Eenzame uitvaart #56 Amsterdam

Eenzame uitvaart nummer 56

I.M. M.A. McL.

Dichter van dienst: Catharina Blaauwendraad

Dinsdag. Harde wind. Mooi bewolkt is het, van die grote witte waar de zon omheen schijnt. Ik heb geen winterjas aan. Ik vertrouw erop dat er geen regen komt. En er komt geen regen.

Drager Jan, de grote, goeiige drager Jan, begroet me enthousiast. Hij heeft iets in de krant gelezen. Over een dichter. Of ik dat ben. Waarschijnlijk niet. Hoeveel dichters zouden er eigenlijk bestaan, vraagt Jan zich af. Ik zeg dat het ervan afhangt hoe je rekent. Wat een dichter is. Iedereen kan wel zeggen dat hij een dichter is. Afhankelijk van de definitie van enerzijds ‘kun je daar nu eigenlijk van leven?’ tot anderzijds ‘ik heb wel eens een gedicht in een tijdschrift gepubliceerd of een gedicht in een zaaltje voorgedragen’ kom je uit tussen een stuk of vijftig, hooguit honderd, tot een half miljoen. Of ik hem dan misschien vertellen kan met hoeveel d’s je het woord verscheiden schrijft, in de verleden tijd. Verscheiden. Hij vindt dat we er maar eens een fles port lang over moeten praten, de verleden tijd van verscheiden. Of ik dat lust, port. Jan wel. Hij is gek op port. En op praten. ‘Maar als de fles leeg is, houden we er weer mee op.’

Daar is ook Van Bokhoven. Hij vraagt of het goed was gegaan, gisteren. Perfect. Meneer Nijman, die wel nooit Assenbach zal mogen heten, voegt zich bij ons. ‘Zijn de foto’s nog gelukt?’ vraag ik. Hij heeft de camera weer ingeleverd. Daar zitten ze nog in, denkt hij. Hij heeft er niet meer naar durven kijken. Van Bokhoven neemt aan dat de foto’s wel zijn kant op zullen komen. ‘Heb je meneer C. nog gezien?’ Ik niet, maar Nijman heeft een foto van zijn gezicht genomen, denkt hij, als de foto tenminste is gelukt. We vertellen van de regenpijp. Maar daar gaat het Van Bokhoven niet om. Hij wil weten wat de heer C. droeg. Of hij een pak aan had. Dat had hij, een nieuw pak, beaamt Nijman. Vrienden van C. hadden Van Bokhoven gebeld, nadat ze vergeefs hadden geprobeerd het kostuum, dat ze gezamenlijk voor C. hadden gekocht, als afscheidsgeschenk, bij het politiebureau af te geven. Die wilden het niet hebben. Bel de Dienst maar, hadden ze gezegd.

En Van Bokhoven had weer geadviseerd het kostuum bij uitvaartcentrum Zuid te brengen, waar de heer C. lag opgebaard. Het was dus gelukt. Hij was in een mooi pak in de kist gelegd. Bijna jammer van het kostuum dat het een crematie betrof; was hij begraven, had hij er veel langer plezier van gehad. ‘Mevrouw McL. heeft gewoon een lijkwade aan,’ besluit Van Bokhoven. Zij wordt wel begraven, op St. Barbara.

Mevrouw Mc L. was weduwe sinds 1993. Ze bewoonde een kleine, overvolle benedenwoning aan de Borgerstraat in Amsterdam. Ook het schuurtje in haar tuin staat vol met goederen van minimale waarde. Ze laat 34.000 euro na, per lang niet gewijzigd testament, aan haar overleden echtgenoot. Geen kinderen. Haar zodoende – onbeheerde nalatenschap – zal vervallen aan de Dienst Domeinen, die ook de zorg voor de ontruiming van haar woning draagt. Voor ze het naar het ziekenhuis ging, had ze hulp van Thuiszorg. Thuiszorg liet weten niet naar de begrafenis te willen komen.

Dichter van dienst is vandaag Catharina Blaauwendraad. Ze draagt een licht gekreukt zwart linnen jasje, zwarte kousen, zwarte rok, zwart shirt. Keurig. Linnen kreukt nu eenmaal. Dat is niet anders. ‘Heb je de cd nog meegenomen?’ vraagt ze. ‘Nee. Aj.’ Ik zeg een lelijk woord. Gisteravond mailden we over de muziekkeuze. Ze stuurde me een prachtig lied op, gezongen door Kathleen Ferrier, uit ‘Orfeo & Euridice’, ‘What is life to me without thee.’

Ik beloofde van Johnny Cash zijn meesterlijke uitvoering van Vera Lynn’s ‘We’ll Meet Again’ mee te brengen. Vergeten. Degenkamp, de beheerder van de begraafplaats, neemt me mee naar achteren, waar de cd’s liggen. Nijman vergezelt ons. Iets van Vera Lynn zal er wel tussen zitten. En dat zit het dan ook wel. Een ander lied. Degenkamp zingt het voor. Nijman zingt met hem mee, maar ik kan er geen melodie in ontdekken. In de tekst klinkt na verloop van tijd iets met ‘goodbye’ en ‘cheerio’. Dan moet het maar zo. We kunnen beginnen.

Bij het binnentreden horen we Vera Lynn al zingen: ‘From the time you say goodbye. From the time you say cheerio. Take my fondest thoughts with you. For your journey as you go.’ Dan komt Nijman naar voren en geeft het woord aan de dichter. Ze spreekt:

 

weefrapport

 

Vaderland verlaten en Manchester, moederstad

der schikgodinnen met verbinding in garen,

vrouwenhand die weefde op en neer en op. Dat heet plat;

huislinnen in platbinding. Eén op één verweven huwelijksjaren.

 

Beginnen problemen waar gaten zich openbaren?

Beschutter is niemand. Niemand mag klagen.

Vriendinnen en vrienden werden zoutpilaren.

Jutter werd u; leemten bleven knagen.

 

Onnutter en onnutter vulsel werd binnengedragen.

Overleven werd begraven. Werd begraven wie is overleden.

Clutter alomtegenwoordig in verzamelwoede losgeslagen,

handgeweven stof van ketting afgesneden.

 

 

Afgesneden ketting van stof handgeweven,

losgeslagen verzamelwoede in alomtegenwoordige clutter.

Overleden is wie begraven werd. Begraven werd overleven.

Binnengedragen werd vulsel onnutter en onnutter.

 

Knagen bleven leemten; u werd jutter.

Zoutpilaren werden vrienden en vriendinnen.

Klagen mag niemand. Niemand is beschutter.

Openbaren zich gaten waar problemen beginnen?

 

Huwelijksjaren verweven één op één. Platbinding in huislinnen;

plat heet dat. Op en neer en op weefde die vrouwenhand,

garen in verbinding met schikgodinnen

der moederstad, Manchester en verlaten vaderland.

 

Catharina Blaauwendraad

 

Het is een kreeftgedicht, een retrograde. Dat werkt wonderwel: zo nemen we het gedicht dubbel goed op. De eerste regels gaan deels verloren in enig rumoer onder de dragers, alsof er iets omvalt, of rechtgezet moet worden, maar ik kijk niet om. En we krijgen de eerste regels alsnog te horen, want de eersten zullen de laatsten zijn. Dan zet Kathleen Ferrier in. Als afsluitend muziekstuk hebben we gekozen voor Chopins ‘Marche Funèbre’, dat was laatst ook goed bevallen, al duurt het zes minuten en vijfendertig seconden. Na een minuut of drie komen de dragers, voorafgegaan door Nijman, naar voren, nemen plaats naast de kist, en rijden die even later onder de wegstervende tonen van de piano de aula uit. Wij erachteraan. Weeromslagen blijven uit. De kist wordt weggebracht, we nemen ons moment van stilte in acht en gaan terug naar de koffiekamer. Blaauwendraad neemt de gelegenheid te baat het graf van haar nichtje een bezoekje te brengen. Degenkamp vergezelt haar, die weet waar het is. We mogen allemaal wel mee, maar dat doen we niet. Synchroon steken Van Bokhoven en ik een sigaret op. ‘Ik dacht dat u gestopt was?’ ‘Nee hoor, daar is het veel te lekker voor.’ ‘Zolang het lot mij vergunt, zal ik doorgaan met roken,’ citeer ik dan Pessoa nog maar eens. Als we in de koffiekamer arriveren, is Blaauwendraad daar ook al aangekomen.

Er stond een hartstikke mooie vaas op het graf, met allemaal stukjes keramiek erop, vertelt ze. Die is natuurlijk stuk gevroren. Die ligt nu in stukjes verspreid over het graf. Is die vaas zelf keramiek geworden, je kunt er weer een andere vaas mee beplakken. We drinken onze koffie, mevrouw Degenkamp neemt de complimenten over de kracht van de koffie glunderend in ontvangst. Het gedicht wordt over de aanwezigen verspreid. ‘Die gaat in het archief,’ merkt Degenkamp traditiegetrouw op: ‘Voor later. Je weet nooit wanneer het nog eens te pas komt.’ Dan gaat de map dicht.