EENZAME UITVAART NUMMER 14
IM heer N.N. 6 november 2003, station Reigersbos, Amsterdam
Vrijdag 14 november 2003, 10.30 uur, Nieuwe Ooster begraafplaats.
Dichter van Dienst: Rogi Wieg
Een waterig zonnetje, kort na tienen kom ik aan. Fritz staat er al, bij de ingang, in gezelschap van de oude heer Prins, mijn favoriete uitvaartleider. Even later arriveren de twee rechercheurs, die we al eerder op een Eenzame Uitvaart tegenkwamen; bij die gelegenheid vertelde de meest spraakzame van het duo, de flamboyante Surinaamse man met de hoed, van zijn overleden vriend, die ook kunstenaar was en mooie gedichten schreef. We begroeten elkaar als oude vrienden. Ik weet nu dat hij Bruning heet, mijn oude vriend. Hij vertelt meteen verder. Dat hij dat boekje gaat opsturen, dat hij dat zeker nog gaat doen. Of hij mijn adres wel opgeschreven heeft. Wacht, zegt hij. Dan schrijft hij mijn adres nogmaals op, in een minuscule letter op een hoekje van een envelop.
Die gaat met een energiek gebaar terug in de binnenzak van zijn colbert. Ze zijn hier omdat de man die we vandaag begraven bij station Reigersbos voor de metro sprong. Dat is hun district.
Bureau Flierbosdreef, begrijp ik. ‘Man, tussen, de vijfentwintig en dertig jaar, lichtgetint, in aanraking gekomen met een treinstel op 6 november 2003,’ citeert hij zijn ambtsbericht.
Dan arriveert Rogi Wieg, in gezelschap van Judith Flier, zijn vrouw. Of dat goed is. Vanzelfsprekend. Wieg draagt een zwarte hoed boven een lange groene regenjas. Hij verklaart dat hij het toch heel zwaar vindt, gezien zijn persoonlijke geschiedenis, zijn gedicht te moeten opdragen aan de onbekende man, die we vandaag de laatste eer bewijzen. Vandaar zijn vrouw. Toen ik hem eerder deze week belde met het verzoek informeerde ik voorzichtig of hij het wel aan zou kunnen, dit geval. Hij meende volmondig ja.
In de kleine aula klinkt een beverig orgeltje op, dat een popballade herinterpreteert. Flarden van de bijbehorende tekst waaien als vanzelf door het hoofd: iets met loneliness, en always, en love you. Als de muziek is uitgeklonken treedt meneer Prins naar voren en vertelt dat we bijeenzijn om deze onbekende mens de laatste eer te bewijzen, en hij nodigt meneer Vlier uit om naar voren te treden om zijn gedicht aan de overledene mee te geven. Wieg treedt naar voren, en vertelt, zijn rug naar het kleine gezelschap gekeerd, zijn gezicht naar de kist, dat ook hij heeft geprobeerd een einde aan zijn leven te maken. ‘Mij is het niet gelukt’.
Houd het hierbij
Alleen wat van je resten
op deze uitvaart, alleen wat bloemen,
en een gemeentelijk dichter, ja, ik.
Ook ik heb het geprobeerd, alleen
niet voor een trein, anders, misschien
minder dodelijk: in die allerlaatste
seconden is nog iets mogelijk, zo deed ik het.
Wat er van je over is, wat men nog kon vinden,
ik praat ertegen als tegen een man
op een station, in een koffiehuis, wat ik zeg
gaat over het einde en dat is zo gewoontjes,
zo dodelijk saai dat ik me bijna schaam,
maar wat te zeggen bij een drama?
Een drama met wat bloemen, ontbrekende
personages. Of personen? Voor mij is dit alles
maar een verhaal: als de volledige werkelijkheid.
Rust. Doe niets anders, vooral geen gekke dingen.
Houd het hierbij en anders zal de natuur
je waarschijnlijk hierbij houden.
Heel stil wordt het nu. Wieg heeft zijn gedicht op de kist gelegd. Een van de rechercheurs treedt naar voren en maakt een foto, flits, eerst van de kist, dan van ons kleine gezelschap, flits, en nog eens: flits. Op de een of andere manier verdiepen de korte lichtflitsen de stilte. Ze leggen het moment van afscheid vast. Nu we samen op de foto staan vormen we een soort familie, op onze eenvoudige stoelen in de kleine aula. Wat en of wij daarmee iets bewijzen, ik weet het niet. Het zal wel mooi staan in het archief. We horen een klikje in de schakelkast. De heer Prins zet de muziek weer aan. Waarschijnlijk gaat er elders nu een lichtje branden. Klinkt er een toeter. De organist, aan ons oog onttrokken weet: ik kan weer los. Er zijn veel knoppen in de schakelkast, waarbij vooral twee grote keuzeknoppen opvallen. Erboven hangt een bordje met het opschrift: crematie, begrafenis. Het orgel klinkt op, nu met een potpourri van gepaste klassieke melodieën. Als het derde muziekstuk begint, opnieuw een populaire ballade waarvan opnieuw flarden tekst zich in je hoofd vastzetten, draaien de deuren naar buiten open. De dragers staan klaar. Men heeft de juiste keuze voor de juiste knop gemaakt. De cirkelvormige draaideur waarin de kist staat, wekt de indruk alsof de kist ook in de vloer zou kunnen verzinken. Voordat we naar buiten gaan neemt Fritz meneer Prins bij de armen zegt zacht dat de dichter meneer Wieg heet, niet Vlier. Je moet altijd de regie houden, knipoogt hij naar mij.
Het is een hele wandeling. Deze keer blijft de regen uit. Misschien is de wind wat killer dan vanmorgen. Bij het graf aangekomen moedigt de heer Prins ons aan om dicht bij elkaar, in een kring van menselijke warmte te gaan staan: we doen het, we staan opeens dicht op elkaar gepakt. In de kring van menselijke warmte kleumen we zwijgend bijeen. Ik vergeet met meneer Prins mee de seconden af te tellen. Ik vraag me af of hij zelf wel telt. Hij staat daar zo alleen. Als uitvaartleider heeft hij zichzelf buiten onze kring gehouden. Dat maakt de kring nog dichter, en zijn kleine gestalte nog breekbaarder. Zwijgend zien we elkaar geruime tijd in de ogen. Een kille windvlaag waait het gedicht bijna van de kist. Dat is het teken het moment te beëindigen. Prins fluistert: zullen we deze keer de bloemen ook maar meegeven? Dan zakt de kist de kuil in, met het bloemstuk erop. Doorgaans blijft het bloemstuk op de rand van het graf achter, rustend op het dennengroen. Een zware afdekplaat ligt ernaast. De kuil lijkt meer een grafkelder, alsof de muren zijn gemetseld. Meestal wordt de kuil geschraagd door houten planken, dat de kuil niet instort als de bezoekers langs de rand komen staan. Deze keer geen schepje zand. Er is geen schepje. De Nieuwe Ooster is niet van de katholieken. Hier moet je van tevoren als een extra service om een schepje vragen. Dat heeft niemand gedaan. We lopen langzaam terug. De Surinaamse mevrouw die namens de begraafplaats ons de weg moet wijzen, neemt een andere route dan de heenweg. Ik vraag haar, of ik me nu verbeeldde dat de kuil met stenen was afgezet. Ja, het is een grafkelder. De grote afdekplaat wordt er straks los opgelegd. Men gaat er hier kennelijk van uit dat iemand onze onbekende mens nog zal komen ophalen. Dat hier zijn uiteindelijke bestemming nog niet is.
In de koffiekamer zitten we nog lang bij elkaar. De rechercheurs spreken hun diepe bewondering uit voor het gedicht van Rogi, en hun grote waardering voor ons initiatief. Meneer Bruning begint weer over zijn vriend, die ook kunstenaar was en vraagt nog maar eens om mijn adres, dat hij juist op een hoekje van een envelop had geschreven. Want hij wil mij echt dat boekje van die dode vriend opsturen. Wijsheid, staat erin, weet hij, wijsheid over het leven. Graag, zeg ik. Ook meneer Prins schrijft zijn adres nu op een papiertje, omdat er niet genoeg kopieën van het gedicht voorhanden zijn voor iedereen, en op de Nieuwe Ooster kent niemand de weg naar het kopieerapparaat. Hij wil ook nog graag een kopie van het gedicht van Simon Vinkenoog, weet u nog wel, vraagt hij aan mij. Hij had het de laatste keer dat hij uitvaartleider bij een uitvaart met Vinkenoog was niet durven vragen. Bij die gelegenheid had hij al om een eerder gedicht gevraagd, door Simon uitgesproken, en die had hij netjes opgestuurd gekregen. Dat was ook zo’n mooi gedicht geweest. Wat kan die man dichten, stelt hij tevreden vast. Wat kan die man dichten.
Als we langzaam afscheid nemen, neemt Prins Judith Flier apart, en zegt ernstig: niet piekeren, hoor. Weet je wat je moet doen? Als je nou ’s avonds in je bed gaat liggen en je gaat liggen denken, dan moet je tegen jezelf zeggen: ik geef mijn gedachten aan mijn onderbewustzijn over. Daar heb je een onderbewustzijn voor gekregen. En als je dan de volgende ochtend wakker wordt, is alles netjes opgeruimd.
F. Starik