EENZAME UITVAART NUMMER 34
I.M. G. de P.
Vrijdag 10 december 2004, 10:00 uur, Noorderbegraafplaats
Dichter van dienst: F. Starik
geboren op 1 mei 1931 in Amsterdam, op 23 november 2004 door de politie in zijn woning in Amsterdam gevonden.
Onderhuurders waarschuwden de politie. Tot op heden heeft er geen onderzoek in de woning aan de Duindoornstraat in Noord plaatsgevonden. Een voordeursleutel ontbrak, en de onderhuurders zijn of afwezig of houden de deur gesloten.
Nooit getrouwd geweest, geen kinderen bekend.
Zijn vader kwam uit Meppel, zijn moeder uit Zwartsluis.
Hij heeft tot 1971 een tijd in Alkmaar gewoond.
We nemen afscheid van G. de P. op vrijdag 10 december op de Noorderbegraafplaats, om tien uur ’s morgens.
Deze melding werd op uitvaart nummer 33 gedaan. Pas laat in de middag kreeg ik deze weinige gegevens door. Op die korte termijn kan ik geen dichter bereid vinden een uitvaartgedicht te schrijven en de volgende ochtend vroeg naar de Noorderbegraafplaats te rijden.
Alvorens verslag van nummer 33 te doen bereid ik het gedicht voor 34 voor.
Even later belt Fritz nog een keer. Hij heeft inmiddels telefonisch contact gehad met een buitenlandse meneer, tenminste met een buitenlandse tongval en een buitenlandse naam, een medebewoner van het huis van meneer De P., en die komt morgen naar de begrafenis toe, met een bloemetje. Fritz zal na afloop van de uitvaart de woning bezoeken.
Luiden de klokken
Daar staan we, op de winterse morgen verzameld
rond de kist van u, meneer De P., van wie we weten
dat hij leefde, lang leefde, wisten ook voor mij
luiden de klokken straks een laatste keer.
Straks rijden we de kist de aula uit, straks weerklinkt
het vertrouwde geklingel van de klok ijl en koud
boven de verlaten graven uit. Weer knerpt het grind.
Schreeuwen de reigers, krijsen de meeuwen en
straks fluistert de wind en zegt altijd hetzelfde
hetzelfde: we komen en gaan en ondertussen tollen
wij in dezelfde onmeetbare ruimte als spikkeltjes rond
we zijn dezelfde gaatjes in het grote doek.
Het draait niet om u, het draait niet om ons, het draait
niet om hem. Niet voor ons, rond, voorbij.
Gisteren stonden we hier en morgen opnieuw
zullen de klokken luiden, en weer en weer.
We maken geluid. Duiven
scharrelen driftig voor onze naderende voetstap uit.
We horen de meeuwen wel krijsen.
Terwijl wij u hier naar uw windstille woning dragen,
langs duizend vogels luisterend fluisterend
over de Noorderbegraafplaats,
luiden de klokken op Oost, op West
en op Zuid, luiden de klokken overal
mensen uit. Dag meneer De P.
F. Starik
De meneer met de tongval en het bloemetje komt niet opdagen. Wel brengt Ger Fritz medewerker Rien van Tol mee, die naar het zich laat aanzien Fritz bij zijn pensionering gaat vervangen. Ik denk dat Rien Dries heet. De dragers ijsberen stampvoetend langs het hek. De wagen is laat. We naken grapjes over de mate van slijtage aan de hoed die ze dragen, gerelateerd aan de mate van slijtage van de dragers zelf. Een hunner zet mij zijn hoed op. De ronde harde rand. De hoed kent geen groot draagcomfort.
Donderdagmiddag schreef ik in allerijl mijn gedicht voor meneer De P.,waarbij ik mij liet leiden door de herinnering aan de zomerdag dat we eerder op de Noorderbegraafplaats waren, met Eva Gerlach als dichter van dienst. We halen herinneringen op aan hoe zij vanuit de verte haastig de dijk af kwam lopen, aan de grote reigerkolonie in de bomen van het kerkhof, aan het ijle luiden van de klokken, aan meneer Prins, de oude uitvaartleider die ooit in een graf viel, wat we even later bijna opnieuw zien gebeuren. Op de Noorderbegraafplaats zakt de kist nog aan touwen de kuil in. Dat vereist zorgvuldig balanceren op de rand van het graf.
Het lijkt me geen topstuk, het gedicht ik voor De P. heb geschreven, maar de mannen zijn verguld, de baas van de Noorder in het bijzonder, hij herkent er zijn geliefde begraafplaats in. En alles, eenmaal gesproken, is waar. Alleen de duiven blijven weg. Des zomers gaf de Noorder de indruk alsof we per ongeluk op een kinderboerderij waren terechtgekomen.