Eenzame uitvaart #4

EENZAME UITVAART NUMMER 4

IM de heer M. S.

Dinsdag 4 februari 2003 12.00 uur, begraafplaats St Barbara.

Dichter van dienst: Neeltje Maria Min

Iedereen is vroeg vandaag: als ik ruim een kwartier voor tijd met mijn fiets het parkeerterrein opdraai zie ik in de verte Neel al buiten staan te kleumen. Ze heft een aarzelend groetende hand. Ook Fritz staat klaar, benevens een keurige jongeman die namens het kerkelijk tijdschrift de Bazuin, eerder wel bekend als Hervormd Nederland, verslag van de uitvaart komt doen. Hij is tevens reporter voor de gloedvolle publicatie Binnenlands Bestuur, dat, naar ik aanneem, niet via de reguliere tijdschriftenketens zal worden aangeboden. Hij zal een artikel schrijven over de Amsterdamse eenzame uitvaart, tot in de puntjes verzorgd door de Sociale Dienst: dat mag het land tot voorbeeld strekken. De wetgeving zegt niets over bloemen of muziek. De wet beperkt zich tot: kist erom en wegbrengen maar.

Even later komt een oudere jongere aanfietsen, een lange bleke verschijning met dikke wallen onder zijn ogen. Hij stelt zich voor als Jeroen. Hij draagt een grote bos bloemen van Z-magazine, de daklozenkrant, waar hij op kantoor zit. Hij lijkt sterk op een jongen die een tijdlang werkte als barman in de Kring. Toen zag hij er, ondanks zijn nachtelijke werkzaamheden, onmetelijk veel frisser uit. Het zal wel de identificatie met de doelgroep wezen. We schudden handen. Jeroen meent mij te herkennen als die jongen die vroeger feestjes organiseerde in de Kring, waar hij ooit achter de bar heeft gestaan, voor het gezinsleven en de regelmatige werktijden riepen. Het feest is geweest, memoreren wij. Hij wordt vergezeld door een Moluks aandoend meisje, die als daklozenkrantverkoopster haar vaste stek heeft bij de Albert Heijn op, inderdaad, de Molukkenstraat, vertelt ze. De heer S. en zij waren collega’s. Dus onze dode verkocht daklozenkrantjes voor zijn beroep.

Het meisje vertelt: hij was een goede man. Maar drinken hè. Drinken. Je moet iemand hebben die zegt: ho. Maar hij luisterde niet. Je moet iemand hebben die zegt; je boot is lek, er zitten gaten in. Maar hij had geen geld, voor de gaten in zijn boot. En hij luisterde niet. Drinken hè. Hij is met boot en al in de gracht gezonken. Terwijl hij dronken in zijn bootje lag. Maar hij was een goede man.

Even later schuift een wat armoedige heer met grote paarse vlekken, putten en puisten op zijn bleke gelaat aan, die in gebroken Engels verklaart namens de Poolse ambassade in Den Haag zijn onderdaan de laatste eer te komen bewijzen; het is de laatste bezoeker. Ook het lijk komt ruim voor twaalven aangereden.

De heer S., een Pool van vijftig jaar, gevonden in het water van de Keizersgracht. Meneer Degenkamp toont de muziekkeuze van vanmiddag aan de hand van de cd De Mooiste Klassieken, waaruit ‘Winter’ van Vivaldi wordt gekozen. ‘Herfst’ lijkt me toepasselijker, maar dat seizoen staat er niet op.

We zitten. De eerste mooiste klassieker weerklinkt. ‘Morgenstimmung’uit de Peer Gynt Suite. Dan staat Neel op, en loopt in een boog om de kist heen, om achter de baar plaats te nemen, en van daar haar gedicht uit te spreken, waarin ze voorzichtig om de dode heencirkelt. Om te eindigen met een welgemeend: rust zacht. Het blijft lang in de ruimte hangen, dan zet aarzelend de winter in.

Voor M. S.

Wat ik probeerde was je te omgeven met

huiselijk leven: een tafel, een stoel,

een broer en een moeder.

Maar voor ik had ingericht floepte

het licht uit, sloegen de deuren dicht,

werd je gewist.

 

Iets anders dan:

 

Wat ik verzon was een tuin. Borders met

planten bedekt, gladde gazons, een fontein.

Ik hoopte dat jij er zou zijn.

Het werd een stuk grond langs het spoor.

Een haveloos hek door, daar stond je.

Het zaad verrot in de voren,

de erwten en bonen dor.

Je wuifde me weg en vertrok.

 

Iets anders dan:

 

Liefst iets zachts. Een passende jas van

duffel of tweed of de huid van een dier.

Maar de schaar schoot uit in de stof

en de naald kreeg geen vat op de vacht.

Je lachte me uit en verdween.

 

Nu nam ik een stad: Amsterdam.

Daar kwam je in zicht. Je begaf je,

alsof je een opdracht had die je

terug wilde geven, in telkens een

andere richting.

Er stond in het draaiboek vermeld

het eindpunt zal zijn Keizersgracht.

Ik heb je erheen geschreven.

 

M. S. rust zacht.

 

Als we achter de baar aan naar buiten lopen weerklinkt er, onder een blauwe lucht, een lang aanhoudende, roffelende donder. Vanuit de verte klinkt het doffe gebonk van heipalen. Het geraas van de trein. We zwijgen. Ondertussen trekt de lucht snel dicht, donker, donker grijs. De heer van de Poolse Ambassade spreekt, staande aan het graf, enkele woorden in het Pools. Het tolletje tolt. De kist zakt. Terwijl de eerste druppels aarzelen tussen regen en sneeuw, werpen we ons schamele schepje zand op de kist. Zo nemen we afscheid, van deze goede man.

F. Starik