Eenzame uitvaart #81

EENZAME UITVAART NUMMER 81

IM hr P.R.M. van E., 5 april 1947, Maartensdijk – 25 augustus 2007, Bestevaerstraat, Amsterdam

Begraafplaats St. Barbara,

maandag 3 september 2007, 11:00

Dichter van dienst: Anne Büdgen

In de krant verscheen deze overlijdensadvertentie, geplaatst door zijn werkgever, onder het kopje Algemene kennisgeving, dat de heer Van E. is overleden. ‘Als docent van de opleiding Theatre & Education had P. altijd een intens vertrouwen in de capaciteiten van studenten en docenten. Met oog voor hun eigenheid bood hij hen gedegen coaching en ruimte voor de ontwikkeling van hun talenten.’

Er zal ‘op woensdag 5 september om 17.00 uur in de kleine zaal van het Akademietheater van de faculteit een herdenkingsbijeenkomst plaatsvinden. Iedereen die zich betrokken voelt, is van harte welkom.’

Eronder nog een kleinere advertentie van het College van Bestuur van de Hogeschool, melding makend van zeer gewaardeerde bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs, en van het verlies van ‘een inspirerende en deskundige collega en docent’.

Dat zegt de advertentie allemaal. Ik krijg hem meegezonden met het ambtsbericht met de noodzakelijke gegevens, dat je ergens ooit geboren bent en waar precies hoe laat je overleden bent. Alles wordt geadministreerd, alles wel ergens. Het ambtsbericht van de Dienst meldt dat de Hogeschool het bij de in de advertentie genoemde herdenkingsbijeenkomst zal houden, en dat er geen collega’s of studenten bij de uitvaart aanwezig zullen zijn. Dus, meldt het ambtsbericht, wordt er een dichter ingeschakeld.

Ik bel met Van Bokhoven, de aanmeldende ambtenaar. ‘Een bijzonder geval’, vindt hij stellig. Meneer Van E. werd door de politie gevonden in zijn woning aan de Bestevaerstraat in Amsterdam, na een melding dat hij na de vakantie niet op zijn werk was verschenen en de telefoon niet beantwoordde. Hij leed aan een ernstige vorm van suikerziekte, voor de zomer al was hij sterk vermagerd. De woning moet ontruimd worden door de Woningbouwvereniging, volgens het ambtsbericht was het ‘een zeer extreem vieze woning.’ De politie heeft geen familieleden in Nederland getraceerd. Zijn ouders zijn op jeugdige leeftijd overleden.

Van E. was sinds 2004 gehuwd met een Thaise jongen, S. P. Er is vanuit de Dienst contact geweest met de ambassade van Thailand. En via de ambassade met P., die uitsluitend Thais spreekt. Hij leeft onder armoedige omstandigheden in het binnenland van Thailand en kan niet naar Nederland komen voor de uitvaart of de herdenkingsbijeenkomst.

Ik verbaas me er uitgebreid over dat iemand die tot het moment van zijn overlijden met honderden mensen in contact moet hebben gestaan aan het regime van de eenzame uitvaart wordt onderworpen. Al die mensen kunnen komen. Waarom komen ze niet?

Later in de middag vertelt een contactpersoon van de hogeschool dat Van E.’s privéleven volledig buiten het blikveld van zijn werkzame leven is gebleven. Hij hield die werelden zorgvuldig van elkaar gescheiden. De keuze voor een herdenkingsbijeenkomst op de hogeschool wordt gemotiveerd uit het standpunt dat men hem wil herdenken zoals hij daar gekend werd. Hij had een hekel aan rituelen. ‘Straks staan we daar met drie mensen aan het graf, en dan is het beter om hem hier, met al die mensen met wie hij werkte, te gedenken.’

Daar is voor gekozen. Misschien is het angst. Misschien vindt men het een mooi initiatief, dat van de eenzame uitvaart. En ach, de gemeente betaalt. Misschien is het een soort van straf, omdat hij nooit dichterbij is gekomen. Van Bokhoven betoont zich beroerd over de aard van het sterfgeval. Daar hoort een dichter bij, vindt hij.

Van E. heeft bij leven verscheidene malen de wens uitgesproken dat zijn pensioen bij zijn echtgenoot terechtkomt, de hogeschool gaat zich inspannen om dat te bewerkstelligen. Er is geen testament. De papieren en documenten uit zijn nalatenschap worden overgedragen aan de werkgever.

In het gesprek met de hogeschool vraag ik of zij misschien de overtocht kunnen betalen. Daartoe zou men zeker bereid zijn, ware het niet, dat S. ziek is. De hogeschool heeft hem gesproken, hij betoonde zich zeer ontredderd over de dood van zijn echtgenoot. Hij is anderhalf jaar geleden nog een keer in Nederland geweest, bij Van E., die hem daarbij zeer intensief heeft begeleid: het was een geweldige cultuurschok, in deze vreemde omgeving te verblijven.

S. vraagt om de navolgende woorden in het gedicht te verwerken, dan wel op de uitvaart uit te spreken: ‘I love you forever, stay peaceful in heaven and let your mind and body be blessed. If there is a next life we will be together some day.’ Hij vindt het heel erg dat hij niet bij de uitvaart aanwezig kan zijn. Ook dat zou hij graag in het gedicht verwerkt zien. Ze waren al acht jaar bij elkaar. Daarbij vraagt hij om witte bloemen. Dat is door de Dienst geregeld. Graag ziet hij foto’s van de plechtigheid tegemoet. Ik zal mijn camera meenemen. De ambassade zal er zorg voor dragen dat de foto’s bij S. terechtkomen.

Op de website van de hogeschool vind ik een fotootje bij het overlijdensbericht, zo’n typische kantoorfoto met het begin van een plant achter zijn schouder: grijzend haar, baard en snor, fors, wat hoekig, rood aangelopen hoofd. Geel overhemd met korte mouwen. Hij kijkt de fotograaf niet aan, maar staart wat afwezig, bijna nors, naar een lager gelegen punt, dat niet heel erg ver weg kan wezen.

De dichter van dienst, Anne Büdgen, debuteerde onlangs bij de Arbeiderspers. Ze studeert aan dezelfde hogeschool. Ze was per mail al op de hoogte gesteld van het overlijden Van E. Het leek me aardig om dan iemand uit die werkomgeving de laatste woorden te laten spreken. Ze heeft Van E. twee keer gesproken. Een groepsgesprek over de kwaliteit van het onderwijs. Van die gesprekken herinnert ze zich weinig. Ze herinnert zich vooral hoe ze de man observeerde. Hij maakte een wat verkreukelde indruk.

De volgende morgen fiets ik langs het huis, waar hij gevonden is. De woning maakt deel uit van een rijtje lage woningen, waarvan je voetstoots aan zou nemen dat het om bejaardenwoningen gaat. Bij de buren hangt een papier over poep op de stoep aan het raam. De woning van Van E. onderscheidt zich in weinig van die van de buren. Zijn naam staat op een keurig koperen plaatje aan de deur geschroefd, een naamplaatje dat de aanblik biedt, alsof het recentelijk nog gepoetst zou kunnen wezen. Bij nadere inspectie tonen de vitrages een wat groezelige aanblik; de ramen zijn niet zeer recentelijk gewassen. De volgestouwde, krappe woonkamer geeft aan de straatzijde een intensief bezeten bankstel voor een fors uitgevallen televisie prijs, alsmede een bureau met computer met toebehoren, niet persé van dezelfde jaargang, hetzelfde merk. Verhuisdozen, papieren, rommelig, maar nog lang niet extreem. Glurend door de brievenbus de logische stapel ongeopend reclamedrukwerk. Verderop, aan het einde van de gang de keuken, waarvan de deur halfgeopend is, lijkt de rommel tot indrukwekkender hoogte opgetast. Maar niks wat een paar vuilniszakken niet kan worden opgelost.

Maandagochtend. Prachtige zonnige dag. De dragers staan aan de poort op de lijkwagen te wachten. Afgezien daarvan ben ik de eerste die op de begraafplaats arriveert. De deuren van de aula staan wijd open. Ik heb muziek meegebracht, een gedicht van Nijhoff, De troubadour, mooi breekbaar gezongen door Hans Dorrestijn. ‘Hij heeft des nachts op een rivier gevaren. / Hij zag het zonlicht dat de straten kleurde./ En wist dat hij niet leefde maar gebeurde. / Dat daden macht’loos als seizoenen waren.’ En een lied van Leonard Cohen, Stranger, dat ik gisterenavond op de televisie zag, waarbij de zanger op het eind van zijn eigen lied de tranen over de wangen stroomden, een lied waarvan toon en tekst me toepasselijk leken. Even later komt Van Bokhoven aanfietsen. En daar is meneer Degenkamp, met een digitaal cameraatje. Stom. Camera vergeten. Wel de muziek meegebracht. Het wachten is op de dichter van dienst. Om elf uur precies komt Anne uit een taxi aangerend. De chauffeur kon de begraafplaats niet vinden. Terwijl Cohen zingt betreden we de aula. I told you when I came I was a stranger. Een derde muziekstuk heb ik niet gevonden. ‘Vivaldi dan maar,’ stelt Degenkamp voor, ‘De zomer?’ ‘Herfst,’ vinden van Bokhoven en ik eensgezind. De zomer is zo tergend opgewekt.

Degenkamp, die zich doorgaans onzichtbaar achter zijn spiegelruitje ophoudt, fotografeert de aula, waar we in de bankjes zitten. Een flits, en nog één. Dan verdwijnt hij weer om de muziek te wisselen. Anne Büdgen stapt naar voren en leest haar gedicht voor.

(…)

dat het zomaar kan gebeuren dat

je doodgaat dat het zomaar

kan gebeuren dat je doodgaat aan

laten we zeggen suiker

dat je sterk vermagerd

in je kamer ligt

starend naar het plafond

alsof daarachter nog iets is

 

‘I love you forever, stay peaceful in heaven

and let your mind and body be blessed

if there is a next life we will be together some day’

 

er ging geen licht op toen je stierf

trams reden af en aan de zomer

had zich maar vast van zijn lach ontdaan

studenten kropen weer door gangen

computers somden de verschillen op

met vorig jaar

ook ik

 

zie nog hoe je praatte en je baard

je dunne haar

de broek verkreukeld boven de sandalen

dat je praatte of je al dat

alledaagse in wou halen

 

waar was je al die tijd?

in Thailand Utrecht Amsterdam

zo zomaar zo de verste ooit

 

de meest dichtbije is er niet

eight years together ergens moet het

blijven vandaag zal ik je naam

de lucht in schrijven

 

Dan zingt Dorrestijn. En even later knalt De zomer van Vivaldi door de aula. Toch de zomer. Degenkamp probeert meer foto’s te maken, maar de camera weigert dienst. Als we naar buiten gaan, haast hij zich weg om zijn dochter te halen, die kan beter met dat rotding overweg. We wachten op Jacqueline. Haar lukt het wel. Dan lopen we achter de kist aan naar het graf. Opnieuw worden we vereeuwigd, de handen voor het kuis gevouwen. Ook het zakken van de kist wordt gedocumenteerd. Dan werpen we zwijgend ons schepje zand op de kist. De witte bloemen zijn mee naar beneden gegaan. Omzichtig scheppen we naast het boeket. Je wil geen zand op bloemen gooien.

F. Starik