Eenzame uitvaart #244, verslag

Moeilijke voeten

Meneer K. woonde op drie hoog in de Gillis van Ledenberchstraat, niet ver van de houtzaagmolen. ‘Als er werd aangebeld deed hij echt niet zomaar open,’ zegt de benedenbuurvrouw. ‘Omdat hij altijd in z’n blote kont rondliep,’ verduidelijkt haar man.
Op een dinsdagochtend zit ik bij meneer K.’s benedenburen op de bank. Ze wonen op de begane grond, de televisie staat aan. Ze roken shag, een mollige hond hobbelt door de kamer.
Naturisme, stellen de echtelieden, was zijn lust en zijn leven. ‘Elke zomer reed hij naar Kroatië,’ zegt de buurman, en steekt nog maar eens op. ‘Daar zat hij dan drie, vier maanden in een caravan in zo’n naaktloperskamp,’ vult de buurvrouw aan.
Het hele jaar leefde meneer K. naar zijn vakantie toe. ‘Maanden tevoren was hij al bezig met z’n auto in orde te maken,’ zegt hij. ‘En allerlei dingen poetsen, klaarleggen en inpakken,’ zegt zij.

In 1995 betrokken ze de woning. De vorige bewoner waarschuwde hen voor meneer K., een grote, grijsharige man die graag anderen terechtwees. Hij woonde sinds 1977 op de bovenverdieping, altijd alleen.
‘Hij zag zichzelf als opperhoofd van het portiek,’ zegt de buurman. Toen hij op een keer zijn fiets in de gemeenschappelijke hal voor zijn eigen voordeur stalde kwam meneer K. direct protesteren. ‘Wat als er brand uitbreekt?’ riep hij.
De buurman zei dat de fiets geen gevaar opleverde voor meneer K. en de andere bewoners. ‘Want als er brand uitbreekt hoeft niemand hier langs, het is dus hooguit voor onszelf een gevaar.’ Die opmerking viel niet in goede aarde, toen de fiets er een volgende keer weer stond zette meneer K. hem buiten.

Toen zij er kwamen wonen was meneer K. net met pensioen gegaan, na een lang dienstverband bij het Kadaster. Het viel hen op dat de grote grijze man zich moeizaam voortbewoog. ‘Zijn voeten waren opgezwollen, ze pasten amper in zijn schoenen.’
Meneer K. hield er een regelmatig leefpatroon op na. ‘Als hij naar de vuilcontainer liep wisten wij dat het dinsdag twaalf uur was,’ zegt de buurvrouw. Elke vrijdag reed hij naar de supermarkt. ‘In zijn grote Opel, stipt om half elf.’
Als ze ’s avonds om half twaalf een rondje liepen met de hond zagen ze bij hem het licht uitgaan, ’s ochtends om zeven uur hoorden ze hem aan de achterzijde het slaapkamerraam openen.
Door de ervaring met de fiets hield de buurman het bij een besmuikt groeten. De buurvrouw deed wat meer moeite. ‘Want ik vond hem toch wel zielig met al zijn eenzaamheid.’
In het portiek knoopte ze soms een gesprekje met hem aan. Ze vernam dat zijn voeten als gevolg van suikerziekte waren gaan zwellen. Tijdens een volgende ontmoeting was meneer K. over het naturisme begonnen. Haar man vond het vrijpostig dat hij daar zomaar met haar over sprak.

Na een medische keuring bepaalde een arts dat meneer K. niet langer in de grote Opel mocht rijden, noodgedwongen schafte hij een kleiner voertuig aan. ‘Het was geen gezicht, hij paste er amper in,’ zegt de buurvrouw.
Met dat wagentje kon hij de snelweg niet op, meneer K. was er woedend over. ‘Alleen maar omdat ik een beetje suikerziekte heb,’ zei hij tegen haar. Het Kroatische nudistenkamp was onbereikbaar geworden, zijn caravan zag hij nooit meer terug.
Vanaf dat moment ging het hard achteruit. Op een vrijdag, ruim twee jaar geleden, zag de buurvrouw het wagentje om half elf ’s ochtends – het boodschappenmoment – nog in de straat staan. ‘Ik heb gelijk 112 gebeld.’
De centralist zag in het systeem dat meneer K. in het ziekenhuis lag. De volgende dag ging ze erheen, meneer K. was verbijsterd toen hij de buurvrouw naast zijn bed zag staan. ‘Hij zegt: wat kom jij hier nou doen?’
Ze weet niet precies meer wat meneer K. was overkomen. ‘Ik dacht iets van een beroerte, het was de dag ervoor op straat gebeurd.’ Meneer K. wilde naar huis. Dat mocht alleen van de artsen als er iemand was die boodschappen voor hem wilde doen.

Een jaar lang deed ze boodschappen voor meneer K. Voor ze met de zware tas naar boven kwam moest ze hem bellen. ‘Zodat hij genoeg tijd had om zich aan te kleden.’ Ze vond dat zijn woning er netjes uitzag, het meubilair leek uit de jaren vijftig te stammen.
Aan de muur hing een grote naaktfoto van meneer K., ze schrok ervan. ‘Hij had alleen zijn sandalen nog aan.’ Meneer K. vertelde dat de foto was gemaakt op het Kroatische naturisten-terrein. ‘Misschien had hij daar wel vrienden.’ Haar man vond het een onwenselijke situatie. ‘Ze hadden hem naar een verpleeghuis moeten sturen.’
Als ze de boodschappen had opgeborgen in de keuken wilde meneer K. graag nog even met haar praten. Ze vroeg wat hij de hele dag deed, hij zei dat hij voornamelijk achter de pc zat. Hij was geïnteresseerd in sterrenkunde, daar zocht hij van alles over op. ’s Avonds keek hij televisie, liefst naar The Incredible Dr. Pol, een programma van National Geographic.
Hij was in Almelo geboren, op 4 juni 1931, groeide op in Amsterdam. ‘In een kleine woning aan de Postjesweg.’ Zijn vader, een zeer strenge man, zou huisschilder zijn geweest.
Hij had een zus die na de oorlog naar Australië emigreerde. Tegen de buurvrouw zei hij dat hij blij was dat ze zover weg was. ‘Een pesthekel had hij aan haar.’ Zijn ouders waren in de oorlog uit elkaar gegaan, zijn vader hertrouwde. In Purmerend woont een halfbroer met wie meneer K. geen contacten onderhield.
Meneer K. is negen jaar getrouwd geweest, met een zekere Cornelia. Kinderen kregen ze niet, in 1971 scheidde zij van hem. Tegen de buurvrouw zei hij dat hij nog een poos verliefd was op een Spaanse. ‘Maar zij kreeg heimwee en is toen naar haar eigen land teruggegaan.’ In de jaren tachtig had hij twee Siamese katten en een paar kanariepieten.

Ze zag zijn voeten alsmaar groter worden. ‘Hij kon er amper nog op staan.’ Ze zei dat er thuiszorg bestond, die konden er allicht toch iets aan doen. Meneer K. wilde dat niet. ‘Niks geen onbekend mens bij mij in huis.’ Omdat hij niet meer naar de kapper kon knipte hij zelf zijn haar.
Hij zei tegen haar dat de bewoners van twee hoog het op hem hadden gemunt. ’s Nachts zouden ze expres vervelende geluiden maken, om hem gek te maken. ‘Dat komt ervan als je zo lang binnen zit,’ zegt de buurman. ‘Dan ga je dingen ervaren die er helemaal niet zijn.’

De buurvrouw vond het sneu dat meneer K. met de feestdagen ook helemaal alleen was. Om hem op te monteren schafte ze bij de Action een mini-kerstboom voor hem aan. Meneer K. was absoluut niet blij met het geschenk. ‘Ik kon het gelijk weer mee nemen, hij vond het allemaal maar katholieke onzin.’
Het raakte haar, de buurman vond het hoogst onfatsoenlijk. ‘Zo ga je toch niet met iemand om.’ Vlak daarna viel ze van haar fiets en brak haar pols. Op koele toon liet ze meneer K. weten dat ze voorlopig niets meer kon tillen.
Vanaf dat moment bestelde meneer K. zijn boodschappen bij Albert Heijn. ‘Elke vrijdag stopte er hier zo’n busje op de stoep,’ zegt de buurman. Aan de bezorger die voortaan naar boven liep gaf meneer K. zijn vuilniszak mee.
Maanden gingen voorbij. Ze zagen zijn licht aan en uitgaan, hoorden het slaapkamerraam. ‘Op die manier zijn we hem toch wel in de gaten blijven houden.’

Op een dag in september, hij zat al meer dan twee jaar binnen, belde een mevrouw van de thuiszorg bij hen aan. Ze zei dat meneer K. niet opendeed. Ze was ingeschakeld door de huisarts, die zich tenslotte ook was gaan afvragen hoe de 88-jarige patiënt zich op drie hoog in leven hield.
Ze gaven haar zijn telefoonnummer, waarschuwde voor het moeilijke karakter. De thuiszorgmevrouw is eenmaal bij meneer K. binnen geweest, dat vertelde ze een paar weken later, toen ze opnieuw op de stoep stond.
Meneer K. deed toen opnieuw niet open, nam zijn telefoon niet op. Een paar dagen eerder had de buurman zijn licht nog zien branden. Maar de buurvrouw had het raam die ochtend niet gehoord.
De thuiszorgmevrouw belde de politie, die riepen een man van de sleuteldienst op. Meneer K. lag in zijn bed. De arts denkt dat hij in zijn slaap is overleden.

Vrijdagmorgen half tien, het miezert op Sint Barbara. De benedenburen zijn niet gekomen. Toen ik afscheid van ze nam zeiden ze dat een eenzame uitvaart eigenlijk wel past bij meneer K.
Ik laat een nocturne van Chopin voor hem spelen, na het gedicht van Atte Jongstra een romance van Tsajkovski, gebaseerd op het gedicht ‘Nur wer die Sehnsucht kennt’ van Goethe. Op de finale van Richard Strauss’ Don Quichote (Sehr ruhig) tillen acht kraaien de kist met meneer K. naar buiten.

Joris van Casteren.

Gepost in Uncategorized