Eenzame uitvaart #234, verslag

Eenzame uitvaart #234
maandag 15 oktober 2018, 9.30 uur
begraafplaats St. Barbara, Amsterdam

Bij de dood van Laurentiu Ilie N. (18-2-1994 – 28-9-2018)

Op zondag 14 oktober, een dag voor de begrafenis, ga ik naar de flat. Hij staat in Amsterdam-Zuidoost en heet Groeneveen. Aan de achterzijde is een grote lege plek, op 4 oktober 1992 stortte het vrachtvliegtuig van El Al er neer.
Laurentiu Ilie N. was nog niet eens geboren. Anderhalf jaar later kwam dat er pas van, op 18 februari 1994, in de Roemeense stad Sibiu, gelegen in de historische regio Transsylvanië.
Zo’n honderd kilometer ten westen van Sibiu ligt de plaats Hunedoara, waar de vrije school staat die hij bezocht. Wat zou het gedachtegoed van Rudolf Steiner hebben aangericht in zijn hersenpan? Deden ze er aan euritmie, en andere antroposofische malligheden?
Briljante cijfers haalde Laurentiu er niet, hij vertrok naar een technische school, vernoemd naar Anghel Saligny, een Roemeens ingenieur die in 1895 een zeer lange brug over de Donau ontwierp.
Vreemd genoeg blonk Laurentiu niet uit in de technische vakken, waar de hele opleiding juist om draaide. Uit zijn cijferlijst blijkt dat filologie zijn voorkeur genoot, het werd zelfs zijn specialisatie.

Als filoloog zou Laurentiu geen betrekking vinden, de vraag is of hij überhaupt ooit op reguliere wijze aan het werk is geweest. Vaststaat dat hij schulden maakte, verschillende Roemeense instanties eisen geld van hem.
Misschien nam hij om die reden de wijk naar het buitenland. In het voorjaar van 2016 liet hij zich in Nederland bij de Kamer van Koophandel inschrijven als bestuurder van Duik- en Zwemsportcentrum DSD bv, gevestigd in Alphen aan den Rijn.
Deze club bestond slechts op papier, er is nooit iemand lid van geweest. Het is de vraag of de watersport hem werkelijk fascineerde, misschien was DSD bv slechts een dekmantel voor schimmige zaakjes. In november 2017 zat Laurentiu in de gevangenis, voor een vergrijp dat ik niet heb kunnen achterhalen.

De flat heeft tien verdiepingen. Ik weet bij welke voordeur ik moet zijn. ‘Ter hoogte van huisnummer 257,’ meldt het summiere ambtsbericht dat mij een paar dagen eerder is toegestuurd.
Ik sta er nog niet of de voordeur gaat open: een Surinaams meisje met haar vriend. Zeker, ze weten ervan. Het was op vrijdagochtend 28 september, ze had de hond uitgelaten en maakte de voordeur open, toen er een paar meter achter haar iets op de stoep viel.
‘Ik dacht dat iemand een vuilniszak naar beneden gooide,’ zegt ze. Vroeger gebeurde dat wel vaker, tegenwoordig niet meer. Ze wilde boos iets roepen toen ze zag dat de vuilniszak een mens was.
Twee omstanders snelden erop af en belden 112. Zij ging met de hond naar binnen en is nog steeds niet van de schrik bekomen. Haar vriend zegt dat hij Laurentiu vaker in de flat heeft gezien. Ze denken dat hij van de zevende verdieping naar beneden is gesprongen, dat hoorden ze achteraf van iemand.
Het is – overigens – duidelijk dát Laurentiu is gesprongen, en niet gevallen. Hij heeft flink moeten afzetten om op straat te belanden, bij een val zou hij op het stukje platte dak van de parterre terecht zijn gekomen.

Ik neem de lift naar de zevende. Om op de galerij te komen moet je opnieuw een afgesloten deur door. Ik druk op de bel van nummer 295, de eerste woning na de deur. Mevrouw Mubashar en haar zoon doen voor mij open.
Als Laurentiu van de zevende verdieping naar beneden is gesprongen moet dat hier zijn gebeurd, pal voor haar woning. Mevrouw Mubashar zegt dat het niet op haar verdieping kan zijn gebeurd, dan had ze het gezien. ‘Ik was die ochtend thuis, ik had het zeker opgemerkt als er hier iemand voor het raam had gestaan.’
Haar zoon kende Laurentiu van gezicht, hij zag hem wel eens in de lift. ‘Hij stapte nooit met ons uit, volgens mij ging hij hoger.’ Waarschijnlijk huurde hij een kamer op de achtste, illegale onderhuur zou vaker voorkomen op die verdieping.
Recht boven mevrouw Mubashar en haar zoon woont meneer Evorh, een oudere Ghanese man. ‘Dit is waarschijnlijk de fatsoenlijkste verdieping van de flat,’ zegt meneer Evorh. ‘Er wordt hier absoluut niet onderverhuurd.’
Hij klopt bij zijn buurman aan, meneer Asenso, die net als hij al in de flat woonde toen het vrachtvliegtuig van El Al neerstortte. ‘Het was net een aardbeving,’ zegt meneer Asenso, die een boek las toen het gebeurde.

Meneer Evorh en meneer Asenso hebben gehoord van de fatale sprong, maar Laurentiu woonde niet op hun verdieping. Ze kennen de andere twee huurders op de galerij en daar woonde geen Roemeen bij in. Ze denken dat het op de tiende is geweest. ‘Daar loopt allerlei vreemd volk rond, u moet er zelf maar eens gaan kijken.’
Op de tiende verdieping is het uitzicht indrukwekkend: Diemerweide, energiecentrale, Markermeer. Beneden rijdt metro 53 als een speelgoedtrein voorbij. In het rek naast de ondergrondse vuilcontainers staat een roze kinderfiets.
Een jongen op de tiende zegt dat het op de negende geweest moet zijn, onderhuur is op deze galerij een onbekend verschijnsel. Op de negende laat een Senegalese dame mij binnen. Ze is haar fornuis aan het poetsen, ik krijg een natte hand.
Van de week was ze bij haar dokter, die vertelde dat een collega, toevallig in de buurt, tevergeefs eerste hulp verleende. Van die collega had de dokter gehoord dat Laurentiu van de zesde naar beneden is gekomen.
Op de zesde doet niemand open. Ik druk alle vier de bellen twee keer in. Plotseling alsnog een stem: een Marokkaanse mevrouw die erg ziek is en verder niet wil praten.

Op de zesde verdieping ben je ongeveer zo hoog als de boomtoppen. De blaadjes vergelen, twee weken geleden waren ze met meer. De klinkers zijn donker op de plek waar Laurentiu landde.
Het was helder weer die ochtend, een graad of vijftien. Misschien zag hij de meeuwen die ik nu zie. Misschien wapperde er toen ook wasgoed op de balkons van Kleiburg.
De agenten wisten niet wie er lag, de dode had geen paspoort op zak, geen enkel document waar zijn naam uit kon blijken. Ze duwden zijn dode vinger op een plaatje, de afdruk werd herkend; vanwege zijn detentie zat Laurentiu in het systeem. ‘Geen vaste woon- of verblijfplaats,’ meldde het systeem.
Het telefoonnummer van zijn moeder kon worden achterhaald. Vader, broers, zussen, familie, vrienden? Onbekend.
Laurentiu’s moeder woont in Italië. De dood van haar zoon laat haar koud, ze wil niets hem te maken hebben. Dat is ongeveer wat de Amsterdamse rechercheur die haar belde kreeg te horen.

Op een eiland in de waterplas achter de metrobaan staat een kolossale sculptuur. Ik neem de lift naar beneden en loop er naartoe. Ma Aisa, Moeder Aarde heet het, Chaim Oren is de maker.
Ma Aisa, een prominente godheid binnen de winti-cultuur, heeft ferme borsten en een flinke kont. Ze draagt een witte jurk met gekleurde stippen. ‘De bollen op de jurk van de Surinaamse Moeder Aarde zijn de Grote en de Kleine Beer,’ lees ik op een door meeuwendrek aangetast informatiebord. ‘Zij symboliseren de verbinding tussen hemel en aarde.’
Als Laurentiu nog iets heeft gezien hoop ik dat het de Surinaamse Moeder Aarde is geweest, en anders dat de Surinaamse Moeder Aarde hem in ieder geval nog zag.

Op maandagochtend 15 oktober kom ik door een stompzinnig misverstand wat later dan de bedoeling is aan op begraafplaats Sint Barbara. De kist met Laurentiu is al binnen. ‘Jij was veel te vroeg, ik een klein beetje laat,’ prevel ik bij wijze van excuus.
Dit is mijn eerste eenzame uitvaart, het spijt me, Frank, het zal niet weer gebeuren. Voor Laurentiu heb ik een fragment uit de eerste cellosonate van George Enescu (1881-1955) gekozen, het molto andante.
Laurentiu kende Enescu, want elke Roemeen schijnt te weten wie hij is. Pianist is Nicolae Licaret, die er ook vermaard schijnt te zijn. De piano klinkt als een hartslag, de cello lijkt iemand die zeer mooi huilt.
John Frusciante zingt en speelt daarop The Will to Death, dat leek me wel geschikt. ‘Have you put them aside? Your crazy thoughts, and dreams. No, they are a part of me.’
Dichter van dienst Tsjead Bruinja leest een vers voor dat er niet om liegt. Hurt van Johnny Cash klinkt nog als de kraaien buigen. Ik loop achter hen en de rolbaar aan, met Laurentiu mee naar buiten; waar we de klokken in de kapel horen luiden.
Het is nog best een eindje lopen naar het graf. Daar staan we dan, aan de rand van een kuil: vier kraaien, een dichter van dienst, de mevrouw van Uitvaartcentrum Zuid en ik. We kijken naar de kist, die op een pneumatische lift is geplaatst.
De mevrouw van Uitvaartcentrum Zuid vraagt of iemand nog iets zeggen wil. Ik vertel dat ik naar de flat ben geweest, dat ik nog steeds niet weet of hij er woonde. Ik vertel dat ik de Surinaamse Moeder Aarde heb gezien, net als hij, misschien. Omdat zijn echte moeder er niet is zal zij over hem waken.

Joris van Casteren.

*
(Verslagen van eenzame uitvaarten worden in opdracht van Stichting De Eenzame Uitvaart geschreven en vallen buiten de verantwoordelijk- en aansprakelijkheid van de aangesloten gemeenten)

Gepost in Uncategorized