Eenzame uitvaart #237, verslag

De verlatenheid zelf

Op de Zuider IJdijk liet een man op vrijdag 11 januari zijn hond uit, of eigenlijk liet de hond de man uit want het dier was niet aangelijnd en rende voortdurend weg van zijn baas, die er dan achteraan moest omdat het niet goed luisterde.
In de uiterwaard van het Zeeburgereiland, iets ten zuiden van de sluiswachterswoningen – biologen hebben er twee kikkerpoelen aangelegd, die op meteorietkraters lijken – verdween de hond in het riet.
Moeizaam hupte de man van basaltblok naar basaltblok, die wiebelen als losse kindertanden. Hij vond de hond terug met zijn snuit aan een koffer, door de onstuimige golfslag van het IJ-water – vrachtschepen varen hier het Amsterdam-Rijnkanaal in en uit – opgestuwd tot in de bramenstruiken, waar allerlei vuil in hing.
Het was een mooie koffer, een degelijke Samsonite. De man, geërgerd door dit oponthoud, trok de hond er vandaan, lijnde hem aan en liep naar huis: een zelfgetimmerd bouwsel dat deel uitmaakt van de bescheiden kunstenaarskolonie die hier een kwart eeuw geleden ontstond, pal naast de plek waar met de aanleg van de Piet Hunneltunnel werd begonnen.
In het zelfgetimmerde bouwsel, dat ook fungeert als atelier voor de merkwaardige schilderijen die de man produceert, belde hij met de politie. Die zouden iemand sturen. De man gaf aan dat hij door niemand benaderd wilde worden (ik kon slechts kort met hem spreken); hij leidt een stil bestaan en wil dat graag zou houden.

Een poosje later arriveerden aan de Zuider IJdijk twee agenten. Ze deden hun best maar konden de koffer niet vinden; de zuidkant van het Zeeburgereiland is ruig en uitgestrekt. De aanwijzingen van de man, die zijn telefoon niet meer opnam, waren niet concreet genoeg.
Acht dagen later, zaterdag 19 januari, liep de man opnieuw over de dijk met zijn hond. Wederom verdween het dier in het riet, waar de degelijke Samsonite nog altijd bleek te liggen.
Toevallig reed op dat moment een politiewagen over de smalle weg achter de dijk. De man stak zijn hand op en wees de juiste plaats aan. Meteen daarna was hij vertrokken.

De agenten trokken de koffer, die zwaar aanvoelde, onder de bramenstruiken vandaan. In het gras van de uiterwaard ritsten ze hem open, een kadaverlucht benam hen de adem.
Misschien was het een dood dier, dat hoopten ze tenminste. Agenten vinden wel vaker dode dieren, gedumpt door mensen die geen zin hebben om destructiekosten te betalen.
Doorgaans zullen ze daar geen dure Samsonite voor gebruiken, dus toen de koffer menselijke resten bleek te bevatten vonden de agenten, hoezeer de vondst hen ook deed sidderen, dat op een bepaalde manier ook wel weer logisch.
De hulpofficier kwam ter plaatse en liet de boel direct bevriezen: de Zuider IJdijk werd een plaats delict, boven de koffer kwam een witte tent te staan, in de lucht hing een helikopter.
Forensisch rechercheurs stelden vast dat de Samsonite een vrouwelijke romp bevatte: hoofd, armen en benen ontbraken. De romp droeg een rok, een doorschijnend hemd, een bh en een deel van een panty.
Vergeefs werd in het riet gezocht naar de ontbrekende lichaamsdelen. Duikers, een gespecialiseerd sonarteam uit Urk en een roedel speurhonden brachten evenmin iets aan het licht.

In het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Den Haag werd celmateriaal afgenomen zodat een DNA-profiel kon worden opgesteld. Dit profiel werd ingevoerd in de DNA-databank voor Vermiste Personen (DVP), wat geen match opleverde. Invoering van het profiel in de DNA-databank van Interpol had evenmin resultaat.
Uit het isotopenonderzoek bleek dat de vrouw – die blank moet zijn geweest, twintig tot zesendertig jaar oud en één meter zestig à één meter tachtig lang moet zijn geweest – vanaf december in Nederland verbleef.
Hoewel het hoofd ontbrak slaagden forensisch experts erin uit het celmateriaal af te leiden wat de kleur van haar ogen en haar zijn geweest: blauw en bruin; geen alledaagse combinatie.

Ruim twee maanden later, donderdag 28 maart, loop ik over de Zuider IJdijk. Het is een sombere dag met regen en harde wind. Boven het water hangt nevel, de stad aan de overkant is nauwelijks te zien.
De Zuider IJdijk werd aan het einde van de negentiende eeuw aangelegd, toen Amsterdam met een modderoverschot kampte: het Oostelijk Havengebied verrees, de bodem van ’t IJ moest flink worden uitgediept zodat grote schepen er konden komen.
De dijk – in ’t Buiten IJ, ter hoogte van Schellingwoude en Durgerdam – kreeg de vorm van een driehoek. Eenmaal gereed werd de driehoek, die ruim honderd hectare omvatte, met havenblubber volgestort. Een drassig land ontstond, pas na jaren kon je er op lopen.
Nescio deed dat, met de personages Bavink, Bekker en Hoyink uit zijn Titaantjes (1915). In het verhaal Buiten-IJ, een pendant van dat boek, roemt hij het uitzicht: Durgerdam met z’n kleine huisje in de verte, de toren van Ransdorp, de rook van stoomboten op de Zuiderzee.
Het kunstmatige eiland zelf is niets dan troosteloosheid: ‘Eenzaamheid kroop op uit ’t grasland buiten den dijk, tegen ’t oosten; aan ’t eind er van lag een poel met bruin riet aan de kanten; de verlatenheid zelf.’
De verlatenheid zelf diende een tijdje als militair terrein, in de oorlog was er een marinevliegveld gevestigd. Daarna kwam er een betoncentrale, een groothandel in bouwmaterialen en een rioolzuiveringsinstallatie, die zoveel stank verspreidde – ruikbaar tot in Diemen aan toe – dat hij na verloop van tijd weer werd gesloten.
Er kwamen dubieuze garages, onduidelijke loodsen en een parkeerterrein dat als afwerkplek fungeerde. Kermisexploitanten streken er neer, en een gepensioneerde circusartiest die in zijn woonwagen alligators en wurgslangen hield.
Ponyclub Jolly Jumper, een goedkope manege waar arme kinderen op uit het slachthuis geredde paarden konden rijden, vond er een onderkomen, net als smeeroliefabrikant Slurink en vuilophaalbedrijf Snelbak, dat het met milieuwetgeving niet zo nauw nam.
’s Zomers vonden er popconcerten plaats: in 1990 zongen Golden Earring en Loïs Lane er in de openlucht. Naast het oefenterrein van de brandweer, waar objecten in brand gestoken mochten worden.
Er werden bruggen over het Zeeburgereiland heen gebouwd, tunnels onderdoor gegraven. Er kwamen kruispunten, een snelwegafslag en een spoorbaan richting IJburg. Er is een woonwijk op verrezen, met de bouw van een tweede – de Sluisbuurt – wordt binnenkort begonnen.

Om half een arriveren de mensen met wie ik heb afgesproken: drie Amsterdamse rechercheurs en de medewerkers van het televisieprogramma Opsporing Verzocht. Met de rechercheurs loop ik het riet in.
Bij de vindplaats zie ik een tas liggen. ‘Die is leeg hoor,’ zegt een van de rechercheurs. De regisseur van Opsporing Verzocht vraagt of we uit het riet willen komen. ‘De figuranten zijn gearriveerd!’
Op de dijk stelt de regisseur ons aan de figuranten voor: twee mannen en een vrouw. De rechercheur zegt tegen de mannelijke figuranten dat zij de agenten moeten spelen. ‘En jij gaat in de koffer,’ zegt hij tegen de vrouwelijke figurant.
Ze kijkt geschrokken, de regisseur zegt dat het een grapje was. Niemand hoeft in de koffer, bovendien is zij een van de agenten; de tweede mannelijke figurant speelt de man met de hond.
Terwijl de twee in een politieauto de uniformen aantrekken vertelt de figurant die de man met de hond zal spelen dat hij via een castingbureau is ingehuurd. Hij heeft tot op heden voornamelijk in ‘commercials’ gespeeld, een keer mocht hij als figurant aantreden in Gestalkt, een programma van misdaadjournalist Alberto Stegeman. ‘Natuurlijk hoop ik op een doorbraak, elke acteur droomt daarvan.’

Als de opnames gaande zijn praat ik met de rechercheur die het grapje maakte; een wat oudere man. Boeven van nu zijn volgens hem heel anders dan boeven van vroeger. ‘Voor vijftienhonderd euro leggen ze tegenwoordig iemand om.’
Vroeger maakte een boef nog wel eens praatje. ‘Je kwam elkaar toch tegen, er was een vorm wederzijds respect.’ Zo’n zaak als dit – een in stukken gesneden vrouw – zou in het milieu van toen door niemand zijn getolereerd, terwijl de gemiddelde boef van nu er niet wakker van ligt.
Praten met agenten doen ze al helemaal niet meer. Laatst werd er een zijn verhoorkamer binnengebracht. ‘Ik vroeg of hij koffie wilde.’ Er kwam geen antwoord. ‘Zwijgrecht,’ riep de verdachte toen hij het nogmaals vroeg.

De regisseur van Opsporing Verzocht stelt mij ook een aantal vragen. Ik zeg dat deze eenzame uitvaart geen gewone eenzame uitvaart is, voor zover je van een gewone eenzame uitvaart kunt spreken.
Gewoonlijk heb je in ieder geval de naam van een overledene, en meestal ook het complete lichaam. Dat is nu niet het geval, wat behalve gruwelijk en misdadig vooral erg onwerkelijk is.

Donderdagmiddag 4 april, begraafplaats Sint Barbara. In de aula lees ik ‘Transferium Zeeburg’ voor, het gedicht dat ik schreef. Voor een tamelijk groot publiek, wat er bij een gewone eenzame uitvaart doorgaans niet is.
Er zijn rechercheurs, journalisten en belangstellenden, die in de uitzending van Opsporing Verzocht, afgelopen dinsdag, dag en tijdstip van de uitvaart konden vernemen, wat mij – ten onrechte, blijkt nu – voor een massale toeloop deed vrezen.
Ik laat Ravels Pavane pour une infante défunte afspelen, gevolgd door Hello Stranger van Barbara Lewis. Op het adagio van Pergolesi’s Sinfonia in F Major lopen we achter de baar aan naar buiten, het zonlicht in.
Aan het einde van de middenlaan slaan we niet rechtsaf, waar de eenzaam ter aarde bestelden liggen, maar linksaf, waar een speciaal veld is aangelegd voor onbekende doden.

Joris van Casteren.

Gepost in Uncategorized