EENZAME UITVAART NUMMER 8
IM N.N.
Vrijdag 23 mei 2003, 10 uur, begraafplaats St Barbara.
Dichter van dienst: Simon Vinkenoog.
Een herfstige regen, op het troosteloze af.
Als ik op de begraafplaats arriveer, staat Simon Vinkenoog in gezelschap van zijn vrouw Edith Ringalda buiten reeds te roken. Naast hem staat filmmaker Joost Verhey, die de dichter met het het oog op zijn naderende vijfenzeventigste verjaardag een week lang volgt op zijn weg door de wereld. Ik protesteer zwakjes. Mag niet. Roken wel, maar filmen niet. Of niet in de aula dan. Het is meteen goed. We begrijpen elkaar. Dan doen we hier wel een quote en leest Simon zijn gedicht later ergens anders voor.
De oude Deelder, meneer Prins, is vandaag opnieuw onze uitvaartleider. Even later arriveert ook Ger Fritz, die verklaart dat hij is komen lopen, daar de dienstauto elders in gebruik is. De zwarte Golf, waarmee je een grote hond zou kunnen begraven, is eigendom van de Dienst, terwijl ik altijd heb gedacht dat Fritz zich dermate met zijn werkzaamheden identificeerde dat hij zijn auto met het oog op zijn functie had gekozen: zwart.
Heeft u er bezwaar tegen dat de man komt filmen? informeert Vinkenoog bij Fritz. Nee hoor! onmiddellijkt Fritz, natuurlijk niet! Het pleit is beslecht. We treden binnen. Fritz weet vandaag hoe de muziek heet die hij heeft uitgekozen: ‘Morgenstimmung’, daar beginnen we mee, zegt hij. En dan Dvorák (moet dakje op) , en dan een Iers lied. Enya, herinnert hij zich: daar heb ik thuis alles van, van Enya. Dat is zo mooi.
In de aula de gebruikelijke opstelling: op de eerste rij links Fritz en ik, rechts van het gangpad de dichter van dienst. Achterin de zaal staan de dragers, achter het gordijn bedient de onzichtbare heer Degenkamp de muziek. ‘Morgenstimmung’ blijkt om dat gedeelte van de Peer Gynt Suite te gaan dat we al zo dikwijls voor de doden ten gehore brachten. Dan treedt de heer Prins naar voren; dames en heren, plechtigt hij, wij zijn vandaag bijeen om een onbekende man de laatste eer te bewijzen. Ik geef nu het woord aan de heer Vinkenoog. Meneer Prins heeft er zin in vandaag. Bij eerdere gelegenheden volstond een knikje, een handgebaar.
Ik ben Simon Vinkenoog, begint de dichter.
Met luide stem verhaalt hij van het raadsel mens, en geeft zijn woorden in vrede aan de onbekende dode mee. We weten deze keer iets meer: we weten dat er op 26 april een man werd gevonden, drijvend in het water van de Keizersgracht ter hoogte van nummer 102. We weten dat er een rechercheonderzoek is ingesteld, dat de man een Duitse tandartsconstructie in zijn mond droeg, we weten dat er via de media vergeefse oproepen zijn gedaan ter identificatie van de onbekende dode, en dat weten we.
Afscheid van een onbekende
Ik ben Simon Vinkenoog.
Deze woorden gaan mee in je graf,
onbekende medereiziger op het aardse pad
en alles wat je was en wat je bezat
komt niet meer van pas.
Je bent een raadsel, mens,
of je al dan niet weet
waar je vandaan komt
en waar je heen gaat.
Hoe beklijven herinneringen?
Wat is het éne antwoord op al onze vragen?
Wie of wat blijft er ergens ter wereld van je over:
over van wie je was:
een glimlach, een verlossend woord,
een énig moment van geluk
of een leven lang duister?
Het antwoord ruist in de bomen
en elke vogel zingt zijn eigen lied
Je lichaam en geest worden nu ter aarde besteld
moge je ziel rusten in de vrede
die woorden en begrippen te boven gaat
in de stilte die aan elk begin staat
de stilte die alle talen overstemt
ook die van de dood.
A Dieu! Grüss Gott. Blessed be. Sjalom. Vrede.
Als Enya haar Keltische lied door de aula galmt, komen de dragers naar voren: er is een nieuwe jongen bij, ik schat hem halverwege de twintig. Hij draagt een vlassig baardje, en bezit het begin van alle kenmerken van de ongezonde leefstijl, die de oudere dragers zo waardig op het gezicht getekend staan. Prins gaat voorop. ‘Heren, alstublieft’, zegt hij, precies zoals het hoort, en geniet zichtbaar van zijn ernst en toewijding, de égards voor deze onbekende man, roerloos in zijn kist. Meneer Prins buigt overvloedig, hoed in de hand.
Dan lopen we achter de kist aan de miezerige regen in. Paraplu’s worden opgestoken, en ook weer ingeklapt als we ter bestemming arriveren. De laatste eer wordt blootshoofds bewezen: het moment stilte wordt langdurig in acht genomen, maar dat kan aan de gestaag druilende regen liggen, en ook wel aan het feit dat meneer Prins ten behoeve van het nageslacht er alle eer in stelt een perfect product af te leveren. Zijn schepje zand gaat niet met de bekende doffe klap de kist op, maar wordt zorgvuldig over de kist heen gepoederd.
Dan mogen de paraplu’s weer opgestoken worden. Zwijgend en nat sjokken we terug naar de koffiekamer. Onderweg vist Vinkenoog een oude Metro uit een prullenbak, om die bij vertrek uit de koffiekamer weer te vergeten. Zijn gedicht werd getypt op een echte typemachine, met een uitgeput lint erin: hier en daar zweven de letters onder de regel. De kopieën haalde hij door zijn thermische fax: het resultaat grenst aan het onleesbare. Fritz lacht: geweldig toch. Een echte typemachine. Waar vind je dat nog. Meneer Degenkamp fluistert; zag je dat? Hij haalde ook nog een ouwe krant uit de prullenbak. Wat een dichter is die man. Meneer Prins blijft spraakzaam: hij deelt pennen uit en toont wat hij zoal in zijn zakken draagt: een veiligheidsspeld, een paar zwarte veters, een bonuskaart, tien vuilwitte, netjes bijeengebonden touwtjes, zes elastiekjes, zeven boterhamzakjes, heel klein opgevouwen en dichtgebonden met zo’n wit sluitdraadje. Fritz tilt de hoed van Prins op: en, heb je daar een duif in zitten? Nee, zegt Prins, die heb ik in de oorlog opgegeten.
En waartoe dienen de plastic zakjes? vraag ik. Volgt een lang verhaal over hoe hij afsnijdsels van papiertjes in een drukkerij verzamelt, alsmede de doosjes waarin rouwkaarten worden aangeleverd, welke doosjes hij weer afgeeft aan een lagere school, die ze gebruikt om er etiketjes op te plakken en dingen in te doen. Mooi toch? Zo ben je niet alleen met de dood maar ook met het leven verbonden, orakelt Prins, maar lost daarmee het raadsel van de plastic zakjes niet voor mij op.
F. Starik.