Eenzame uitvaart #250, verslag

Eenzame uitvaart #250
donderdag 28 mei 2020, 13.00 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam
Dichter van dienst: Maria Barnas

Noteerlust

Meneer Van W. is door zijn vloer gelekt, hij verscheen als vlek op het plafond van de buren. Zonder dit mene tekel lag hij er nu waarschijnlijk nog, afgezien van de incasseerders van vaste lasten was er niemand die hem zou missen.
Op 29 april is hij zeventig geworden, ontbindend op zijn matras vierde hij zijn verjaardag. De volgende dag kwam de politie: agenten van het hoofdbureau, waar zijn woning op de tweede verdieping aan de Nassaukade schuin op uitkeek.
Bij het forceren van de deur kwam een stuk van de muur mee, kostbare boeken uit zijn imposante collectie tuimelden om, een ingelijste aquarel van de stad Perugia, waar hij in de zomer van 1976 studeerde, viel op de grond.

Zijn vader was leraar klassieke talen, zijn moeder psychologe. Ze waren 48 en 42 toen hij in 1950 als hun enige kind werd geboren. Het gezin betrok een nette woning aan de Eindstraat te Venray, waar de vader aan het meisjesgymnasium was benoemd.
Meneer Van W. had het goed als kind. Hij sliep in een wieg met frambozenkleurige gordijntjes, kreeg een driewieler, een step en toen hij vijf werd een hond, die hij Waldie noemde. Met het kindermeisje, Nellie, ging hij naar het strand en naar de dierentuin.
Op school ging het uitstekend, meneer Van W. kwam op het lyceum. Vrienden maakte hij amper, liever zat hij thuis over een schrift gebogen. Van alles noteerde hij: de weersomstandigheden, voetbaluitslagen, wisselkoersen en allerlei historische weetjes die hij overnam uit naslagwerken.
In de zomervakantie maakte het gezin buitenlandse reizen, georganiseerd door een cultureel georiënteerd reisbureau. Meneer Van W. maakte aantekeningen in speciale vakantieschriften.
Tijdens de Duitsland-reis tekende hij op dat de Eifel vierhonderd miljoen jaar geleden nog een zee was en dat de oudste Autobahn, het traject Keulen-Bonn, in 1932 werd aangelegd.
De Italië-reis in 1965 voerde onder meer langs Sirmione, aanleiding voor een beschouwing over Catullus, die er werd geboren. In Spanje, het jaar daarop, bekeken ze het stierenvechten, na afloop dronk hij in een wijnkelder met pa en ma een glaasje sangria.
Nauwgezet hield meneer Van W. bij wat zijn ouders spendeerden. De Spanje-reis kostte in totaal 2173 gulden, inclusief de drie kommen tomatensoep die op de terugweg op station Breda werden geconsumeerd.
Medereizigers vielen ten prooi aan zijn noteerlust. In 1968 maakte een oudere vrouw met pijnlijke voet deel uit van het gezelschap dat door Bohemen reisde, net als een overspannen onderwijzer die afhaakte in Praag en een kale man die zichzelf erg grappig vond.

In 1970 was meneer Van W. twintig en oud genoeg om zonder zijn ouders op reis te gaan. Bij hetzelfde culturele reisbureau boekte hij een trip naar Scandinavië. In Jönköping, waar in 1844 de lucifer werd uitgevonden, bezocht hij het lucifermuseum.
Het jaar daarop reisde hij met een groep van vijfentwintig man door Zwitserland. In Montreux stuurde hij een ansichtkaart aan zijn ouders waarin stond dat zich onder de medereizigers helaas geen leeftijdgenote bevond, iets waar ze kennelijk op hoopten.
Tijdens de reizen in de daarop volgende jaren slaagde hij er wel in contact met meisjes te maken. Zo dineerde hij in Parijs met twee zusjes uit Noordwijkerhout, in Portugal lunchte hij met de reisleidster.
Relaties vloeiden er niet uit voort. Op kamers in Nijmegen, waar hij Germaanse taal en letterkunde studeerde en vervolgens Italiaans, kwam het er ook niet van. Medestudenten waren onder de indruk van zijn eruditie maar vonden hem kil in de omgang.
Alleen met zijn ouders, die ook graag op zichzelf waren, kon een oprechte band bestaan. Nauwgezet hield hij hen van zijn wederwaardigheden op de hoogte, toen hij zijn studie voortzette in Amsterdam schreef hij hen regelmatig een brief.
Omgekeerd gebeurde dat ook. Toen zijn ouders in de zomer van 1982 een reis naar Rome maakte en hij op de ouderlijke woning paste ontving hij meerdere kaarten. Papa heeft net de paus gezien, las hij. Op het Sint Pietersplein hadden ze zowat drie uur staan wachten, het was onmenselijk druk. Moeder maakte zich grote zorgen over de planten, die moest hij flink water blijven geven.

Meneer Van W. bleef maar studeren, in 1985 stond hij nog steeds aan de Universiteit van Amsterdam ingeschreven, zonder dat hij ooit zijn bul zou halen, daarvoor was zijn interessegebied te breed.
In zijn hoofd raakte alles verknoopt met elkaar. Na een tijdlang van toponymie in de ban te zijn geweest, in de universiteitsbibliotheek zocht hij als een bezetene naar de Gallo-Romeinse oorsprong van nederzettingsnamen, stak een fascinatie voor substraatwoorden van onbekende herkomst op.
Hij verdiepte zich in de exegese van Heracles en Christus, die overeenkomsten vertonen, en in de oorsprong van het alfabet. Alfa is aleph en aleph is os, noteerde hij in een van de vele de cahiers die hij thuis gerangschikt op onderwerp in stellingkasten bewaarde.
Etymologie leek hem het meest te fascineren, pagina’s schreef hij vol over de herkomst van woorden. Lang was hij bezig met een lemma over het woordje klif, waarvan de oorsprong in kleven en beklijven gezocht zou moeten worden.

Na het overlijden van zijn ouders, een zwaar verlies dat hem verder isoleerde, verkocht hij hun huis, waarmee hij de facto financieel onafhankelijk werd. De huur van het appartement aan de Nassaukade, dat hij in 1989 betrok, was laag, de noodzaak om een baan te zoeken leek nu geheel en al verdwenen.
Hij volgde geen colleges meer, was zijn eigen universiteit geworden. Wel bleef hij de mensa frequenteren, bijna elke dag gebruikte hij er de maaltijd. Het gerecht en de kosten ervan werden genoteerd in de agenda, waaruit valt op te maken dat hij een voorkeur had voor hachee en andijviestamppot met sukade-lap.
Op een dag ontmoette hij in de mensa een man die net zo leek te zijn als hij. Eindelijk iemand om een gesprek op niveau mee te voeren, geestdriftig spraken ze over de klassieke oudheid en het mimetisme van René Girard.
De man was radicaal in zijn opvattingen, de rest van de mensheid bestond uit klootjesvolk, hij lachte iedereen uit. Hij teerde op een familiekapitaal en beweerde arts te zijn, in werkelijkheid was hij een gesjeesd student, net als meneer Van W.
De vriend verdween even onverwacht als hij was verschenen, een kennis van hem die ook geregeld opdook in de mensa begreep er evenmin iets van. Het contact met deze kennis, die anders dan zij altijd had gewerkt voor de kost, werd ruw verbroken toen hij tijdens een etentje de verdwenen vriend een non-valeur noemde. Zonder iets te zeggen was meneer Van W. opgestaan en weggelopen.

In de laatste jaren van zijn leven ontwikkelde meneer Van W. een obsessie voor Venray, het stadje waar zijn gelukkige jeugd zich had afgespeeld. Hij abonneerde zich op het streekblad Peel en Maas, knipte artikelen uit die hij onderstreepte en van commentaar voorzag.
Hij verdiepte zich in het leven van Peter Dondercloot, een Venrayse schurk die in 1650 in de Lullsche Steeg, de tegenwoordige Stationstraat, in een houten kooi zou zijn tentoongesteld alvorens te worden geëxecuteerd.
Over Venray in de oorlog wist hij ook het een en ander. Hij rekende uit dat voor de restauratie van de zwaar beschadigde Grote Kerk meer dan een miljoen stenen waren gebruikt. In een van zijn schriften schreef hij dat op woensdag 2 mei 1968 het hoogste punt van de heropgebouwde toren werd bereikt.
Meneer Van W. ging nooit terug naar Venray, het jachtige Amsterdam hield hem in de ban. Er viel zoveel te noteren, eigenlijk kwam hij tijd te kort. Het buitenland trok hem niet langer, vakantie zou tot achterstanden leiden.

Hij leefde gezond, was vroeg uit de veren. Tijdens de dagelijkse wandeling maakte hij allerlei aantekeningen. Hij staarde naar gevels, beeldengroepen in timpanen fascineerden hem.
In zijn agenda noteerde hij elke dag het weer, aan het einde van het jaar berekende hij de gemiddelde temperatuur. Hij luisterde naar de radio, aan internet deed hij niet, en schreef dagelijks een samenvatting van het nieuws. Hij oordeelde nooit, het ging puur om registratie.
Op 15 mei 2010 vermeldde hij het overlijden van John Sheppard-Barron, uitvinder van de pinautomaat. Sheppard-Barron zou in bad hebben gezeten toen het revolutionaire idee hem te binnenschoot.
Meneer Van W. schreef ook op wat hij vanuit zijn raam op straat zag gebeuren. Op 14 januari 2017 vond om kwart over vier in de middag een spoedreparatie plaats aan de trambaan. Vlak daarna bracht handhaving een wielklem op een auto aan.
Twee weken later noteerde hij dat het precies elf jaar geleden was dat hij zijn televisietoestel, een Toshiba, had aangeschaft. Bij C&A kocht hij de volgende dag een winterjas en een grijze blazer, bij Bristol een paar schoenen.
De bovenbuurman, met wie hij wel eens een gesprekje voerde, emigreerde naar Frankrijk, het oudere echtpaar onder hem, vriendelijke mensen, verhuisde naar een aanleunwoning. De nieuwe buren, jonge mensen, kwamen geen kennis met hem maken, hij groette hen besmuikt.
Meneer Van W. was niet ziek, het laatste jaar ging hij niet naar de dokter. Het is vreemd dat hij zomaar overleed. De dood was natuurlijk, stelde de schouwarts vast. Wat over was van het lichaam is niet op sporen van het corona-virus onderzocht.
Op 6 april maakte hij zijn laatste aantekening, het ging over de Spaanse griep. Bekende slachtoffers waren Klimt, Apollinaire en Schiele. Na een spontane mutatie zou een kok uit Kansas die met varkensvlees werkte als eerste besmet zijn geraakt.

Op Sint Barbara laat ik op donderdagmiddag na het adagio uit Vivaldi’s cello concert en Flow My Tears van John Dowland de pavana lachrimae van Jan Pieterszoon Sweelinck voor meneer Van W. spelen. In zijn woning trof ik meerdere langspeelplaten met het werk van deze Amsterdamse componist.

Joris van Casteren.