Eenzame uitvaart #22

EENZAME UITVAART NUMMER 22

IM: de heer P. W., geboren op 6 mei 1929 te Den Haag, gevonden in zijn woning in de Valkenburgerstraat in Amsterdam op 5 maart 2004

donderdag 11 maart 2004,  14.30 uur, uitvaartcentrum Westgaarde,

dichter van dienst: Eva Gerlach

Hoe lang de heer W. in zijn woning heeft gelegen is niet bekend, volgens Ger Fritz is de toestand van het stoffelijke overschot zodanig dat het niet raadzaam is de kist te openen, wat weer niet hoeft te betekenen dat hij heel lang dood in zijn woning heeft gelegen: temperatuur in de woning, eventueel medicijngebruik.

De heer W. is driemaal gehuwd geweest, hij heeft één dochter, waarmee hij al tientallen jaren geen contact meer heeft gehad, de dienst heeft contact met de dochter opgenomen en zij zal wellicht op de uitvaart komen.

Meneer W. heeft blijkens zijn paspoort nogal wat over de aardbol gezworven, reizen naar onder andere Indonesië en de Filippijnen; waaruit Ger Fritz concludeerde dat hij op zoek was naar rust die hij nooit heeft gevonden.

Op donderdag 11 maart wordt meneer W. gecremeerd. In zijn woning werd een polis bij een uitvaartvereniging aangetroffen waarin de crematie geregeld is.

De uitvaart zal plaatsvinden in afwezigheid van de heer Starik, die die middag moet optreden op een middelbare school te Den Haag. Aan mij, Eva Gerlach, het verzoek om naast het gedicht een klein verslag van haar bevindingen ter plekke met het gedicht mee te zenden.

Denkend aan de dochter van meneer W. en aan de merkwaardige omstandigheid dat in 1998 de crematie van mijn vader, die ik op dat moment 24 jaar niet had gezien, plaatsvond in exact datzelfde Westgaarde, waar verder geen voetstappen van mij liggen, merk ik dat het volgende gedicht ontstaat:

 

Gedicht bij het vertrek van een onmogelijke vader

 

Wat ik je zou willen vragen, met name dus, ga niet,

er zijn daar dingen waar je niks van weet,

van die dunne, gewolkte, gevorkte,

de vrouw met het gat in haar rug is daar en de man

van lucht met het bloedende hoofd

dat hij op een dienblaadje meedraagt,

 

ik vind het geen omgeving voor je daar.

Ik spreek niet over gevaren ik denk alleen dat je

het niet zult redden. Nu ja een dag

dat zou nog gaan maar blijf niet overnachten,

voor donker weg en reis veilig, niet fietsen niet lopen

geen o.v. (in de raampjes zie je je ergste gedachten),

 

ik rij je er wel gewoon heen. Ik blijf gewoon wachten

bij de grens tot je terug bent, een ochtend,

een deel van de middag misschien. Dat we ergens wat eten

met zicht op de bergen (besneeuwd)

 

en niet zingen. Dat je dan stilzit

zoals je me zelf hebt geleerd en ik doe de bestelling

en ik betaal en we rijden

samen naar huis, de zon begint weg te raken

achter de bergen met wintersport en gedachten,

we praten over reële zaken, het bakken

van kleine visjes, niet over vroeger of zo;

 

en niet zingen. Is dat geen idee? Nee. Ga dan maar, ga

snel en voor altijd, ik wil er niet bij zijn, ik kan je

toch al niks vergeven. Het is nu maar beter

dat je gaat. Meteen graag. Alleen.

 

Op de halte van lijn 23 maak ik kennis met P., die na enige strategisch geplaatste vragen concludeert dat ik ook naar de uitvaart van meneer W. moet en mij vervolgens een klein half uur behoedt voor verdwalen. In de bus verhaalt hij mij één en ander over het leven van zijn minder mensvriendelijke kennis uit café De O. (‘Ik ben hier voor zijn dochter, dat ze weet hoe het was. Voor hemzelf zou ik denkelijk nooit …’). Ook maakt hij mij deelgenoot  van zijn verwachting dat er nog wel meer volk zal zijn uit De O., waar W. tot zijn dood twee middagen per week kwam.

Over zijn zeemansbestaan en de daarmee samenhangende wereldreizen kon hij goed vertellen, wel altijd hetzelfde maar dat is geen punt in de O. Wij stappen uit bij Westgaarde, dat, juist zoals ik het mij herinner, een volstrekt onoverwinlijke indruk maakt; hoogglanzend en tot in detail rolstoelvriendelijk zit het in zijn strak onderhouden park als een tycoon in zijn kantoorstoel. Via een zindelijke vijver met vliegklaar bronzen naakt komen wij waar mij moeten zijn: bij Ger Fritz, die ons met twee medewerkers van de Dienst verwelkomt. Hij wijst op de rest van het gezelschap, wat verder naar binnen. Vier heren en twee dames, waarvan één in tranen, P. stapt haastig naar haar toe. Ik wend mij aarzelend tot Fritz: hoezo Eenzame Uitvaart? Kan ik niet beter vertrekken voor ik mijn werkstukje aan deze zoveel nabijeren opdring? Wilt u dat voor mij vragen, meneer Fritz?

Hij begeeft zich naar de vriendenkring en ik volg hem beleefdheidshalve en herhaal mijn verzoek, maar nee, men heeft geen bezwaar, met stelt het zeer op prijs dat de gemeente… Niet de dochter is het die aldoor zo huilt, maar W.’s derde ex, begrijp ik; de dochter (35) komt niet. De uitvaartleider (jacquet, hoge hoed) vraagt wat er gespeeld moet worden en of men de voorkeur geeft aan orgel of piano: levende muziek hier op Westgaarde. ‘Hij hield van Mozart,’ aarzelt iemand, waarna wij de aula mogen betreden. Als wij zitten, klinkt Eine kleine Nachtmusik en vervolgens spreekt de barkeeper van De O. Over eenzaamheid heeft hij het, en over de warmte van vriendschap: ‘We zullen je missen’ – de tranen worden luid. Andante uit de Sonata alla Turca, vervolgens gedicht en herken ik nu het Andante uit de Sonata facile? Vooral het laatste stuk, wat het ook zij, wordt door pianist Bleekemolen zowel technisch als gevoelsmatig fraai vertolkt.

We mogen om de kist heen (men geeft de dode een aai of schouderklopje) en krijgen in een aangrenzend vertrek koffie met twee soorten cake. Goede gesprekken, want de barkeeper van De O. heeft een boek gepubliceerd over het onderwerp Doodgaan in Nederland en memoreert op droge toon een aantal van de ergernissen die hem tijdens het schrijven niet zelden te veel werden. Het maakt de tongen los, het tweede kopje is op voor men het weet. Jassen aan en nog even naar het café – ik mag ook mee, hoor ik op de halte. Helaas, ik heb al een afspraak. Thuis besef ik, als ik het proeflokaal opzoek in De Telefoongids, dat ik op of omstreeks dit adres nog als kleuter bij mijn lang overleden grootmoeder heb gelogeerd. Een kleine wereld de tijd, nogal dichtbevolkt ook; dood mag wat Donne zei: creperen.