EENZAME UITVAART NUMMER 15
IM de heer G. van L., 10 mei 1942, Amsterdam – 12 november 2003, Louweshoek, Amsterdam
maandag 24 november 2003, 10 uur, begraafplaats Westgaarde.
Dichter van Dienst: Neeltje Maria Min.
Het heeft de hele nacht geregend, maar als het deze ochtend tijd wordt om te vertrekken is het droog. Hard fietsend bereikt men Osdorp vanuit het centrum in drie kwartier. Hijgend maar toonbaar bereik ik Westgaarde. Ons gezelschap bestaat uit vier mensen: er is een nieuwe mevrouw van de Sociale Dienst, Tineke Pomp, juist een week in dienst getreden. Als dit een crematie was, dan mocht deze begrafenis haar vuurdoop heten. De heer Pieter Verbeek, een vriendelijke veertiger, hebben we eerder ontmoet.
En daar komt Neeltje Maria Min uit de wachtruimte aan gelopen. Ik was veel te vroeg, verklaart ze, maar je mag het risico niet nemen. Min woont in het Noord-Hollandse dorpje Koedijk en reist met bus, trein en bus. Ze heeft haar reis zonder enige vertraging volbracht. En als je op vertraging rekent, valt het bijna tegen: dan moet je, bijtijds aangekomen, heel lang wachten. In stilte prijzen we haar plichtsgevoel: vanmorgen bij zevenen reeds vertrokken. Wat wist zij nu van meneer Van L.?
Via de telefoon heb ik de aan mij verstrekte gegevens aan haar doorgegeven: geboren 10 mei 1942 , overleden in het Slotervaartziekenhuis op 12 november 2003. Zijn vader kwam uit Groningen, zijn moeder uit Steenwijkerwold. Hij was enig kind, beide ouders lang geleden overleden. Nooit getrouwd geweest, geen kinderen bekend. Zo wordt dat genoemd. Welk beroep hij uitoefende, of hij ooit gewerkt heeft, weten het niet. Of hij hobby’s had. Hij zal toch niet zijn hele leven in het ziekenhuis hebben doorgebracht. Neel hoorde ooit iemand op de televisie zeggen: ‘mijn naam is Wil de Jong en ik wil graag anoniem blijven’.
Westgaarde is druk: tegelijk met onze kleine uitvaart is er in een andere ruimte een veel drukker bezochte uitvaart gepland. Je ziet ze denken, de gelukkige rouwenden: die heeft zich ook niet populair gemaakt. En nu is het te laat om je nog populair te maken. In onze aula speelt de vaste pianist van Westgaarde ‘live’ op de piano. Het klinkt prettig, licht galmend door de gezien ons kleine gezelschap wel erg ruim bemeten zaal. De kist staat voor een groot abstract schilderwerk, zwart, met donkergroene vegen, hier en daar een rode stip, naar het centrum toe iets lichter. Als de piano langzaam uitklinkt, stapt Neel naar voren, en zegt met zachte stem, nauwkeurig formulerend, haar gedicht:
*
10 mei 1942…………………………………………………………………….…………12 November 2003
Ter wereld gekomen……………………………………….…………………….……….Ter aarde besteld
Een stippellijn van eenenzestig jaar
verbindt die beide data met elkaar.
Elk puntje een onleesbaar levensteken.
Gegevens ontbreken. Summier
komt zijn historie hier op neer:
Een oorlogkind wordt man
en overleeft zijn ouders.
Een kaal verhaal dat het geheim bewaart
van wie erin ligt opgebaard.
De pianist hervat zijn arbeid. Als de deur opengaat, betreden drie dragers de zaal. De kleine schrale met het ronde brilletje en de dunne nek is erbij, een smartelijke uitdrukking op zijn gelaat, het hoofd immer de aarde toegenegen, waardoor de nek nog beter uitkomt. Er is geen overhemd te vinden dat de nek omsluit. De uitvaartleider nodigt ons uit om te volgen en wordt dan zelf de vierde drager. Een lange wandeling voert ons naar een goedkope uithoek achter op de begraafplaats. Als altijd wachten we op het gereedmaken van de kist. Dat duurt langer dan gebruikelijk. Men heeft zichtbaar moeite om de kist op de juiste plek te manoeuvreren. Maar dan mogen we komen, ik tel tot zesentwintig. De kist verdwijnt diep in de aarde, heel diep. We werpen ieder een forse schep zand. Dan gaan we terug in de richting waarvandaan we kwamen. De uitvaartleider, die werkelijk overal voor inzetbaar blijkt, komt ons een piepklein kopje koffie brengen. Alsof de kopjes afkomstig zijn uit een poppenservies. Mooi, vindt mevrouw Pomp, dat je onder werktijd naar muziek mag luisteren; lekker zitten, en ook een gedicht.
Neel vraagt zich af of het nu elke keer dezelfde kist is, een standaardmodel, van bleek fineer, met ronde knoppen waarmee de deksel op de kist zit vastgeschroefd, en een stalen identificatieplaatje. Aan beide zijden twee simpele, rechte handvaten, waarmee de kist de baar op en af wordt getild en tussen het takkengroen op het graf wordt neergelaten. Meneer Verbeek meent dat er variatie mogelijk is. Ik heb nog nooit een ander model of kleur gezien, althans in deze omstandigheden. Dan voegt Verbeek eraan toe: jullie hebben het waarschijnlijk niet gezien, maar deze kist was extra groot. Meneer Van L. woog namelijk honderdvijftig kilo. Honderdvijftig kilo. Dat verklaart het geschutter met het plaatsen van de kist daarstraks. De kuil was maar net groot genoeg. Ik ben blij dat ik dit niet eerder wist. We hebben een enorme berg vlees ten laatste weggebracht. Een oorlogskind, zijn leven lang hongerig gebleven.
F. Starik