EENZAME UITVAART NUMMER 11
IM: N.N. 13 juli 2003, Plantage Muidergracht, Amsterdam
Woensdag 3 september 2003, half tien, St. Barbara.
Dichter van dienst Neeltje Maria Min.
Een gulle septembermorgen. De zon is het nachtelijk duister nog niet helemaal vergeten maar tracht uit alle macht door de mist heen te breken. Ik parkeer mijn fiets gewoontegetrouw in het rekje dat tegenover de aula bij de heg staat. Het rek dat altijd omvalt, als mijn fiets de enige is, die in het rekje moet staan. Als de boel weer rechtop is gesjord, wandel ik op de aula af. De uitvaartleider staat er al. Onze uitvaartleider van vanochtend, de heer Pal, straalt het soort vriendelijkheid uit dat men van ziekenhuis-artsen wel herkent: komt u maar hoor. Zo, dan gaan we nu even binnen wachten. Braaf gaan we binnen staan. We, dat ben ik. Het komt niet in me op te zeggen, dat ik liever even buiten blijf, in de morgenzon.
Neeltje Maria Min komt vandaag voor het eerst. Die zal vast niet zomaar overal komen binnenlopen. De heer Pal verdwijnt weer. Ik zou graag een sigaret gaan roken. Binnen hoort dat niet. Ik neem mijn buidel shag ter hand en draai een sigaret. Daarmee gewapend durf ik weer naar buiten. Namens de Dienst staat er een nieuw gezicht, dat in de verte iets heeft van het type man, dat voor zijn beroep steigers op popfestivals opbouwt en afbreekt. Er bungelt een sigaret aan het gezicht. Ik ontvang een lauwe handdruk, versta een gemompelde naam half of helemaal niet. Ik krijg een vuurtje aangeboden. Met beide handen vormt de man een kommetje om het vuur tegen uitwaaien te beschermen, ik moet mijn gezicht diep in zijn handen leggen. Een vreemd teder gebaar. Daar komt de lijkwagen het grind op knerpen. We zien op van onze arbeid. Ik krijg de aansteker aangereikt. Ik mag het zelf proberen. Dat lukt meteen. De chauffeur van de lijkwagen stapt uit, wenkt de dragers, die bij de poort de auto stonden op te wachten, naderbij te komen. Ik herken de bestuurder als Edwin de Roy van Zuidewijn, de onfortuinlijke echtgenoot van een onzer prinsessen. Misschien is het een broer. Maar ik vraag het hem niet. Dat doe je niet. Zwijgend slaan we het uitladen van de kist gade.
En daar is Neeltje Maria Min, de dichter van dienst. Een stevig pakketje vrouw. Ze komt, licht schommelend, in ganzenpas de begraafplaats op wandelen. Ziet ons, zwaait. We zwaaien terug.
Neel komt een onbekende man bezingen. Zijn stoffelijk overschot werd op 13 juli 2003 in een plantsoen in Amsterdam-Oost gevonden. Behalve zijn kleding, een aansteker en een paar eurocenten werd er niets aangetroffen. De politie nam vingerafdrukken en deed een gebitsonderzoek om zijn identiteit vast te stellen. Dat leverde geen identificatie in Nederland op.
De man had een ‘buitenlands uiterlijk’, vermoedelijk afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. Een internationaal opsporingsbericht via Interpol leidde evenmin tot resultaat. Er is een foto van de man vertoond in het programma Opsporing Verzocht.
Dat leverde diverse tips op, die evenwel nog niet leidden tot het vaststellen van zijn identiteit. Op 31 juli werd het stoffelijk overschot uit het VU-ziekenhuis door de rechter vrijgegeven. Vandaag wordt hij dan eindelijk begraven. Zijn kleren, zijn aansteker en zijn eurocenten bevinden zich nog steeds op het hoofdbureau van de Amsterdamse politie.
Mevrouw Min woont in Koedijk, Noord-Holland. Vanmorgen bij zevenen is ze opgestaan om met de trein naar Amsterdam te gaan. Het laatste stuk met de bus. En dan nog een heel eind lopen, door het park, van de Haarlemmerweg naar St. Barbara. Het is gelukt, stelt ze tevreden vast. Ze geeft de steigerman een hand. Aan haar gezicht zie ik, dat de naam opnieuw niet is verstaan.
De heer Pal stelt vast dat de uitvaart kan beginnen. We moeten nu echt naar binnen. Door de grote deuren aan de voorzijde gaan we achter de kist aan, de aula in. De Peer Gynt-suite begeleidt ons. We zitten rechts, tegenover de standaard, waar men zijn toespraak neer kan leggen. Met meneer Fritz ga ik altijd links van de kist zitten, maar meneer Pal heeft ons hier neergewezen. Als de muziek is uitgeklonken, stapt Neel naar voren en leest vanaf de andere zijde, de standaard negerend, kalm en duidelijk, haar gedicht:
Zondag 13 juli 2003
Man, onbekend.
Een aansteker en een paar eurocent
was wat jij op zak had toen men jou vond.
Stond jouw mond nog naar een sigaret ?
Was er daarnaast nog plaats voor een naam
– die van je moeder of een vrouw –
zoals op andere lippen die van jou ?
Werd er nog welterusten gezegd
synchroon met een ander persoon,
ergens ter wereld, een vrouw of je moeder
– en in welke taal, welk alfabet ?-,
toen je je lichaam neergelegd had
op de kleinste begraafplaats van de stad
een plantsoentje in Oost.
In een vreemde stad te liggen gaan
en in te slapen met de gedachte aan
iets wat troost: een sigaret, een naam.
Wie ? Waarvandaan ?
Een parelende piano vult de aula. Liszt vertolkt zijn Liebestraum. Ik moet plots kuchen. De hoest komt ook voor mezelf volkomen onverwacht. Misschien is het roken slecht bekomen. Was het vuur te groot. Het kan ook zijn dat een overweldigend gevoel van troost een uitweg zoekt: even lijkt het, of de onbekende zijn rust hier eindelijk heeft gevonden. Alsof hij zich nu eindelijk te neder legt, zich overgeeft aan wat al maanden het onvermijdelijke was. Als we op aanwijzing van de heer Pal naar buiten stromen, voor het derde muziekstuk uit het knetterende zonnelicht in, houdt het zwijgen ons hardnekkig gevangen. Als de kist is geplaatst, het tolletje heeft getold, nemen we nog steeds zwijgend afscheid van een onbekende. Meneer Pal verzuimt de magische formule uit te spreken van het vertrouwen aan de aarde, spreekt niet van de stilte die we al hoorden, hij zegt alleen: zo, dan is het nu…kopje koffie.
Mevrouw Degenkamp verdwijnt voor het tweede kopje kan worden uitgeschonken uit het luikje, van waarachter zij de koffie schenkt. Wat schutterig gaan we naar buiten. Ik steek gelijk met de steigerman nog eens op. Deze keer heb ik mijn eigen aansteker paraat. Ik bied het vuur aan, maar hij heeft zijn eigen exemplaar al voorhanden. Ik bied Neel een lift aan, in de richting van de bus, op mijn herenfiets. Ze accepteert dankbaar. Moeizaam peddel ik vooruit, tot tweemaal toe rijd ik door een gat in het wegdek, in mijn ijver tegelijk over de uitvaart te kletsen en het stuur te houden. Op de Haarlemmerweg geraakt, verklaart ze dat ze het laatste stukje naar de bus wel lopend volbrengen kan. Dankbaar neem ik afscheid. Bij thuiskomst ontdek ik, dat ik vergeten ben het melkpannetje van mijn ochtendkoffie uit de zetten. Dat wordt een tweede kopje zwart.
Maanden later, als ik Fritz aan de telefoon heb over eenzame uitvaart nummer 31 en 32, vraagt hij om het telefoonnummer van Neeltje Maria Min. Er is een identiteit gevonden bij het stoffelijk overschot van de onbekende man, die zij op 3 september 2003 ten grave heeft gedragen. En dat wil hij haar graag zelf vertellen. Even later belt Min mij weer: dat zij zojuist telefoon kreeg van meneer Fritz, die trots was haar te kunnen vertellen dat haar onbekende man een Hongaar was, die op 21 oktober 1977 werd geboren en de naam Gylua Szölke droeg. Zijn broer en zus, Gabor en Eva, hebben beiden een buisje bloed afgegeven, aan de hand waarvan zijn identiteit kon worden vastgesteld. Fritz vertelde haar, dat hij onlangs veertig jaar in dienst van de gemeente was, en dat men zijn jubileum was vergeten. Zij stelt voor om Fritz eens voor een lintje voor te dragen.
Ik vind dat een goed idee.