EENZAME UITVAART NUMMER 27
IM: N. B.
13 december 1924- vermoedelijk rond 24 maart 2004 overleden, gevonden in zijn woning in de Koningsstraat te Amsterdam op 6 mei 2004.
dinsdag 18 mei 2004, 9 15 uur, begraafplaats Westgaarde
Een overbuurvrouw meldde dat er iets mis was in zijn woning. Daarop betrad de politie het pand. De heer B. werd gevonden met een dekbed over zich heen, de handen op de borst gevouwen. Naast hem een volle ondersteek.
De heer B. had een abonnement op de Telegraaf, de politie stelde de vermoedelijke overlijdensdatum vast aan de hand van de laatst gelezen krant.
Hij is nooit getrouwd geweest, geen kinderen. Hij had twee broers, van wie er één bij de heer B. heeft ingewoond. Beide broers al overleden. De weduwe van de andere broer, waarmee hij geen contact onderhield, meldde dat andere broer eveneens op Westgaarde werd begraven.
De heer B. had alarmering van de Thuiszorg. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Zijn woning was redelijk netjes, al was hij van het type dat nooit iets weggooit. Zo werd er een hoge stapel telefoonboeken in zijn woning aangetroffen. Hij had dus heel veel mensen kunnen bellen.
Aangezien de melding voor de uitvaart pas op de maandagmiddag voorafgaande aan de uitvaart binnenkwam, zal de dichter van dienst F. Starik heten.
Tegen twaalven sluit ik de computer af, half tevreden met het resultaat. De volgende morgen een paar woorden toegevoegd, een enkel woord weer weggehaald: zo moet het maar. ’t Is geen klassiek gedicht geworden. In een schitterende voorjaarszon rijd ik naar Osdorp, wind in de rug, kom ruim op tijd op de begraafplaats aan. De heer Prins zit klaar, in het zonnetje, in het zonnetje, herhaalt hij.
We hebben elkaar een tijd niet meer gesproken. Het blijkt dat hij nu bij Westgaarde als bode zijn betrekking heeft. Hij noemt het een promotie. Om kwart over vijf staat hij op om naar zijn werk te gaan, om vijf voor zes loopt hij naar beneden, en met vijf over op de klok rijdt hij naar Zuid, waar hij zijn pak aantrekt en koffie voor de medewerkers zet, dan gaat hij door naar Westgaarde, zijn eindbestemming voor de dag. Daar is meneer Verbeek. Die krijgt nog eens hetzelfde tijdschema.
We slenteren naar binnen. De pianist zet in. Na het eerste muziekstuk lees ik mijn gedicht. Het tweede muziekstuk volgt, en de pianist besluit met een interpretatie van Once upon a time in the West, de filmklassieker van Morricone. Staan we recht, achter de kist aan, de lange wandeling naar het graf. Er is geen schepje. Later vraagt Verbeek naar het afwezige schepje. De uitvaartleider expliceert dat het schepje zand van oorsprong een katholiek gebruik betreft, en hier was dus geen geloof bekend. U moet er dan speciaal om vragen. Op St. Barbara hoeft dat dus niet; daar is men van oorsprong katholiek. We begrijpen alles. En we zwijgen.
Hardnekkig
Je ziet hem dikwijls op het talud
langs de spoorweg staan, door niemand aangekeken.
Waar hij woekert komt nooit iemand anders dan
een toevallige passant. Er waait een oude krant.
Er wordt eens tegenaan gezeken door een hond.
Wie groeit op arme grond, kan lange perioden
zonder water aan, verdraagt de hitte, stront en stof
dat waait maar, dat legt zich neer en doet alsof
dat houdt zich ondoordringbaar want
stekelig en taai. Breek hem af tot op de grond
hij groeit gewoon weer aan. Scheuten schieten
buigzaam prikkeldraad, lieve kleine
konijnen houden zich schuil voor de kraai
aan zijn voet, beschermheer van onbereikbaar
zachte krachten. Hij draagt de harde vruchten
van het geluk en ook het predikaat
van ontoegankelijk vermogen
om te wachten. Wie van deze vrucht
wil plukken moet eerst handschoenen aan.
Iedere vorm van leven zal op eigen wijze voortbestaan.
Op jouw teken legt hij zich neer op zijn bed
ontlast zich in de steek en dekt zich toe
onder de vertrouwde deken, vouwt
bijna plechtig zijn handen op de borst
en sluit zijn ogen, glijdt weg in dieper slaap
tot nooit meer opstaan Nelis,
struik die zichzelf te veel is.
Rust in eigen naam, Braam.
F. Starik