Eenzame uitvaart #245, verslag

Beeldwit

Dit is een ellendig verhaal, ik vertel het niet graag.
Het gebeurt op een donderdagmiddag in september, omstreeks kwart voor twee. In de Gerard Doustraat, een gewilde straat met modieuze winkels in de Amsterdamse Pijp.
Een vrouw loopt op de stoep. Ze is 42, draagt een zwarte leren jas en een spijkerbroek. Ze heeft een tas in haar handen, ook zwart en van leer. Ze loopt richting het Gerard Douplein, de Ferdinand Bolstraat ligt achter haar.
Aan de achterzijde hangt iets uit haar broek, het lijkt op een bal. De bal is niet goed zichtbaar, haar jas is lang. De bal hangt aan een rode draad, heeft ze zelf niets in de gaten?
Ter hoogte van een kapperszaak komt de bal tussen haar benen. Ze struikelt en en gaat onderuit voor de inmiddels verhuisde boetiek met exclusieve dameskleding. Ze bloedt nu hevig, haar broek is doorweekt.

Een lossende vrachtwagen blokkeert de straat. Geduldig wacht een blond meisje op een scooter. Ze is op weg naar de kaaswinkel van haar oom, verderop in de straat.
Het nichtje van de kaasboer ziet de vrouw vallen. Ze zet de scooter op de standaard en rent erop af. De vrouw staat op, met hulp van twee toeristen. Ze leunt op een auto, de toeristen zien bleek. In de boetiek vragen ze om hulp.
Het nichtje van de kaasboer ontfermt zich over de vrouw, die kalm en helder is. Ze heeft geen pijn, ze ruikt naar bier. Het nichtje van de kaasboer belt een ambulance, de vrouw vindt het goed.
De 112-centralist vraagt wat het nichtje van de kaasboer ziet. Ze zegt dat er een bal uit de vrouw hangt, aan een elastische draad. Het lijkt wel horror, ze kan niet goed meer praten. De verkoopster van de boetiek komt naar buiten, neemt de telefoon van haar over.
De verkoopster kent de vrouw van gezicht, het is een verslaafde. De centralist vraagt of de vrouw zwanger is. De vrouw zegt van niet. De verkoopster vraagt zich af of de vrouw bolletjes heeft geslikt, bolletjes die eruit zijn gekomen.
Het nichtje van de kaasboer rent naar de overkant. Bij Thrill Grill vraagt ze om een glas water. Voor een vrouw waar van alles uithangt, zegt ze. De serveerster vult een glas, samen steken ze over.
De serveerster kent de vrouw ook, het is een zwerver. Soms geeft ze haar thee, de vrouw wil er heel veel suiker in. Eigenlijk mag ze niets geven van haar baas. Maar soms gaat haar zoontje mee naar het werk. Ze wil haar zoontje laten zien dat je lief moet zijn voor iedereen.

De vrouw staat met gespreide benen tegen de auto, de knieën wat gebogen. Er is een ambulance onderweg, ze horen de sirene. Het duurt lang, de straten zijn hier krap en vlug verstopt. De serveerster heeft een stoel van het terras gepakt, de vrouw is gaan zitten.
De bal ligt onder haar op de stoep, in een plas van bloed. De serveerster vraagt aan de vrouw wat er is gebeurd. De vrouw zegt dat ze wakker werd, ergens in een opvanghuis, en aandrang voelde. Al een poosje werd ze gekweld door wat haar een aambei leek. Ze is gaan persen op het toilet, trok haar broek omhoog en ging op weg.
Daar komt de ambulance, het nichtje van de kaasboer zet de scooter opzij. Twee broeders inspecteren de vrouw. Ze zijn streng, ze mag zich niet bewegen. De brancard komt tevoorschijn, de vrouw gaat er op, met bal en al.
In de ambulance doen de broeders nader onderzoek. Het nichtje van de kaasboer hoort een van hen zeggen dat de bal uit haar darmen afkomstig lijkt. Ziekenhuisopname is noodzakelijk.
Het nichtje van de kaasboer vraagt aan de vrouw of ze iemand moet bellen. Dat hoeft niet van de vrouw. Alleen in het ziekenhuis is vreselijk, het nichtje van de kaasboer vraagt of ze mee zal gaan. Ook dat hoeft niet.
De broeders vergeten de tas, de serveerster reikt hem aan. De tas is zwaar, er zitten blikken bier in en brieven van de gemeente. De ambulance rijdt de straat uit, het is bijna kwart voor drie.
Het nichtje van de kaasboer praat na met de verkoopster, ze huiveren. De serveerster van Thrill Grill vult een emmer met warm water en chloor. Ze reinigt de terrasstoel en schrobt de stoep tot het bloed is verdwenen.

In het ziekenhuis, OLVG Oost, wordt de bal onderzocht. Het is geen aambei maar een vruchtzak, de elastische draad een navelstreng. Het vlies wordt verwijderd, een gave baby komt tevoorschijn.
Het is een meisje, geboren met de helm op. Vroeger was dat een gunstig voorteken, beeldwit werd zo’n gelukskind genoemd. De beeldwit had profetische gaven, voorspoed viel haar ten deel.
Dit meisje heeft geen geluk, ze is dood geboren, na een zwangerschap van achtentwintig weken. Onder andere omstandigheden was haar kans op overleven groot, borelingen van vierentwintig weken zijn al levensvatbaar.
Terwijl de vrouw wordt opgelapt maakt een verloskundige met een stempelkussen afdrukken van handen en voeten van de baby, met een foto komen die in een gedenkboekje. De baby krijgt een mutsje op, wordt in een deken gewikkeld en opgebaard in een mandje.
De vrouw staat op uit het bed en gaat ervandoor. Tegen de verplegers zegt ze dat ze even iets moet ophalen, ze keert niet terug. Ze heeft het kind geen naam gegeven, het gedenkboekje blijft achter.
Ze zorgt niet voor aangifte van geboorte en overlijden, een wettelijke plicht. In de ambulance heeft ze een voorletter en een achternaam genoemd. Niemand weet of die kloppen, een zorgpas of identiteitsbewijs kon ze niet tonen. Ze gaf een adres op, het bleek niet te bestaan.

De baby ligt in het mandje in het mortuarium van het ziekenhuis. Na acht dagen belt een medewerker van die afdeling met Team Rampendienst, Uitvaarten en Pension (TRUP) van de gemeente Amsterdam.
De medewerker vertelt het achtentwintig weken oude meisje zonder naam. De wet schrijft voor dat na een zwangerschap van meer dan vierentwintig weken lijkbezorging moet plaatsvinden, ook als het een doodgeborene betreft. De gemeente hoort de uitvaart te regelen als niemand zich over het lijkje ontfermt.
TRUP-chef Bert Kiewik vindt dat de baby niet anoniem het graf in mag gaan. Hij schakelt rechercheur Ron Tesselaar in, die constateert dat de opgegeven naam voorkomt in de registers: een verslaafde vrouw, sinds een jaar of tien leeft ze op straat.
Ze is met politie in aanraking geweest, haar celmateriaal is opgeslagen. Er zijn geen antecedenten van voor 2008, naar verluidt woonde ze tot die tijd met iemand samen. Er ging iets mis toen die persoon overleed.

Om zeker te weten dat de vrouw de vrouw is en de baby haar baby moet DNA-onderzoek op het meisje worden uitgevoerd. Justitie neemt haar in beslag, ze wordt overgebracht naar het mortuarium van het VU Medisch Centrum waar zich koelcellen van de politie bevinden.
Een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) scheert haar van het hoofdje, neemt spierweefsel uit het bovenbeen. Twee weken later staat vast dat de vrouw inderdaad de vrouw is en de baby haar baby.
Justitie besluit de moeder niet op te sporen, juridisch is daar amper reden toe. Wel plaatst men in het politiesysteem een zogeheten aandachtvestiging achter haar naam: als agenten de vrouw aantreffen zullen ze haar het nummer van rechercheur Tesselaar geven. Hij kan haar vertellen wat er met de baby is gebeurd, dat het gedenkboekje voor haar wordt bewaard.
Agenten hebben de vrouw tot op heden niet aangetroffen. Iemand anders wel, het tweede nichtje van de kaasboer. De vrouw zat voor de verfwinkel, naast de inmiddels verhuisde boektiek waar ze ten val was gekomen.
Het was ongeveer een week na de bevalling, ze zat er met een man die net zo’n haveloze indruk maakte, zegt het tweede nichtje van de kaasboer. Zou deze man de vader zijn?

Woensdagmiddag 16 oktober. Een grijze Mercedes met zes deuren stopt op het voorplein van begraafplaats Sint Barbara. Op de bijrijdersstoel zit een mevrouw van het uitvaartcentrum, dragers zijn er niet.
De mevrouw heeft een kistje op haar schoot, op het deksel een witte knuffelbeer, vijf roze rozen en twee gerbera’s. Met het kistje loopt ze de kapel binnen. Waar gewoonlijk de baar voor volwassenen staat is een kleine tafel met een kleedje neergezet.
Het kistje staat op de tafel, drie kaarsen ernaast. TRUP-chef Kiewik is gekomen, met rechercheur Tesselaar en twee van zijn collega’s: een van hen maakt foto’s.
Van Schumanns Kinderszenen laat ik Träumerei spelen. De mevrouw van het uitvaartcentrum spreekt kort, ik lees mijn gedicht voor. Na Wiegenlied van Brahms, in de bewerking voor cello en piano, gaan we staan.
Het largo van Chopins cello sonata in G-mineur klinkt, de mevrouw pakt het kistje op. We volgen haar, het daglicht in, het voorplein over, naar een klein gat in de grond.

Joris van Casteren.

Gepost in Uncategorized