Eenzame uitvaart #243, verslag

Lavendelspray

Meneer R. zat dood op de bank, al een week of drie. Op 30 augustus betraden agenten zijn woning aan de Alfred Döblinstraat. Het lichaam ging mee voor onderzoek, door de staat waarin het verkeerde kon daar op de bank niet worden bepaald of de dood natuurlijk was.
Gebitsgegevens wezen uit dat het inderdaad meneer R. betrof, in het forensisch laboratorium stelde een schouwarts vast dat hij niet was omgebracht. Ondervoeding was de doodsoorzaak: meneer R. had te weinig gegeten.
De Alfred Döblinstraat ligt in Amsterdam-Zuidoost. Meneer R. is mijn vierde eenzame dode in dit stadsdeel, in minder dan een jaar tijd. Twee van hen, meneer B. en meneer D., werden ook pas na langere tijd in hun woning gevonden. De ander, de 24-jarige meneer N., sprong er van een flat.

Ik moet muziek uitkiezen voor meneer R., een dichter voor hem regelen. Ik vraag Eva Gerlach, die ook in Amsterdam-Zuidoost woont. Zij wil het een en ander weten over de dode, hoe kan ze anders een gedicht voor hem schrijven?
Gewoonlijk mag ik met de mensen van Team Rampendienst, Uitvaarten en Pension (TRUP) van de gemeente Amsterdam mee naar de woning. Zij speuren naar tegoeden en kostbaarheden, die er doorgaans niet zijn, om de uitvaartkosten te dekken waar de gemeente voor opdraait. Intussen doe ik een indruk op van de verdwenen bewoner.
Ditmaal zal TRUP niet naar de woning gaan, hoor ik van medewerker Ton van Bokhoven. Meneer R. had zijn financiën uitbesteed aan een bewindvoerder. Die heeft laten weten dat er precies genoeg geld op de rekening staat: meneer R. kan zijn begrafenis uit eigen zak betalen.

Op een formulier dat Van Bokhoven mij stuurt staat dat meneer R. op 31 juli 1954 in Montenegro is geboren, in het stadje Bijelo Polje. Met hulp van het Montenegrijnse consulaat is getracht familieleden op te sporen: niemand werd gevonden.
Op 13 september is het lichaam vrijgegeven. Van een rechercheur hoorde Van Bokhoven dat meneer R. wekelijks bezoek kreeg van iemand van Cordaan Thuiszorg. Van Bokhoven begrijpt daar niets van: dachten ze soms dat hij drie weken lang op die bank zat te slapen?
Ik bel met Cordaan, een wijkteamchef komt aan de lijn. Die zegt dat het ‘wel slordig’ is dat het zolang duurde voor hij werd aangetroffen, ze snapt ook niet hoe het kan. Ik word doorverbonden met collega Joëlle, die iets weet maar niet alles. Collega Sandra moet ik hebben, zij kwam er regelmatig.

Sandra vindt het vreselijk dat meneer R. drie weken dood op de bank heeft gezeten. Vorig jaar oktober kwam ze voor het eerst bij hem. Cordaan was door de huisarts ingeschakeld, van meneer R. hoefde er niemand te komen.
Van de huisarts moest dat wel. Meneer R. had longkanker, hij was uitbehandeld. Voedsel hield hij nauwelijks binnen, daarom at hij niet graag. Hij verzwakte en viel flauw, een paar keer gebeurde dat op straat.
Om die reden, zegt Sandra, wilde hij niet meer naar buiten. Voorheen maakte meneer R. graag lange fietstochten: op zijn Batavus reed hij door de polders, richting Weesp en Abcoude.
Na lang kloppen was de deur op de derde verdieping van de grijze portiekflat opengegaan. Sandra zag een boomlange man, enigszins iel. Goed gekleed en verzorgd, hij rook niet onfris.
Terwijl ze de opvallend schone woning inspecteerde liep hij achter haar aan. Het appartement was spaarzaam gemeubileerd. Behalve de bank zag ze alleen een bed, wat kastjes en een keuken. De vloer was kaal, er hing niets aan de muur. Afgezien van kleding en kookgerei leek meneer R. niet veel te bezitten.
Bij een volgend bezoek vertelde hij – zijn Nederlands was goed – dat hij bij KLM had gewerkt. Hij maakte deel uit van een bepaalde onderhoudsploeg, soms moest hij al om vijf uur ’s ochtends op.
Hij was ook getrouwd geweest, met een Nederlandse vrouw. Vanwege haar kwam hij naar Amsterdam. Ze kregen geen kinderen, begin jaren negentig zou ze zijn overleden.
In werkelijkheid lag het anders, valt op te maken uit het formulier dat Van Bokhoven mij stuurde. Aan het begin van de jaren negentig scheidde de vrouw van hem. Sandra denkt dat meneer R. dat liever verzweeg.

Mijnheer R. kookte zelf, boodschappen deed hij bij een supermarkt aan het Bijlmerplein. Tot hij – herfst vorig jaar – vanwege de flauwtes binnenbleef. De huisarts meldde hem aan bij een maaltijd-dienst voor senioren.
Eenmaal per week zette iemand van de maaltijd-dienst zeven ingevroren gerechten in zijn koelkast. Het viel haar op dat meneer R. de bakjes een paar dagen liet staan, om ze dan in één keer op te eten: het uitstellen van eten leidde tot plotselinge hongerdrift.
Sandra zei dat hij iets moest doen aan de maagpijn, de huisarts kon hem pijnstillers voorschrijven. Meneer R. wilde niets slikken, pijn deerde hem niet, hij was te trots om kleinzerig te zijn.
Ze was gesteld op hem en hij op haar. Ze kocht een scheerapparaat voor hem toen ze zag dat hij zich met zijn mesje had gesneden. Soms waren de bakjes op en kreeg hij opnieuw honger. Dan belde hij haar, meestal in het weekend, en liet ze een pizza bezorgen. Ze begreep niet waarom hij geen vrienden had, meneer R. was een lieve, zachtmoedige man.

Als ze aanbelde deed hij nooit meteen open, ze moest ook bellen op zijn telefoon. Altijd zat hij op de bank, starend naar niets. Hij las geen boek, keek geen tv, nooit klonk er muziek. Ze vroeg een keer naar Montenegro en zijn jeugd, meneer R. haalde zijn schouders op.
In het voorjaar vermagerde hij. Elke dinsdag, de dag waarop ze langskwam, leek hij dunner. Hij kleedde zich niet meer aan, ging nog slechts gehuld in hemd en onderbroek, zijn haar zat wild.
Ze begreep het niet, hij at toch goed, de koelkast was leeg. Tot ze op het balkon ging staan en naar beneden keek. Meneer R. vertelde dat een stem had gezegd dat hij de bakjes van het balkon moest gooien. Ze was boos, hij beloofde beterschap.
In juli ging ze met vakantie, een collega kwam. Meneer R. deed niet open, ook niet toen de collega belde op zijn telefoon. De huisarts werd ingeschakeld, die vertrouwde het niet en alarmeerde de politie.
Plotseling waren er agenten in zijn kamer, verbaasd stond meneer R. op van de bank. Hij leek in de war maar was duidelijk in leven. De agenten dropen af, na een korte reprimande.
Terug van vakantie belde Sandra weer aan. Geen gehoor, de telefoon van meneer R. stond nu ook uit. Dat was anders nooit, het baarde haar zorgen. Ze overlegde met de huisarts, die wilde niet direct weer politie inschakelen.
Het leek de huisarts beter om Mentrum erbij te betrekken, de geestelijke gezondheidszorg. Mentrum wilde best een ambulant team sturen maar alleen als meneer R. opendeed.
Zo ontstond een impasse. De huisarts vroeg of Sandra nog eens langs wilde gaan. Dat deed ze, hoewel haar leidinggevende vond dat dat in de nieuwe situatie feitelijk haar taak niet meer was.
Bij de deur trof ze de mensen van de maaltijd-dienst, die ook al een paar keer vergeefs hadden aangeklopt. In juli waren ze voor het laatst bij meneer R. binnen geweest, de bakjes van de week ervoor stonden toen nog in de koelkast.
De impasse werd op 30 augustus doorbroken, voor de tweede maal in korte tijd forceerden agenten de deur.

Op dinsdagmiddag loop ik met Eva Gerlach door de Alfred Döblinstraat. We zoeken de buurvrouw met wie meneer R. volgens Sandra af en toe sprak. Door een misverstand belandden we in het verkeerde portiek, waar we een bewoner treffen die denkt dat we mensen ronselen voor begrafenissen waar niemand bij aanwezig is.
Op het juiste adres vinden we de buurvrouw snel. Ze woont naast meneer R., op de derde verdieping. Het is vreselijk dat hij er niet meer is, toen ze hem vonden was zij met haar kinderen in Suriname.
In het portiek spraken ze soms, met Sint Maarten kocht hij snoep voor haar kinderen. Behalve de thuiszorgmevrouw en de maaltijdbezorger heeft ze nooit iemand bij hem naar binnen zien gaan.
Op een keer zei hij dat hij geen familie had, dat vond ze wel raar. ‘Dan ben je jarig en dan komt er niemand.’
Het huis is leeggehaald en gereinigd door de woningbouw, een nieuwe bewoner is er nog niet. Ze had de schoonmakers een bus lavendelspray van Glade overhandigd, of ze die in de woning wilden leegspuiten want het rook toen nog sterk.
Ze denkt dat de Batavus nog in de berging staat. De laatste keer dat meneer R. er op reed viel hij er in de buurt van Abcoude van af, met de ambulance brachten ze hem thuis. Hij zei toen tegen haar dat hij nooit meer zou fietsen.

Vrijdagochtend om tien uur wordt meneer R. op Sint Barbara begraven. In de aula leest Eva Gerlach haar gedicht voor, ik laat onder meer Toccata Arpeggiata van Johannes Hieronymus Kapsberger spelen, een zeventiende-eeuwse virtuoos van wie de vroege levenswandel onbekend is.
De eenvoudige kist is licht, er zijn maar vier dragers nodig voor wat ooit een kolossale man was. Als de kist zakt komt een trein komt voorbij, in de verte blaft een hond.

door Joris van Casteren.

Gepost in Uncategorized