EENZAME UITVAART NUMMER 33
I.M. de heer. H.S. S.
geboren op 8 november 1933 te Curaçao, op 27 november 2004 overleden aangetroffen op een kamertje in Amsterdam.
Donderdag 9 december 2004, 10:00 uur, begraafplaats St. barbara
Dichter van dienst: F. Starik
De heer S. verbleef al geruime tijd in Nederland. Hij werd echter op 26 juni 2001 uit het Bevolkingsregister geschreven als vertrokken met onbekende bestemming.
Hij is nooit getrouwd geweest, geen kinderen bekend, geen vader, geen moeder, niemand.
Koude, bijna mistige morgen. Ruim bijtijds rol ik mijn fiets de begraafplaats op. Op de weilanden rondom St. Barbara ligt de rijp hard vastgevroren. Ik draag een lange onderbroek onder mijn mooie zwarte pak, dat ik speciaal voor eenzame uitvaarten bewaar, omdat ik wel eens ergens heb gelezen dat gebeurtenissen in je kleren blijven hangen. Gelijksoortige gebeurtenissen horen zich dus af te spelen in een bijpassend kostuum. Reden dat het kostuum als aftrekpost wordt opgevoerd. Voor de lange onderbroek geldt dit niet. Ik bezit er immers maar één.
Meneer S. Hij werd geboren op 8 november 1933 te Curaçao, en op 27 november 2004 overleden aangetroffen op een kamertje in Amsterdam. De heer S. verbleef al geruime tijd in Nederland. Hij werd echter op 26 juni 2001 uit het Bevolkingsregister geschreven als vertrokken met onbekende bestemming. Hij is nooit getrouwd geweest, geen kinderen bekend. Ouders onvindbaar, waarschijnlijk al eerder overleden. Op het kamertje dat hij in onderhuur bewoonde bestonden zijn bezittingen uit, en pasten in één tas.
In de aula van de begraafplaats zijn al twee bloemstukken gebracht, met een lint, waarop geschreven staat: van je vrienden van café Westpoint. Ik ken de gelegenheid uit de krant. Er wordt zo af en toe iemand voor de deur neergeschoten. Of de portier slaat een lastige klant. Of er is een inval, en de grond ligt bezaaide met wikkels van het een of ander. Zo’n café.
Even later komen twee scooters de begraafplaats opgereden, rijden een rondje om het pleintje voor de aula, en parkeren dan. Helmen worden afgenomen. Een viertal bezoekers komt aarzelend, plotseling verlegen, op de aula afgelopen. Ze dragen een bloemstuk mee. Het lint vermeldt The Bulldog als afzender. Een zwarte BMW. Van die gedrongen mannen met achterovergekamd haar een sterk geurende aftershave en vermoeide gelaatstrekken stappen uit. Het gezelschap groeit aan tot een stuk of tien van die mannen, geflankeerd door een paar meisjes die je heel goed achter de counter van de coffeeshop kunt denken. Een van hen heeft een gezonde baby bij zich. Het gezelschap kent elkaar, maar lijkt er niet erg op gebrand om nog meer mensen te leren kennen. We schudden handen met korte, dikke vingers en krappe ringen eraan.
Ik heet ze welkom en leg uit wat de bedoeling is. Intussen arriveert meneer Fritz, ook al had hij eerder aangekondigd dat het waarschijnlijk niet zou lukken. Hij is toch gekomen. Hij is zeer spraakzaam vanochtend. Over de zoveelste reorganisatie bij de Dienst. Over meneer Bakker die na een lang ziekbed, met functioneel leeftijdsontslag is gezonden, zoals ze dat noemen. Dat hij er zelf zo maart, april mee op zal houden. Hoe veel dat in zijn pensioen zal schelen. Over regelingen, aangaande het pensioen. Dat het is gelukt om zijn brommer te repareren. Fritz bezit een Puch Maxi uit 1978, de mijne is vier eerder in Oostenrijk van de band gerold. Of ik hem een trapas uit de periode kan leveren. De trapas blijkt een gevoelig en onvindbaar onderdeel. Ik weet niet of mijn brommer wel een trapas heeft. En zoja, ik zou hem niet willen missen. De bezoekers worden bijna opzichtig in hun eigen wereld gelaten.
In de aula staat meneer Degenkamp met twee cd-tjes in zijn handen. Hij toont ze met een zekere trots. Hij heeft ze gekocht van de chauffeur van een lijkwagen, misschien van die broer van Edwin de Roy van Zuidewijn, een tientje per stuk. Gezamenlijk lezen we de inhoudsopgave van de cd’s door. Fritz gaat in de koffiekamer vragen wat meneer S. graag had willen horen. Jazz en samba, meent men, daar hield Sammy van. Maar dat staat er niet op, helaas. De chauffeur houdt meer van Jantje Smit en André Hazes.
We nemen plaats. Fritz en ik op de eerste rij, rechts vooraan. De cafébezoekers kiezen allemaal voor links. Verschil moet er zijn. Degenkamp zet de muziek lekker hard aan. Ik zeg mijn gedicht.
Immer voorwaarts, strompelend
Niets is bestendig. Liefde zal van geen betekenis meer zijn.
Als we iets konden bezitten we namen het mee in de grondige
aarde.
Als we iets konden geloven, ik sprak een gebed: niets is
bestendig.
Niets is van waarde. Liefde gaat mee in het graf.
Per ongeluk leven we iedere avond alsof het de laatste
avond was en de volgende morgen. We zeggen een naam.
We geven het mee. Al wat je bezat, het past in een tas.
Ik zou je bewaren met een zware steen erop.
Ik zou de steen nog jaren laten zeggen wie je was
niet wie je was maar de voorbijganger schenken
een naam, voor het kind dat de vader was van de man
voor de jongen waaruit de man zou groeien waarin
de vuilnisbloem van de bejaarde al bloeide
die de vader is van het lijk waarvoor we staan
mompelend van liefde geen betekenis, geen steen,
geen datum, geen naam.
F. Starik.