Eenzame uitvaart #5

EENZAME UITVAART NUMMER 5

IM de heer S. van Z., 21 mei 1931, Amsterdam – 3 februari 2003, Bilderdijkkade, Amsterdam

Maandag 24 februari 2003, 10 uur, begraafplaats Vredenhof. (Amsterdam)

Dichter van dienst: Menno Wigman

Nooit eerder van tevoren zoveel werk aan de dienstdoende dichter gehad. Vanwege een  zenuwachtige Menno, die meldde dat hij al negen dagen Niets gedronken had, en tot tweemaal toe om acht uur al was opgestaan: het kan dus wel, meldde hij trots. Sinds Fritz me vrijdagochtend belde uit een diepe, gonzende, zweterige slaap, om meneer Van Z. aan te kondigen, is er intensief contact geweest. Van Z., 71 jaar, gevonden in zijn woning.

Meneer Bakker staat al buiten. Meneer Bakker vervangt meneer Fritz vandaag, die heeft zelf een familiebegrafenis. Ik heb Fritz hem wel eens aan de telefoon horen roepen: Bakker! Jan! riep hij dan door de gang.  Zo weet ik dat hij Jan heet, meneer Bakker. Om tien voor tien komt Wigman welhaast statig aanfietsen. Hij heeft een drietal kelken bij zich, wit, aronskelken, gok ik, want dat zijn de enige kelken mij bekend.

We treden gedrieën de koffiekamer binnen, waarachter de kleine aula van Vredenhof is gelegen. Menno Wigman is een nieuwsgierig man. Hij kondigt aan een kleine toespraak te houden en een gedicht voor te lezen. Hij wil veel dingen weten. Of Van Z. dronk. Of het in zijn woning een verwaarloosde bende was. En wie hem dan gevonden heeft. En of er geen familie is. Meneer Bakker heeft geen antwoord. Ja, de buren, maar die willen niet op de begrafenis komen.

En voor zover er nog familie is, die hebben ook alle belangstelling verloren.

Nu zou ik in deze situatie veeleer geneigd zijn om te wachten tot de ander het woord neemt, en wellicht uit eigen beweging meer informatie loslaat dan op de expliciet gestelde vraag. Sommigen zwijgen in hun ongemak, anderen willen dan juist praten.

Verbeeld ik mij nu dat de dichter een forse damp van afgewerkte alcohol om zich heen draagt? Zijn bleekheid verraadt weinig. Het angstzweet dat de dichter op het aangezicht staat kan heel goed aan het onwennige van de situatie geweten worden. Ik ken hem inderdaad als een zenuwachtig man. Maar altijd goed gekleed. Dat zeker. Hij draagt een zeer donkergrijs kostuum, dat met enige goede wil zelfs zwart te noemen valt. Lamlendige filmmuziek begeleidt ons bij het binnentreden van de aula.

We nemen gedrieën naast elkaar plaats op de in slagorde rond de kist geschaarde stoelen. We zitten op de voorste rij. Niet eerder zat ik zo dicht bij de kist. Hier ontbreken de zes kaarsen, die op St. Barbara om de kist heen staan. Grote witte kaarsen op een zilveren kandelaar, in het geheel bijna twee meter hoog. De kaarsen zijn in werkelijkheid een dikke stok, waar bovenin een theelichtje wordt aangestoken. Zo zijn de kaarsen altijd nieuw. Ze verslijten nooit. Achter ons wordt een gordijn gesloten.

Er is een klein, gesloten spreekgestoelte naast de kist geplaatst.

Hierachter neemt de dichter plaats. Hij heeft zijn gedicht in een donkerblauwe map gestoken. Zo donkerblauw is de map, dat die met enige goede wil wel zwart te noemen valt. Hij opent zijn map en sluit deze weer. Hij houdt een korte inleiding op zijn gedicht. In zijn toespraak gedenkt hij de heer Van Z., 71 jaar oud, die werd gevonden in zijn woning aan de Bilderdijkkade, hier in Amsterdam. Ieder woord dat hij spreekt, gaat gepaard met een handgebaar, alsof hij elk woord in de lucht wil onderstrepen. Alsof de woorden te zwaar zijn, alsof ze zouden kunnen vallen zonder enige vorm van begeleiding. Hij kucht. Vertelt dan dat hij bij het schrijven van zijn gedicht sterk aan het einde van de komiek Benny Hill moest denken. Benny Hill, de Engelse tv-komiek, van wie ik ergens een oerbeeld in me draag van een bol gezicht met een lelijke grijns, en op zijn hoofd een mal Egyptisch hoedje met een lange draad eraan. De wanhoop van de al te leuke oom. Maar dat is Tommy Cooper, zegt Menno later, die was wèl grappig. Benny Hill was ranziger.  De komiek van wie men zegt dat hij zich verbitterd terugtrok na een carrière die te lang geduurd had. Benny Hill, die zijn laatste jaren zwijgend voor zijn televisietoestel doorbracht. Zoiets stelde ik me voor, legt hij uit, terwijl hij zijn gewicht van het ene been op het andere verzet, de map weer openslaat. Dan komt het gedicht.

Moe in Amsterdam

Hij wist dat het zou komen, dat gevoel

dat achter alle ramen van de stad

het leven beter dan het zijne was.

 

Zo zat hij aan zijn Amsterdamse gracht.

Wat zeg ik? Zo denk ik dat hij daar zat.

Vergrendeld aan een Amsterdamse gracht.

 

Ik weet niet goed tot wie ik spreek. Ik weet

alleen dat hier een lege schedel ligt,

een borstkas met een hart dat tot voor kort

 

nog eeuwig heeft gedrumd. Dag stille man.

Dag Amsterdammer zonder stratenplan.

Vergeet de stad en slaap zoveel je kunt.

 

Dan slaat de dichter tot tweemaal toe een haastig kruis en legt zijn gedicht op de kist.

De kelken zitten nog in het papiertje van de winkel. Krakenderwijs wordt er onhandig wat aan de verpakking gefrummeld. Naast mij hoor ik Bakker ademen. De uitvaartleider schiet te hulp, meneer Prins, ik heb hem vaker gezien, een mooi, schriel mannetje met Deelder-haar, vet achterovergekamd. Maar ook de uitvaartleider heeft moeite met het plakband. Gezamenlijk frunniken de mannen nu in strijd aan de verpakking. Het elastiekje blijft de kelken bijeenhouden, in hun heilige drievuldigheid.

Het is gelukt. De kelken worden, van hun verpakking bevrijd, in al hun tere naaktheid achter het gemeenteboeket op de kist gelegd. De uitvaartleider tilt het bloemstuk iets op, en schuift het gedicht eronder, opdat het gedicht waaivast en toch zichtbaar mee naar buiten kan.

Als de dichter weer zit, weerklinkt het duet uit de Parelvissers door de aula. Ongelukkigerwijs ken ik het beroemde stuk in een afgeleide versie, gezongen door de vergeten cabarethelden Henk Elsink en Frits Lambrechts, in de rol van twee tenoren. Over twee zangers die een friteskraam beginnen op het kruispunt Oudenrijn, waar sindsdien operaminnaars uit het hele land de vaste klanten zijn. ‘Staande in de walmen van het zuiver dierlijk vet / zingen wij de Parelvissers van Georges Bizet.’  Uit een duistere spleet in mijn herinnering klinkt de echo van het nasale stemgeluid van Elsink, die tussen het zingen door vraagt: mayonaise? Piccalilly?

Bij het derde stuk, het Air van Bach, gaan de deuren voor ons open. De gordijnen waaien licht op en worden dan pas weggeschoven. Daar staan de dragers in het schetterende zonnelicht. Ook weer die grote goeiige, die wel wat op Alfred Hitchcock lijkt, uiterlijk dan, meneer Degenkamp heeft me een vorige keer verzekerd dat zijn geestelijke vermogens beperkt te noemen zijn. Beperkt? Vroeg ik. Zeer beperkt, antwoordde Degenkamp.

Zwijgend lopen we langzaam achter de kist aan. We passeren het gedenkteken voor Hans Worm, en een soort tegel waarop met grote zwarte letters genoteerd staat: Jij Blijfdt Voor Altijd In Ons Hart. Menno verbreekt de stilte. Zag u dat? vraagt hij aan Bakker, blijfdt?  Ach ja, bromt Bakker, zal wel ouderwets zijn zeker. Johnny Jordaan, die schijnt hier ook te liggen, kwebbelt Wigman verder, ook met een fout op zijn steen.

Dan zijn we er. We nemen onze stilte in acht. Meneer Prins spreekt, de handen plechtig voor de buik gevouwen, zijn vaste zinnen uit. We vertrouwen de heer Van Z. nu aan de schoot der aarde toe. De kist zakt weg. Men is scheutig met grafgroen geweest.  De takken dreigen even mee het graf in getrokken te worden, maar veren aarzelend terug om zich boven de kist te sluiten. Het bloemstuk is van de kist genomen. Het gedicht glanst als een bleke vlek vanuit het duister tussen de takken door. Nog even blijven we staan. Dan wandelen we terug voor de koffie na de dood, die er altijd is, twee kopjes. Menno loopt nog even terug om zijn kelken terug op de kist te leggen. De bloemen vallen niet in het graf, maar blijven rusten op het dennengroen.

In de koffiekamer mengt meneer Prins zich aarzelend in het sukkelend gesprek. Dat hij nog van de oude stempel is. Dat hij nog een degelijke opleiding heeft genoten. Hij vertelt wat hij vroeger van zijn baas geleerd heeft: de code van de zwijgzaamheid. Dat is de eerste wet. En vervolgens wat er van de spreker wordt verwacht. ‘De spreker,’ doceert Prins, tersluiks naar de dichter omziend of hij diens volle aandacht heeft, ‘de spreker wordt geacht om stil te blijven staan.’ Hij doet het voor, dat stilstaan. Zet een stap naar achteren, vouwt de handen omzichtig voor het geslacht en blijft roerloos in die houding staan. Een volle minuut staren we naar de onbeweeglijke gestalte.

Ondertussen denk ik aan de karakteristieke begrafenishouding, met die handen kruislings voor het geslacht gevouwen, waar de kiemen van een volgend leven sluimeren. Of dat uit zelfbescherming is. Hij knippert niet eens met zijn ogen. Dan ontdooit hij, en vervolgt, weer een kleine stap naar voren nemend: ‘de spreker legt de handen te rusten aan weerszijden van de katheder, om vanuit die roerloosheid eerst de blik over het publiek te laten gaan.’ De oude uitvaartleider kijkt ons allemaal een moment zwijgend aan. ‘Pas dan zal hij beginnen met spreken,’ zegt hij, een belerende vinger opstekend:  ‘waarbij men even roerloos blijft. Men wiebelt niet, terwijl men spreekt, men gaat niet wijdbeens staan, men poetst nimmer de bovenzijde van de schoen aan de achterkant van de pijpen aan de pantalon. Zo heb ik dat geleerd,’ vertelt hij.

Bij het minimale ritueel telt het detail. Voor Jules Deelder zit de kwaliteit in de onberispelijkheid van de procedure. Als we afscheid nemen, negeert hij mijn uitgestoken hand. Ik blijf nog even, zegt hij, ik sluit af. Buiten staan we aarzelend nog enige ogenblikken bijeen. Ik zie dat meneer Bakker in dezelfde auto is gekomen als meneer Fritz altijd bij zich heeft. Die waarin je een grote hond zou kunnen vervoeren naar zijn laatste rustplaats. De dichters zetten zich op hun herenfiets. Met hun lange jassen aan, in het nette pak gehesen. Het mensenhart. Het zonnelicht.

F. Starik.