EENZAME UITVAART NUMMER 26
IM: mw. H. H., 8 februari 1920, Amsterdam – 19 april 2004, Amsterdam
Uitvaartcentrum Westgaarde, maandag 26 april, 9.15 uur
dichter van dienst: F. Starik
Aarzelende zonneschijn, voorbode van een mooie lentedag. Tegen negenen fiets ik Westgaarde op. Het is druk op de begraafplaats, auto’s rijden af en aan, keurig aangeklede mensen stappen uit. Tegelijkertijd met onze kleine bijeenkomst zal een betere uitvaart plaatsvinden. Ik herken mijn vriendelijke uitvaartleider van de vorige keer, en hij begeleidt me naar de ontvangstkamer waar een grijze mevrouw, een schoonzus, al aanwezig is. Ze barst meteen in panisch praten uit. Ze spreekt met een haast alsof ze veel gesprekstof lang heeft opgespaard. Nee, ze kende mevrouw H. nauwelijks, een enkele keer hadden ze telefonisch contact.
Een paar dagen voor ze overleed had ze toevallig nog gebeld. Om te klagen dat ze deur niet meer uitkwam. Om te zeggen dat ze honger had. Maar hulp, nee, dat hoefde niet. Dan at ze nog liever niks, dan dat iemand anders haar een broodje bracht. Ze at eigenlijk alleen maar brood, met kaas erop.
Het is meer voor Henk dat ze er is. Henk, de zoon, van wie ze een foto bij zich heeft. Een dikke, bleke man, gezeten in bed, gebogen over een puzzel. De foto is vanuit staande positie genomen. De man kijkt niet op, hij houdt zich met zijn puzzel bezig. Ja, vertelt schoonzus: puzzelen, dat is het enige wat hij graag doet en ook goed kan. Op de achterkant van de foto heeft ze een laatste groet geschreven. Moeilijk vond ze dat, want moet je zeggen tegen iemand waar je nooit contact mee had. Ik leg haar uit wie ik ben en waarom ik hier gekomen ben. Fijn, want ze zou niet weten wat ze zeggen moest. Ze is alleen gekomen om de foto op de kist te leggen. Dan kan ze nog zo willen dat Henk er niet bij is, hij reist in ieder geval als afbeelding met haar mee.
Als om kwart over negen Pieter Verbeek van de Dienst is aangekomen, kunnen we beginnen. Schoonzus vraagt om de kist na afloop maar gewoon te laten staan, hem liever niet te laten zakken. Dat staat zo akelig. Laat maar staan. Er komen nog twee bezoekers aangerend. Juist voor de deur sluit, glippen ze naar binnen. Schoonzus legt de foto op de kist, als betrof het een afbeelding van wie er in de kist zit.
De organist speelt zijn muziek. Ik houd een korte inleiding waarin ik de nieuwe bezoekers uitleg dat het in Amsterdam gebruikelijk is, als de Dienst vermoedt, dat er niemand anders zal zijn, er een dichter komt. Dan spreek ik mijn gedicht, door de uitstekende geluidsinstallatie schalt mijn boodschap als door Hogere Machten ingegeven door de ruimte. Er is geen hoop, geen vergeving, we nemen maar afscheid van een lichaam, een levenloos ding.
Ik ga nu weg
Dit is geen laatste groet.
Mijn lichaam ligt hier.
Niets anders. Niets meer.
Alles is weg. Al wat ik dacht
te beminnen, al wat ik liefhad, weg.
Ik stuur je geen kaart. Ik zend geen bericht.
Ik treed de grote stilte binnen.
Zwijg. Ik ben al uit zicht.
Spreek geen ijdele woorden van hoop
of vergeving, ik wil geen muziek, geen publiek
voor het einde dat het mijne is, einde, punt.
Geen verdriet of eerbetoon, het is.
Hier ligt alleen een leeg lichaam,
een levenloos ding.
Laat me nu maar, ik ga gewoon.
Verstrooi mijn as, denk niet meer aan mij,
’t is uit: ik ben voorbij, voltooid. Ik was.
Tot nooit.
Als ik ben uitgesproken, steek ik mijn gedicht terug in de envelop, lik hem dicht en leg de envelop met haar naam erop aan het voeteneind op de kist. Dat gaat straks allemaal mee de fik in, kan ik niet nalaten te denken. Mevrouw H. werd gevonden in haar woning. Ze liet een codicil na waarin ze aangeeft in stilte gecremeerd te willen worden: geen familie, geen kaarten, geen rouwadvertentie, geen afscheid. Mevrouw H. is getrouwd geweest, had twee zoons, waarvan de jongste in 1991 overleed, en de oudste in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten verblijft. Het codicil geeft aan, dat ze haar zoon niet op de uitvaart aanwezig wenst. Ook vraagt ze, de as in stilte te doen verstrooien. Niet iedereen zal de noodzaak zien iemand toe te spreken die in stilte wil verdwijnen. Respect kan ook betekenen dat je iets nalaat te doen. Ik dacht aan de zoon, die niet mocht komen omdat hij het niet zou begrijpen. Ik dacht er pas achteraf aan dat het misschien beter was geweest om maar helemaal te zwijgen.
Het is alles glad ijs. Natuurlijk kun je alles lelijk maken. Mijn eigen vader zou dat doen, als hij niet dood was. Hij had overal een verklaring voor: daglicht is maar een ontkenning van het heersend duister. Je iets kunnen voorstellen is je iets toe-eigenen. Wat glanst, zal wel kleverig zijn. Alle eenzaamheid is zelfgekozen. Ieder ongeluk is eigen schuld.
Van tevoren bedacht ik dat we deze keer wel eens helemaal zonder muziek konden: drie minuten stilte, gedicht, nog drie minuten stilte. Alsof de afwezigheid van muziek de dingen zwaarder maken kan. Maar de organist was al gehuurd. Hij doet zijn best. Als afsluitend stuk kiest hij voor een opmerkelijk opgewekte versie van de Peer Gynt Suite.
De uitvaartleider wenkt ons recht te staan. Op zijn teken scharen we ons rond de kist, en lopen even later de ontvangstkamer weer binnen. De kist blijft alleen achter in de zaal. De late bezoekers, een verpleegster en een Koos Koetsachtige man met peroxide-blonde haren, stellen zich voor. Ze werken in de instelling uit Heerhugowaard, waar zoon Henk sinds jaar en dag verblijft. Henk wist ervan, inmiddels, ze hebben het hem verteld. Maar ze konden niet zeggen, of de mededeling echt tot hem doorgedrongen was. Vanmiddag om half vier zullen ze in Heerhugowaard nog een dienst houden ter gedachtenis aan de moeder van Henk, met een grote foto van zijn moeder en een bos met rode rozen, en nu ook nog met het mooie gedicht, dat ik geschreven heb, of ze dat mogen voorlezen, straks? Ik overhandig mijn kopieën aan de schoonzus en Koos Koets. Na het afscheid loop ik met Verbeek naar buiten. Jammer van de kist, vindt hij. Ja, we missen de wandeling naar het graf. Het is vreemd, om de kist zomaar te laten staan. Je mist het schepje zand.