EENZAME UITVAART NUMMER 20
I.M. N.N., meisje
Maandag 16 februari 2004, 10:00 uur, begraafplaats St. Barbara
Dichter van dienst: Simon Vinkenoog
Op 2 februari 2004 kwam in het Academisch Medisch Centrum een levenloos meisje ter wereld, een kindje, dood geboren. De moeder heeft kort na de bevalling het ziekenhuis verlaten. De ouders hebben sindsdien niets van zich laten horen.
De Dienst heeft diverse malen vergeefs geprobeerd om de ouders te bereiken. Dan treedt onherroepelijk het administratieve circus in werking dat voor het nooit geleefde kind een naam verzint, bij de Burgerlijke Stand als geboren en gestorven opgeeft, en moet ook deze mogelijke mens ten laatste ten grave worden gedragen.
Een koude, grijze februarimorgen. Meneer Degenkamp staat al voor de aula geposteerd, in gezelschap van de uitvaartleidster en Pieter Verbeek van de Dienst. De uitvaartleidster heeft een cd van Dikkertje Dap in haar handen. Pieter Verbeek heeft Eric Claptons Tears in Heaven meegenomen. Een cd van Enya. Na ampele overweging wordt Dikkertje Dap uit de roulatie genomen. We houden het klein, vandaag, vindt hij: twee muziekstukken zijn genoeg.
Daar is Simon Vinkenoog, als altijd in gezelschap van Edith Rignalda. De uitvaartleidster vertelt van een Oostenrijkse moeder, een Nederlandse vader, uit het verslaafdencircuit. Van hun verdriet weten we niets, van hoe zij deze morgen zullen ontwaken, na negen maanden zwangerschap, heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees, tussen angst en verwachting.
We wachten tot na tienen. Niemand.
Dan treden we de aula binnen, waar op een klein verhoog het hartverscheurend kleine kistje staat. Het doorgaans karige bloemstuk dekt zowat het hele kistje af, zo klein. Er is geen baar, er zijn geen dragers nodig. De uitvaartleidster zal het kistje zelf ten grave dragen.
Dan klinkt Eric Clapton door de aula. Meneer Degenkamp heeft de muziek heel hard gezet, veel harder dan gebruikelijk. Would you know my name…schalt het door de hol klinkende ruimte. Kennelijk hebben we hier met een unplugged versie van het lied van doen, want als het afgelopen is dondert het applaus door de aula, en hoor je Eric Clapton een bescheiden thank you zeggen.
Dan treedt Simon langzaam naar voren, aarzelend loopt hij op het kistje af, waaromheen in een halve cirkel zes kaarsen staan geschaard, waar de grote mensen het met een viertal in carré opgestelde lichtpuntjes moeten stellen. “In Memoriam”, begint hij, en noemt haar naam, die ik hier in het verslag niet noemen zal, omdat ze haar naam zelf nooit heeft gedragen.
In Memoriam
dood geboren
je hebt de drempel niet
overschreden je ogen
hoeven niet open
geen eerste passen
leerplicht verliefdheid
spelen werken
leven sterven
je hoeft de toekomst niet te erven
je hebt geen weet van lachen en huilen
geen ouderlijk dak om onder te schuilen
niets te weten of te verwerven
geen toekomst of verleden
een lege plek in het heden
(pijn verdriet eenzaamheid
rondreis van alles naar niets
van voorspel tot eindspel)
jij, doodgeboren kind
brengt een storm van ontzag teweeg
wat is het dat is en niet leeft
een lijf zonder ziel zonder geest
geen embryo geen mens
o, mysterie dat ons omgeeft
hoe alles leeft en ons overleeft
van zand en gras wortel, boom vuur en as
het water dat lokt de wolk die zomaar oplost
de wind die wervelt en draait de stemmen nieuw en vertrouwd
van mensen dieren dingen miljoenen andere namen
verdronken verzonken vergane culturen diepe oceanen
rivieren vulkanen regenwouden zon maan sterren en planeten
vergeten nooit geweten
dit alles, jij o doodgeboren kind ons mee te geven:
hoe kostbaar dit leven dit weven van woorden in het ongehoorde
hoe al wat geschiedt zo vol van betekenis is…
Dat je ruste in vrede, dat je ruste in vrede…
Als de dichter is uitgesproken blijft hij nog enige ogenblikken in zijn karakteristieke, licht gebogen houding staan, buigt dan naar het kleine kistje, en loopt achterwaarts terug naar zijn plaats, alsof de film wordt teruggedraaid. Enya zet in; een soort van Gregoriaanse popmuziek met overdadige synthesizerviolen, per ongeluk toch nog gevolgd door een derde muziekstuk, omdat meneer Degenkamp dat zo gewend is, iets met een piano, dat altijd wel klaarligt. Zijn vergissing bemerkend, draait hij de muziek zacht, en weer harder, komt dan tevoorschijn van achter het gordijn.
De uitvaartleidster treedt naar voren. Ze trekt witte handschoenen aan. We gaan allemaal rechtop staan. Dan neemt ze het kleine kistje in haar handen en draagt het plechtig voor zich uit, naar buiten. Daar gaan we, naar het engelenhoekje, zoals de kleine afdeling op St Barbara waar de kinderen begraven worden, wordt genoemd. Het kistje wordt op twee dwarsbalkjes geplaatst, waaroverheen een soort laddertje is gelegd, met twee uitsparingen voor de touwen, waarmee meneer Degenkamp het kistje dan in het grafje laat zakken, met laddertje en al. Dat moet er straks weer uit, dat laddertje. We staan wat schutterig bijeen. De klok luidt en luidt maar. Gaat die klok ook nog eens uit? vraagt de uitvaartleidster tenslotte. Ik kan hem wel afzetten, zegt meneer Degenkamp, en haast zich terug in de richting van de aula. We volgen hem.
En dan is er koffie, zijn er de complimenten voor het gedicht. De storm van ontzag, daar komen we op terug. En Simon vertelt van zijn reis naar de Mayacultuur, van hoe lang geleden, al die mensen, die hebben geleefd en gebouwd, en van hoe die gebouwen overwoekerd werden door het regenwoud, en hoe we zelfs vergeten zijn waartoe de bouwsels dienden en hoe hij dacht aan deze mens, die nooit zal hebben geleefd, en niets zal bouwen. We nemen afscheid met veel handenschudden. Langzaam fiets ik terug naar huis. Is het de kou die mijn ogen doet tranen? Bij de bakker haal ik een half gesneden Andesbrood.
F. Starik