.
Dat je leven van je afviel,
een vorm die werd opgetild,
dat je overeind kwam,
als een jongmens bewoog,
vleugels kreeg en wegvloog
door de heldere lucht,
hoog uit noord krijsend van
wie weet iets als geluk?
Het is uit. Ik leg je terug.
Meer muziek, troostrijke muziek. We zitten heel stil bijeen. Als de muziek is afgelopen gaan we staan. We nemen op voorspraak van de uitvaartleider een moment stilte in acht, buigen voor de kist, schuifelen dan langzaam de aula uit, op weg naar de koffiekamer, meneer P. zal overeenkomstig zijn wens gecremeerd worden. We raken in gesprek, drinken koffie. Om elf uur voegt de uitvaartleider zich weer bij ons gezelschap, het is hoog tijd om te gaan, de volgende uitvaart is al begonnen, nieuwe koffie is gezet, we moeten verder. We tekenen tenslotte het condoleanceregister. Zo kom ik, bij het afscheid, op de valreep, toch de voornaam van de thuiszorg te weten, ze draagt haar functie als identiteit met zich mee. Respect. Als ik thuiskom vind ik een mail van Eva, dat ik wel degelijk de juiste begraafplaats heb doorgegeven, dit gebeurt nu al mijn hele leven, verzucht ze. We verdwalen in ons eigen bestaan.
F. Starik