EENZAME UITVAART NUMMER 6
IM de heer P.C.A. van G., 19 januari 1913, Amsterdam – 2002/2003, Warnsborn, Amsterdam
Maandag 24 maart 2003, 14.30 uur, Noorderbegraafplaats.
Dichter van Dienst: Eva Gerlach.
Op vreemd grondgebied lijkt alles verder weg. Ik had een uur voor mijn fietstocht uitgetrokken. Eerder deze schitterende lenteochtend had ik mijn jaarlijkse afspraak met de belastingman, alwaar ik alvast gehuld in mijn begrafeniskostuum aanschoof voor de Grote Afrekening. Hij vond dat ik er keurig uitzag voor zo ’n prachtige dag. Ik legde hem uit waar ik dadelijk nog heen moest. ‘In dat geval’, zei hij, ‘kun je het kostuum als beroepskosten opvoeren’. Daarmee was de kous voor hem af.
Terdege rekening houdend met mijn dwaalzucht, routebeschrijving in de hand, geduwd door een droge oostenwind, met een hoofd vol getallen, rijd ik ruim voor tweeën de begraafplaats op. Aarzelend neem ik plaats op een door duiven volgescheten bankje. Op het erf voor de kleine aula scharrelen een viertal kippen en een haan. Er wordt flink getuinierd. Mensen lopen rond met gietertjes en bloemen. Een mevrouw brengt zomaar twee aangelijnde hondjes mee. Aan de wandel. Eva Gerlach maakte van te voren al gewag van een natuurpad, dat men in de onmiddellijke nabijheid kan bewandelen, zonder daarbij een graf te hoeven zien. Ze kondigde aan, dat natuurpad een eind af te zullen lopen.
In een boom meen ik een pauw te horen schreeuwen.
Ik herken de schreeuw van de pauw aan de imitatie die een cabaretier daarvan ooit gaf. Hans Teeuwen. Daaraan denk ik, zittend op mijn volgescheten bankje van de begraafplaats als een kinderboerderij.
Even later arriveert meneer Fritz. Ik slenter op hem toe. We kiezen positie halverwege het grindpad. Hij hoort het ook, de roep van de grote vogel. Een kraai, meent hij. Misschien was de imitatie toch niet zo goed. Het grind knerpt onder onze voeten. Hij vertelt van de openingsscène van dr. Zhivago, de film. De beste film die er bestaat. Hoe de film begint: het grind knerpt, dolby surround, en dan valt een forse schep zand met een doffe plof op een kist. Baf.
Dan kan het verhaal beginnen: je zit er meteen middenin.
Als het bijna half drie is, en de dichter van dienst nog altijd niet is gearriveerd, lopen we terug naar de uitgang, en turen de dijk af. In de verte zien we de tengere gestalte van de dichter naderen, geheel in het zwart gekleed. Een soort van mantelpakje, althans: broek en jasje horen wel ongeveer bij elkaar. Ze heeft er stevig de pas ingezet. Heel langzaam wordt ze groter. Dan is ze er, eerder dan verwacht. Ze had nog best iets groter kunnen worden. Enigszins buiten adem vertelt ze, hoe de buschauffeur haar ergens bij een groot groen ding had afgezet, met de stellige verzekering dat het grote groene ding de Noorderbegraafplaats was. En zij geloofde dat.
We gaan naar binnen. De uitvaartleidster komt ons halen. Een kordate, frisse vrouw.
Even later vertelt ze dat haar baby al acht maanden is. Dat is oud voor een baby, meen ik. Als ik mij goed herinner, worden ze dan heel groot en zwaar. Ze maken zich klaar voor de sprong rechtop. Vanaf zijn geboorte heeft de baby weinig anders gedaan dan groeien. Straks gaat hij staan, de wereld verkennen, en dan wordt het groeien minder belangrijk. Ik weet dat, want ik heb zelf een baby gehad, zeg ik. Maar de baby van de uitvaartleidster is helemaal niet dik, vindt ze.
Ik zal me wel vergissen, net als met de vogel die probeerde een cabaretier na te doen.
Een Russisch aandoende matrone in een grote wijde rok van onbestemd grijsachtig zwart waaronder ze een soort sloffen draagt, bedient de muziek. Weer Vivaldi. Deze keer is het gelukkig wel De Herfst. Bij Vivaldi het enige dragelijke seizoen. Er zit een mooi slepende baslijn onder, bijna modern.
Dan spreekt Eva. Op het spreekgestoelte prijkt een draadloze microfoon. Tevoren sprak ze in een mail al haar bezorgdheid uit, dat ze niet goed te verstaan zou zijn.
Haar stem, inderdaad heel zacht, met een zuivere dictie, zeer beschaafd, eigenlijk precies hoe je je op de Middelbare School de verschijning van een dichteres voorstelt. De delicaat blanke huid, kleine, felle, donkere ogen onder een pagekapsel. Een voorname, breekbare verschijning.
De dichter heeft zich grondig voorbereid. Ze heeft Fritz opgebeld om te proberen meer te weten te komen van de dode. Ze heeft gevraagd of ze het huis mocht zien. Meneer Fritz is een voorzichtig en behoedzaam verteller. Er zijn veel dingen die hij beter niet vertelde. Hij moet dwalen tussen de bescherming van de privacy van de overledenen en het verlangen van de dichter om te weten, wie zij (hij?) zal bezingen. Ze richt zich in een korte toespraak tot meneer van G., en dan tot de medewerker van het Bureau Uitvaarten van Gemeentewege. Hoe bepalend het is voor de aard van haar gedicht, dit niet weten. Omstandigheden. Iemand die anderhalf jaar lang in zijn woning heeft gelegen. Hoe dat kan. Je zou het aan de buren willen vragen. Wie was die man?
Gedicht voor de heer van G.
In dit gedicht had ik u uit ontbinding
willen wekken. Uit uw windsels u
loswikkelen, thuisbrengen, laten lopen
(‘kom uit, meneer Van G!’), maar ik maak
geen schijn van kans. Alleman mocht van u
verrotten, u incluis. Onaangeraakt
verhaalloos dood in een betonnen pand.
Als ik van u iets wist, iets anders dan uw
geboortedatum en dat u daar zo
lag, een jaar of anderhalf, ‘nog nooit
zo lang de Dienst bestaat, lag iemand zo
lang’: maar uw la blijft op slot. Ik kan
u wel verzinnen, hoe u rondhing daar
met krant, tv, stof en verveling tot,
maar zingen zoals R. deed vroeger, ‘Dood
geef terug wat je van ons hebt afgepakt,’
(zo kwam van wandelende tak tot groot
vader iedereen terecht. Elk met zijn
naam en eigenaardigheden weggelegd
in grond, in vuur en in haar liedje) – wie
doet dat voor u, ik niet, ik ken u niet.
Een grote stilte daalt in de aula neer. Juist omdat ze het woord tot niet alleen meneer van G., maar ook tot de andere aanwezigen richt. Men is nog meer getroffen dan gewoonlijk. Anderhalf jaar lang liepen mensen langs die woning, wierpen misschien een vluchtige blik naar binnen, vervolgden hun weg. De mensen moeten het allemaal zelf maar weten, of ze de planten nog eens water geven, de ruiten wassen. Als de deuren opengaan, en de matrone in het voorjaarslicht oplost, staan we op en wandelen langzaam achter de kist aan de heldere middag in.
In de nabijheid van het graf is een jong echtpaar met een grote schep in de weer. De uitvaartleidster maant hen om het klussen voor een moment op te schorten. Dan is het stil. De geluiden die we nog horen komen uit de kolonie blauwe reigers die in een bomengroep de nesten voorbereidt. De pauw die ergens in de boom had zitten schreeuwen, zal wel een reiger hebben nagedaan.
Terug in de aula krijgen we maar een kopje koffie aangeboden. Terwijl men op St Barbara altijd gastvrij een tweede kopje schenkt. Hier geen aparte koffiekamer. De aula doet hier als zodanig dienst. Een vijftal van de stoelen, die eerst als in gelid om de kist stonden geschaard, is met een bijzettafel in het midden als een soort van zitje voor de nabestaanden herplaatst.
De microfoon is alweer opgeruimd, de rozige gordijnen voor de in dezelfde kleurstelling gedachte glas in lood ramen zijn opengeschoven.
Meneer Fritz vertelt. Er zou misschien politie komen. Dat wisten we al. Maar waarom? Het bleek om betalingen met zijn pinpas te gaan, alsof de man nooit ophield met bestaan. Fritz doet lang over de onthulling van ‘t geheim. Dat zoiets nooit in de pers mag komen. Ernstig knikkend vanzelfsprekend.
Hij heeft in ieder geval langer dan een jaar alleen maar in zijn woning liggen wachten tot iemand hem daar vond. Er is een dochter, die speciaal voor de dode vader van vakantie terugkwam, maar niet op de begrafenis aanwezig wilde zijn. Hem zocht ze immers ook niet op. Ik zou het onderzoek zelf ook vlug hebben afgerond, geloof ik.
F. Starik.