EENZAME UITVAART NUMMER 2
IM mevrouw NN, leeftijd en geboorteplaats onbekend – 18 november 2002, Groeneveen, Amsterdam
Maandag 9 december 2002, 10 uur ’s morgens, begraafplaats St. Barbara.
Dichter van dienst: Rogi Wieg
Heldere zon, vrieskoud. Ik ben vroeg: een half uur voor aanvang knerpt mijn fiets St. Barbara op.
De dragers zitten rokend in een bordeauxrode Opel Vectra. Uit de aula klinkt orgelmuziek. Nieuwsgierig ga ik kijken. Heeft Degenkamp misschien hobby aan improviserend orgelspelen? In de duistere zaal vind ik dichter van dienst Rogi Wieg, die een aardig stukje blijkt te kunnen orgelen. Ik heb hem aan de telefoon verteld dat passende kleding op prijs wordt gesteld. Hij heeft getracht het kledingvoorschrift na te leven door een schone, grijze, gekreukelde pantalon te dragen, waarboven een witte spencer en een indifferent overhemd. Zijn langdurig verblijf in het gekkenhuis heeft zichtbaar sporen nagelaten. Breder, schever, dunnend haar.
De bouw en het postuur van een bokser, vindt hij zelf. Het hoofd licht gekanteld, klaar voor de linkse hoek van de tegenstander. Ik zie eerder sporen van antidepressiva. Word je ook heel stevig van. Drie zelfmoordpogingen heeft hij achter de rug. Vijf keer bijna dood geweest. Ik ben niet bang voor de dood, heeft hij opgewekt aan de telefoon gesproken.
Vrijdag stond er een stukje in de krant over onze onbekende dode: een vrouw, gevonden in een lift in flat Groeneveen, opnieuw de Bijlmermeer. Er worden enige details vermeld: dolfijn in voortand, tatoeage van een slang op de binnenzijde van de linkerarm. Leeftijd tussen dertig en veertig jaar. Donkere huidskleur. In de krant stond meer dan de dichter was verteld.
Even later arriveert de uitvaartleidster. Ze verwondert zich over het duister, waarin we samenscholen. Wieg verklaart dat hij gezocht heeft naar een lichtknopje. Maar dat kon hij nergens vinden. De uitvaartleidster meent dat zoiets eenvoudig valt op te lossen. Maar ook zij kan het lichtknopje niet vinden. We praten over onze onbekende dode. Ze heeft haar vanmorgen in het uitvaartcentrum in de kist zien liggen. Beslist geen verwaarloosde vrouw. En: ze had mooie dingetjes in haar haar gevlochten. Je zou toch verwachten dat er iemand verdrietig moet zijn. Maar er is nog niemand gekomen. In het uitvaartcentrum was ook niemand, deelt ze mee. We schudden ons hoofd in het duister van de aula. Het is bijna tijd.
We stappen naar buiten, knijpen onze ogen dicht tegen de onbarmhartig lage zon. Daar is de lijkwagen, en ook meneer Fritz in zijn zwarte Golf, een stationwagen, waarvan de achterruiten zijn geblindeerd. Je zou er best een grote hond mee kunnen begraven.
De uitvaart kan een aanvang nemen. Achterin de zaal zijn twee rechercheurs van de politie aangeschoven. Een flamboyante, met een hoed als van een privé-detective in een Amerikaanse film, en een casual collega, met een snor en in spijkerpak. Het Air van Bach. Dan spreekt Wieg. Zo doen we dat. Zo is dat afgesproken. Tussen het eerste en het tweede muziekstuk spreekt de dichter. Wieg wurmt zich uit zijn bankje, komt naar de kist toe gelopen. Hij kiest positie met zijn rug naar het kleine publiek, wendt zich rechtstreeks tot de dode in de kist.
Bij de begrafenis van een onbekende
De afkomst van de dood is onbekend. En als hij komt
duurt het even, jij kan het weten, en daarna is er werkelijk
zo langdurig niets dat je van een eeuwigheid mag spreken.
Je had geen naam of leeftijd, je kon niet worden vergeleken.
Had je dan geen stukje oud papier om ooit iets op te schrijven,
was er geen vriend, geen kennis, geen wrede vijand desnoods
in je buurt? Is er niets om in je steen te slaan van voor je dood?
Hoe is een laatste ademstoot, of een geruis, wanneer je niemand zijn
zal in de tijd? Ik sta hier in mijn beste pak, citeer uit eigen werk
voor jou, op verzoek van heren die ook niets van je weten,
je kist vertrekt en er komt zwarte koffie. Men zal misschien iets eten.
De aarde haalt de doden uit elkaar, de aarde doet wat haar werd
opgedragen door een God of door de leegte, je weet wel hoe het gaat.
De witte anatoom, hij weet het meeste, maar is altijd veel te laat.
Als hij is uitgesproken legt hij zijn gedicht met een teder, haast liefkozend gebaar op de kist. Ik maak me al zorgen hoe dat buiten moet: het waait, een schrale oostenwind. Maar het gedicht wordt onopvallend, met een discrete vanzelfsprekendheid door een van de dragers van de kist genomen. We begeleiden de vrouw naar haar laatste rustplaats. Het kleine ritueel van het plaatsen van de kist, de zinsnede van het toevertrouwen aan de aarde, en we nemen onze stilte in acht, hoed in de hand. Het hendeltje tolt.
De flamboyante rechercheur blijkt een enthousiast verteller. Hij memoreert voor ons zijn overleden vrienden en familieleden. Zijn zwijgzamer collega legt de plechtigheid vast met een piepklein cameraatje. Ieder vraagt om een kopie van het gedicht. Meneer Degenkamp gaat extra exemplaren kopiëren. De rechercheurs willen ook een exemplaar, voor in het dossier. Onze mevrouw komt in Opsporing Verzocht. Ze is niet in die lift gestorven, ze is daar heen gebracht. Maar er zijn geen sporen van geweld. Ze moet gekend zijn, maar niemand, helemaal niemand komt haar de laatste eer bewijzen. Bitter, bitter lot. Wieg brengt zijn gedicht terug naar de kist.
Een paar dagen later schrijft Eva Gerlach me: ‘Die mevrouw zag ik gisteren op tv. De slang op haar arm kreeg je helaas niet in beeld, wel het sierwerk boven haar billen. Ogen in haar opgezette al wat verkleurde gezicht halfopen, dat vergemakkelijkt de herkenning legde mijn ene dochter uit, daarna begon ze zich erover te verwonderen dat wij de doden altijd met dichte ogen versturen, alsof ze anders zouden zien hoe donker het is daar beneden of hoe licht in de oven.’
Ik kwam vandaag extra vroeg, in de hoop dat Fritz ook veel te vroeg zou wezen. Fritz belde daags na het aanmelden van de gevonden vrouw over een meneer S., die maandenlang in zijn woning heeft doodgelegen. Aan de telefoon besluit hij dat we S. er niet bij kunnen doen, omdat wij ons niet over twee plaatsen tegelijk kunnen verdelen. Dezelfde dag, hetzelfde uur, op begraafplaats Vredenhof, binnen tien minuten bereikbaar op de fiets. In mijn ijver om goed te bevallen schrijf ik als per ongeluk toch een gedicht voor hem, en besluit om vroeg te zijn, deze maandagmorgen, zodat alsnog de mogelijkheid ontstaat om S. op zijn laatste tocht te begeleiden, eenmaal geconstateerd hebbend dat dichter van dienst Rogi Wieg inderdaad aanwezig is. Maar Ger Fritz arriveert niet veel te vroeg genoeg.
Fritz stelt voor om meneer S. graf ook nog even op te zoeken. Dat doen we. Wieg rijdt in de auto van de Dienst met Fritz mee, ik verplaats me op de fiets naar Vredenhof.
S. werd op zijn balkon gevonden. Terwijl ik in mijn gedicht fantaseer hoe hij in zijn woning werd aangetroffen, misschien keek hij teevee. Naar de Postcodeloterijshow, of een praatprogramma van de K.R.O. Maar nee. Hij zat op het balkon. Een detail, maar een fraai detail. Zulke dingen moet je weten. Maar hoe krijg je Dienst zover het veelzeggend detail met de dichter te delen? Dat is een probleem. Bij het graf van S. staande dringt Ger Fritz aan dat Starik zijn gedicht alsnog zal zeggen. Starik weigert, vriendelijk maar beslist. Het momentum is voorbij. En dat balkon zit hem niet lekker. Dat had een heel ander gedicht gegeven. Maandenlang, in weer en wind, dag en nacht op zijn balkon gezeten. Keek de overbuurvrouw uit het raam en verbaasde ze zich niet? Of dacht ze dat hij sliep? Kwam er een duif zitten op zijn blauwe hoed?
Fritz vertelt dat hij inmiddels driehonderd verlofuren bijeen heeft gespaard, en dat hij die gaat opnemen. Hij verwacht zichzelf rond tien januari terug in dienst. Tot die tijd komt de Poule des Doods weer stil te liggen. We spreken over de mogelijke publiciteit rond de Poule, en Wieg stemt ermee in om voorlopig van ons zegenrijke werk te zwijgen. Later die dag heeft hij een interview. Er komt een nieuw boek, Kameraad scheermes, waarin hij uitputtend verslag doet van zijn laatste moeizame jaren, de weg omlaag, de weg terug. Fritz kan zich erin vinden. Hij heeft inmiddels een aanvraag van Netwerk liggen. En nog een ander programma van de teevee. Kerstprogramma’s met eenzaamheid en dood erin. Ook hij zal voorlopig zwijgen over de Poule des Doods. De bedoeling is toch, dat de dichter in zijn naakte waarheid tegenover de dode staat. Eerder had De daklozenkrant al om een mooi stuk gevraagd. Het leek me wel passen, als plek, om de eenzame dood te verslaan. Maar waar begin je aan? Volgende week ligt Willibrord Fréquin al in de bosjes.
We nemen afscheid onder het uitspreken van de eerste beste wensen voor het nieuwe jaar.
F. Starik