Eenzame uitvaart #23

EENZAME UITVAART NUMMER 23

I.M. mevrouw C. van H.

22 november 1924, Rotterdam – 7 maart 2004, Amsterdam

Dichter van Dienst:  F. Starik

Op maandagmiddag 15 maart belt de heer Fritz om een eenzame uitvaart aan te melden. Rogi Wieg, de laatste dichter van de Poule, kan op deze korte termijn geen plek vinden om een gedicht te schrijven. Zuchtend zet uw Dichter van Dienst zich achter zijn tafeltje. ’s Avonds is het gedicht klaar.

En woensdagmiddag stapt hij in zijn nette uitvaartpak op de fiets en fietst in een onbedaarlijk milde voorjaarszon naar Westgaarde. Bij vertrek de lichte paniek van het stratenboekje nergens zien liggen en hoe reed men ook weer naar Osdorp? De terugweg gaat altijd prima, en is ook altijd veel korter dan heen, ik heb de route dikwijls afgelegd, in de permanente staat van verdwalen waarin ik verkeer valt de heenweg nooit mee.

Maar deze keer rijd ik best goed, zo goed, dat ik mijn moordend tempo op de Ookmeerweg aangekomen kan matigen. Als ik de begraafplaats opdraai zie ik de eenzame auto, omringd door de vier dragers en vooropgegaan door de uitvaartleidster, stapvoets naar de aula rijden.

In hetzelfde tempo vorm ik de volgstoet.

Daar is Pieter Verbeek van de Dienst, we worden voorgegaan naar de aula. Wat is de aula groot, wat is de aula leeg. De Pianist met volle evangelische baard beroert gevoelvol de toetsten. Liszt, als ik mij niet vergis. Dan treedt Starik naar voren en spreekt ten overstaan van de uitvaartleidster, Verbeek en de pianist zijn gedicht:

 

Rotterdam, 1924

 

Wat zou jij doen, als je in 1924

in Rotterdam geboren was? Je stookte

de kachel op kolen. Er was verlichting op stadsgas.

Zoiets als telefoon bestond nog niet.

 

Je kon niet weten dat de vijand zou komen.

Voor je zeventien jaar werd jij jouw stad

gebombardeerd zou zien. Je wist nog van je eigen niets,

niets. Je reed een fiets met houten banden.

 

Je was een meisje, bezocht een danspaleis, ik zie je,

je handen, het glas, de code: dansend op schetterende jazzmuziek,

blozende wangen op een bleek gezicht, schitterende ogen over

het rokend publiek. Roken was nog niet verboden in de tijd.

 

Rokende puinhoop van wat zo even nog jouw stad was.

Je zag die stad verbranden en je werd bevrijd. Hongerwinters later.

Wat zich aankondigt, telt zijn jaren niet vooruit. In de geschiedenis

kijken we terug als in de weerkaatsing van een spiegelruit.

 

Wat is de aula groot en leeg, wat klinkt de geluidsinstallatie luid en helder, alsof de dichter een honderden zielen tellend publiek toespreekt. Fritz had tevoren gesuggereerd dat er wel iemand van de Thuiszorg zou komen, gegeven het gegeven dat een juffrouw van de Thuiszorg de levenloze mevrouw had aangetroffen zou je denken: kom dan even afscheid nemen, misschien heb je jarenlang voor mevrouw van H. gezorgd. Ach, zegt Verbeek, ze zal wel moeten werken, hè, het is gewoon je werk. Maar je zult er toch een uurtje vrij voor kunnen krijgen? Zou er een beleid voor bestaan daar, een richtlijn, een aanwijzing?

Door de bijna onbeschofte lentedag lopen we mevrouw Van H. naar haar laatste woning. De vier dragers duwen de baar, de uitvaartleidster gaat voorop met nog een functionaris, die de weg moet weten. Het is nog een heel eind, we slaan linksaf, rechtsaf, weer links, en nog eens rechts, en juist als ik mij niet langer aan de indruk dat we eigenlijk verdwaald zijn kan onttrekken, houden we halt.  Het is gevonden.

De uitvaartleidster zwijgt. De dragers zijn vertrokken. We staan gevieren bij het graf. De functionaris die de hendel mag bedienen doet zijn werk. Het bloemstuk is op de rand van het graf achtergebleven. Van een volgend graflaantje slaat een drietal bezoekers ons gade, nieuwsgierig, talmend bij een graf, en maken zich dan langzaam uit de voeten. Er is geen schepje zand voor ons gedacht. Ik zal u voorgaan naar de ontvangstkamer, zegt de uitvaart leidster, dan kunt u nog wat napraten. En inderdaad, de terugweg is veel korter.

We praten na over de afwezigheid van Thuiszorg.  Ik zou wel zin hebben om dat eens uit te vissen, vindt Starik, of men bij de Thuiszorg een idee heeft, hoe met zulke sterfgevallen om te gaan. Ik zou ze wel eens willen bellen. Verbeek heeft de zorgmanager van mevrouw Van H. gesproken, hij heeft de sleutels van de woning aan de Hegelhof bij haar opgehaald. Een keurig nette bedoening, gezellig, frutsels, van die Swarovski-dingen naaispulletjes, echt iemand om bij op de koffie te komen, bakkie doen. Ik zal die Thuiszorg echt eens bellen, houdt Starik aan.

Verbeek weet, bij welk kantoor hij zich dan moet melden. Want er zijn veel kantoren van de Thuiszorg in de stad, veel kantoren.

Thuisgekomen staat Ger Fritz op het antwoordapparaat, om zich voor zijn afwezigheid te verontschuldigen, en ook een beetje om te zeggen dat hij vandaag jarig is. Eerst probeer ik de Thuiszorg. Het begint met al onze medewerkers zijn in gesprek. Dan word ik doorverbonden. Vijftien minuten later weet ik, dat de zorgmanager vandaag niet op kantoor is, morgen weer.

Daarna bel ik Fritz. Ger! Gefeliciteerd met je zestigste verjaardag. We zijn opvallend amicaal vandaag. Doorgaans noemen we elkaar meneer. Maar als je jarig bent, mag dat tutoyeren wel een keer.

En de Thuiszorg ga ik bellen. Misschien hebben ze daar wel een of ander magazine voor de medewerkers, misschien moest er dan eens aandacht worden besteed aan: wat doe je als één van je klanten komt te overlijden? Wat als je iemand overleden aantreft? Misschien ben je verschrikkelijk geschrokken. Meldde je ziek. En heb je bij de Thuiszorg eigenlijk nog wel vaste klanten, dat zich door de maanden of jaren van zorg een vriendschapsband kan ontwikkelen, of is dat allemaal de bedoeling niet?

Fritz wil altijd maar het beste van de mensen denken. Ik niet. Het personeelsverloop zal groot zijn, de efficiëntie zal vereisen dat men willekeurig op tijdstip en rayon wordt ingedeeld, opdat men nooit eens een vertrouwd gezicht om zich heen ziet, de lentezon zo mild vandaag, en door mijn hart trekt een kille, kille vlaag. Zo oud en zo eenzaam te wezen. Zo volkomen afgedankt. Zo verschrikkelijk bij leven al vergeten. Ik weet het wel, wij willen het niet weten. Godverdomme wil ik schrijven, als dat woord niet zo pathetisch en onecht op het scherm zou verschijnen.  Ik laat het gewoon staan.

Daarna denk ik nog aan de dragers, die altijd buiten moeten blijven. Waarom komen zij eigenlijk niet bij ons binnen staan, in die schrijnende leegte, in de veel te grote aula, waarom zouden zij niet willen weten wie ze naar haar laatste woning rollen? Of zou het voelen als een taakverzwaring?

F. Starik