Eenzame uitvaart #18

EENZAME UITVAART NUMMER 18

IM mevrouw J.C. P., 19 februari 1920, 15 december 2003, De Wittenkade, Amsterdam

31 december 2003, 10 uur, begraafplaats Vredenhof.

Dichter van dienst en verslag: Menno Wigman

De begrafenis van mevrouw P. werd als het ware over de kerst heen ge­tild. Dus had ik deze keer niet drie maar zeven dagen om een gedicht te schrijven. Zeven doffe dagen, de laatste dagen van decem­ber, met het vooruit­zicht om op 31 decem­ber, om tien uur ’s och­tends, de 83 jaar oud geworden me­vrouw P. met een gedicht toe te dekken.

Me­vrouw P. had één dochter. Of ze die dag zou komen was onduidelijk. In 1957 scheidde ze van haar man. Van 1920 tot 2003 kon ze kijken. Het licht viel uit in het Sint Lukas.

Gaandeweg de kerstdagen begon haar begrafenis me steeds meer dwars te zitten. Die symbolische datum, dat vroe­ge tijdstip, het leek allemaal zo goedkoop. Wat was er vernede­render dan een begrafenis op een dag waarop de hele wereld een nieuw jaar toejuicht? Eigen­lijk was de dood van me­vrouw P. nu al verjaard. Het stem­de mismoe­dig.

Toch scheelde het te weten dat Neeltje Maria Min diezelf­de dag om half elf ’s ochtends op de Nieuwe Oosterbegraafplaats een gedicht zou uitspre­ken. Voor me­vrouw T.

Op tv verschenen beelden van `rookpalen’ op winderige perrons. Er kwamen bedreigde rokers aan het woord. Het sleutelwoord Ameri­ka viel. Vanaf 1 januari zou alles anders zijn.

Niet voor mevrouw P. en T.

Als ik op 31 december naar Vredenhof fiets hoor ik her en der vuurwerk knallen. Vooral in de Staatslieden­buurt zijn ze er vroeg bij. Vlak voor Vredenhof doet de bloe­men­koopman goede zaken. Er gaat vandaag van alles her­dacht worden.

In de ontvangstruimte tref ik gemeenteambtenaar Ton van Bokhoven. Starik rust in het buitenland. De dochter van mevrouw P. ont­breekt.

‘Vind je het goed dat ik een sigaret opsteek?’ vraagt Van Bokhoven, niet helemaal zeker van zijn zaak. Maar hij heeft, dat weet hij als gemeenteambtenaar maar al te goed, nog één et­maal lang het recht in uitvaartcentra te roken. Daarna is ook dat verboden.

De uitvaartleider verschijnt. Eenmaal binnen weer­klinkt Liszts Liebe­straum. Voor de zoveelste keer deze dagen hoor ik Rilke in mijn hoofd: ‘Die Alte oben mit dem hei­sern Husten, / ja, die ist tot.’ Alsof deze kist niet ook een heel leven vol liefde, pijn en gekneusde dromen bevat.

Na Liszt lees ik mijn gedicht voor. Omdat het, vooral halver­wege, zo’n hard gedicht is, verspreek ik me een paar keer. Ik krijg bijna het gevoel dat ik een code verbreek. Maar dit ‘bes­chaa­mde slepen’, zoals ik het ergens in m’n gedicht noem, heeft in­derdaad weinig van een begra­fe­nis.

 

Bij de gemeentekist van mevrouw P.

Slaapt ze? Ze slaapt. Na drieëntachtig jaar,

driehonderdvijfenzestig keer per jaar,

haar haar gekamd te hebben, op ik weet niet hoeveel

schoenen door de stad te zijn gelopen,

steeds maar weer die veters, vorken, lepels,

men­sen, wat voor men­sen, waar dan, slaapt ze.

 

Ze slaapt en ik, morbide als ik ben, denk aan

haar kam, haar nagelschaar en wenkbrauwstift,

hoe alles, nachtcrème, bankpas, tijdsgewricht

wordt weggewor­pen, uitgewist. En dit,

is dit beschaamde slepen een begrafenis?

Alsof je ongemerkt een munt verliest,

 

op een verveeld station je krant vergeet. Zoiets.

Noem het tragiek, noem het ritmiek, de tijd,

die vuile omnivoor, zorgt steevast voor een eind

dat stinkt. Maar ze slaapt nu, ze slaapt.

Dus dek haar toe en zorg dat haar vermoeide voeten

nooit meer de straat op hoeven.

 

Er klinken nog twee muziekstukken — waarom toch altijd die laffe synthe­sizermelo­dietjes? — en dan gaan lang­zaam de gordij­nen op de begraafplaats open. Even lijkt het of een van de dragers erachter stiekem een sigaret staat te roken. Het zijn zijn ademwolkjes in de ijskoude ochtend­lucht.

Terug van de groeve. In de koffieruimte vertelt Ton van Bokhoven dat me­vrouw P. niet één, maar negen kinderen had. Lang niet iedereen was te bereiken. Zo zouden twee, misschien wel drie kinderen hun achternaam hebben laten verande­ren. De enige dochter die men direct wist op te sporen was geeste­lijk gehandi­capt. In 1958, een jaar na haar moeders schei­ding, werd ze geboren. Net als wij heeft ze mevrouw P. nooit gekend.

Buiten knalt steeds meer vuurwerk. Als Ton van Bokho­ven en ik onze laatste sigaret uitmaken merkt de koffiejuf­frouw op dat dat waarschijnlijk de allerlaat­ste sigaretten zijn die hier gerookt werden. Na ons volgt nog één begrafenis en dan is het voorgoed gedaan.

Op weg naar huis zie ik de reddingswerkers van de post van huis naar huis gaan. Overal doen mensen inkopen om het oude jaar uit te luiden. Op de Kinkerstraat loopt een glunderende moeder met drie uitgelaten kinderen. Wat, mevrouw P., is er toch misgegaan?

Menno Wigman