Eenzame uitvaart #177 Amsterdam

EENZAME UITVAART NUMMER 177
I.M. W. G. van der R.
maandag 28 juli 2014, De Nieuwe Ooster, 9.45 uur
dichter van dienst: Jannah Loontjens

Maandagmiddag. Ton van Bokhoven: ‘Ik bel u maar vast even, dan weet u dat u kunt warmlopen.’ Hij vertelt erbij dat ik morgenochtend opnieuw gebeld zal worden. Door een stagiaire. Ik ga ervan uit dat die me méér zal vertellen dan ik op dit moment te weten kom. Maar de stagiaire belt de volgende ochtend met een geheel andere dode, waardoor ik ineens met twéé uitvaarten, praktisch tezelfdertijd, te maken heb. Het is volop vakantietijd. Ik besluit Jannah Loontjens te bellen, die woont niet ver van de woning van de overledene vandaan, als ze tenminste niet op vakantie is – ik heb recent via een foto op facebook nog op iets camping-achtigs van haar gezien, maar hoe lang kan een mens helemaal vakantie hebben? Ik tref het: ze blijkt juist teruggekeerd.

Dit is wat ik haar kan vertellen:
Mevrouw Van der R. werd op 8 juli 1945 in Amsterdam geboren.
Ze is enkele jaren getrouwd geweest, tussen 1991 & 1994, met een Marokkaanse man, het huwelijk is kinderloos gebleven. Die man is uit beeld geraakt. Haar moeder is recent gestorven, ze leefde van 1910 tot 2012, zij is dus 102 jaar oud geworden. Er is ook nog een halfzuster, maar die heeft haar al 37 jaar niet gezien. Ze reageert aangedaan maar koel op het overlijdensbericht, aldus Van Bokhoven, ze wil er verder geen bemoeienis mee.

Mevrouw Van der R. bewoonde een keurige tweekamerbenedenwoning aan de Hoofdweg: ‘Netjes, schoon,’ vat Van Bokhoven zijn bevindingen samen, hij heeft de woning bezocht en hij vindt een huis niet zo snel netjes en schoon.

Mevrouw Van der R. overleed in het Lucas ziekenhuis, op 17 juli om 1 uur ‘s middags.
Ze wordt gecremeerd. Er is een uitvaartverzekering die deze voorkeur aangeeft. Omdat ik niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn, besluit ik die andere uitvaart te bezoeken, die tezelfdertijd zal plaatsvinden – waarover in het volgende verslag meer, maar dit terzijde. Jannah zal er alleen voor staan. ‘Denk ook aan een eventueel toepasselijk muziekje,’ zeg ik vaderlijk, als ik haar instrueer waar te gaan, wie te zijn, wat te doen. Ze kent het klappen van de zweep, het zal haar vierde of vijfde eenzame uitvaart zijn.
Hieronder volgt haar verslag.

‘Tegen de striemende regen in, die langs alle kanten mijn poncho binnen gutst, fiets ik naar De Nieuwe Ooster. Later lees ik dat het noodweer ‘code oranje’ meekreeg. Bij het hek word ik door een meneer onder een reusachtige paraplu doorverwezen naar de kleine aula. Mezelf los vechtend uit de regenponcho loop ik naar het gebouwtje links, waar een meneer in de weer is om alles op orde te brengen: schone glazen en een kan vers water.

Hij kijkt me aan alsof er een verzopen zwerfhond binnenkomt. Op de vloer bij mijn voeten vormt zich een plas regenwater. Ik zou hem graag om een handdoek vragen en zeg ter inleiding dat ik voor de uitvaart van mevrouw Van der R. kom en dat ik de dichter van dienst ben. De man kijkt me niet begrijpend aan, mompelt iets onverstaanbaars en sluit de deuren van de aula.

Ik kan weinig anders dan in het halletje wachten. Als hij weer terug is, probeer ik nogmaals uit te leggen wat het doel is van mijn aanwezigheid. Maar hij mompelt dat hij al ‘duizenden uitvaarten’ heeft meegemaakt en hij heeft nog nooit een dichter in opdracht zien verschijnen. Ook niet bij mensen zonder nabestaanden, benadrukt hij.

Nog voor ik hem kan vragen waar het toilet is, is hij weer verdwenen. Ik ga in het ontvangstkamertje zitten. Gelukkig vind ik er een doos tissues naast de bank. Mijn gezicht en benen dep ik met tissue na tissue, die in klonten in het prullenbakje verdwijnen. Op mijn panty blijven witte papierpluisjes achter.

Eindelijk komt ook de ceremoniemeester, die godzijdank op de hoogte is. Sterker nog, vertelt hij achteraf met enige trots, hij komt zelf ook voor in de documentaire die enkele jaren geleden gemaakt werd, Poule des Doods, over F. Starik en De Eenzame Uitvaart. We overleggen welke muziek er gedraaid gaat worden. Ik heb een cd van Billie Holiday bij me, waarvan ik graag ‘Solitude’ wil horen. De andere twee stukken komen van een cd met gevarieerd klassiek dat aan het smoezelige hoesje te zien al vaak gebruikt is.

Gedrieën nemen we in de aula plaats. Na een muziekstuk van Saint-Saëns, staat de uitvaartbegeleider op en maakt een elegant gebaar met zijn zwart gehandschoende hand: ‘Ik zou graag het woord aan u geven.’

Ik loop naar voren en draag het gedicht voor, onderwijl kijk ik steeds even naar de kist waarin het lichaam van de vrouw ligt voor wie ik deze woorden schreef. Een vrouw van zeventig die vlakbij mij om de hoek heeft gewoond. Een vrouw die ik wellicht meermalen ben gepasseerd als ik naar de Dirk fietste op het Mercatorplein.

Als ik ga zitten zet het prachtig slepende nummer over de eenzaamheid van Billie Holiday in. Na het laatste muziekstuk (uit Peer Gynt van Grieg) verlaten we zwijgend de ruimte. ‘Goh, mooi hoor,’ zegt de meneer die mij eerst niet had willen geloven. Galant houdt hij een paraplu boven mijn hoofd als we naar het hoofdgebouw lopen voor een kopje koffie. ‘Dus u heeft die mevrouw helemaal niet gekend?’ vraagt hij.

‘Nee,’ beaam ik. ‘Ik wist niet veel meer van haar dan dat ze haar huis schoon hield.’

 

Een crematie in Oost.

Ik stond voor uw deur. U was er niet, u zou
er nooit meer zijn. Jaloezieën als een burcht zo dicht.
Geen kiertje, geen rimpeling in een gordijn. Maar
het streepje schietsleuf terzijde van de deur, terzijde
van het witte handvat waaraan u bij wankele balans
u vastgrijpen kon, dat reepje verticale raam gunde mij
een blik in de hal, waar uw vertrek van hier begon.
Blauw zeil, een stuk kale kamervloer, een eenzame kelk
aan het plafond.

Uw huis ben ik vaak langs gezeild, op fiets, op weg,
in haast. En wellicht ook langs uzelf op straat,
in de Dirk met onze wagentjes vlakbij elkaar.
Wat zou het mooi zijn als ik u wachtend in de rij
had kunnen toeknikken: ik zal er zijn. Nee, toevallig
langs elkander lopen op het Mercatorplein zal nooit
meer gebeuren. Juist nu niet meer nu ik weet
dat die kans lang heeft bestaan.

Ik liep weg en dacht: straks bewoont een ander uw huis,
een mens die nog minder van u weet dan ik als toevallige
passant. Uw huwelijk van drie jaar met een Marokkaan.
Uw halfzus. En als u uw moeder in leeftijd had kunnen evenaren,
waren er nog tweeëndertig jaren om te stoffen, poetsen, boenen.
Begraven worden wenste u niet. Geen donker, geen modderige
aarde. Liever rein in vuur en vlucht. Mevrouw, wees gerust
in deze laatste ruimte, die uw verlaten lijf ooit nog
met een ander delen zal, is het proper.

© voor gedicht en verslag: Jannah Loontjens.
(inleiding F. Starik)

+