Eenzame uitvaart #28

EENZAME UITVAART NUMMER 28

IM: W.J. O.

20 april 1936, Amsterdam – 26 mei 2004, Amsterdam

Dinsdag 8 juni 2004, 10.30 uur, Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Dichter van dienst: Tsead Bruinja.

Het belooft de warmste dag te worden die het voorjaar ons tot dusver bracht. Op de Nieuwe Ooster is het een gezellige drukte. Een grote uitvaart staat al klaar. Mannen in vrijetijdskleding, vrouwen in vrolijke jurkjes verdringen elkaar om de aula dadelijk als eerste te kunnen binnentreden. Men heeft er zin in, zo te zien.

Iets terzijde van de massa zit de jonge dichter Tsead Bruinja op een bankje zijn schoenen te bestuderen. Hij kijkt op als ik mijn fiets de begraafplaats oprijd, het rijwiel nonchalant in het rek parkeer. Een brede armzwaai als blijk van herkenning. Geroutineerd wandel ik ‘hoe heette onze man ook weer?’ via de portier, die naar de kleine koffiekamer verwijst, naar het bankje. Volgens Bruinja verwacht de portier toch wel een man of tien op de uitvaart van O. Terwijl de zomerse massa de grote aula betreedt wachten we bij onze kleine koffiekamer op de uitvaartleider.

Ik herken hem van Westgaarde, maar de herkenning lijkt niet wederzijds. ‘Bent u familie’, vraagt hij. We zijn geen familie. Ik leg uit dat Tsead na het eerste muziekstuk zal spreken. De uitvaartleider, een grijze man met een grove grijze huid, van een onbestemde leeftijd, hij zou zowel veertig als zestig kunnen zijn, verontschuldigt zich dat hij geen tijd heeft gevonden om het dossier van de BUG te lezen. ‘Ik val maar in,’ zegt hij. Om half elf precies treden we binnen. De heer Fritz heeft kennelijk telefonisch laten weten dat hij niet aanwezig zal zijn. We nemen plaats op twee stoelen centraal vooraan, we hebben de keuze uit twintig lege stoelen. De uitvaartleider blijft schuin achter ons staan. We horen hem het knoppenpaneel bedienen. Het orgeltje dreint de klassieke top drie.

De heer O. werd op 20 april 1936 geboren. Hij overleed in verpleeghuis Amstelhof, op 26 mei 2004, om 22.00 uur. Van wie in een verzorgde omgeving sterft, wordt het uur van overlijden vastgelegd. We weten dat hij in 1984 is getrouwd, en zes jaar later weer gescheiden is. Er waren uit een of meer eerdere verbintenissen enkele kinderen, waarmee hij ‘totaal geen contact meer had’ in de woorden van Ger Fritz. Het eerste kind werd geboren in 1959 en is al overleden, een tweede werd geboren in 1963, en de laatste in 1973. Beide laatsten leven nog, maar vraag niet hoe en waar.

Voor de dichter van dienst is het de eerste keer. Bruinja spreekt, kort en krachtig.

Adem

voor wie na dit lichaam

verschijnt en in zijn bed

klimt vannacht

 

kruip dicht tegen haar aan

kruip dicht tegen hem aan

 

houd jezelf vast en

luister naar je adem

 

loop desnoods naar het

koude raam en bevochtig

 

voor wat na dit lichaam

verdwijnt en geen meer

havent

 

ik dank je alvast

voor de weg die je was

 

en blaas

voor wie hier na

voor wat hier na komt

 

adem

 

Het schakelbord klikt. En klikt nogmaals. Kennelijk staan de dragers nog niet klaar achter de deur die nu moet openzwaaien. Het derde stuk klinkt helemaal uit. Uiteindelijk gaan we. De dragers rollen de kist met forse tred ter bestemder plekke. De uitvaartleider vraagt of we bij het dalen van de kist aanwezig willen zijn. Sommige mensen vinden dat een akelig gezicht, weet hij.

Wij willen daarbij aanwezig zijn. De uitvaartleider spreekt: ik weet niet of meneer gelovig was. In dat geval heeft hij nu zijn bestemming bereikt. En wat als hij niet gelooft? ben je geneigd erachteraan te denken, mag hij dan straks weer weg? Het schepje staat klaar om een schepje zand te scheppen, maar we worden niet uitgenodigd om dit te doen. Zo blijft de schep onaangeroerd achter. We slenteren terug naar onze kleine koffiekamer met de drie houtsneden ‘Horen’, ‘Zien’ en ‘Zwijgen’. De uitvaartleider vertelt dat hij in zulke gevallen graag wat wil zeggen, maar dat de woorden hem tekortschieten. En je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Het is hem eens gebeurd dat hij van de familie van een tachtigjarige hoorde hoeveel de overledene van paardrijden hield. Waarop hij staande aan het graf zijn bewondering voor de krasse grijsaard uitsprak, die op hoge leeftijd nog dikwijls ging paardrijden. Een reeds bejaarde zoon merkte op, dat vader al jaren aan zijn rolstoel zat gekluisterd, dus paardrijden kwam er niet meer van. Vader ging graag naar de paarden kijken. Kijken, in zijn rolstoel, wreef hij het nog eens in. Hij heeft ervan geleerd zijn woorden voortaan nog voorzichtiger te kiezen.  De uitvaartleider neemt zijn grijze gezicht in zijn handen en wast zijn wangen. Er klinken piepjes uit hem op. Het is zijn buzzer. Hij moet gaan. We schudden handen en blijven in de koffiekamer achter.  We nemen koffie uit een thermoskan met een opvallend brede gietmond. Ik bedien Bruinja voornamelijk op zijn schoteltje. En nog eens.