Eenzame uitvaart nummer 51
IM: Hr. R. V., geboren op 29 mei 1959 te Baarn, gevonden op 19 december 2005, Amsterdam
dinsdag 27 december 2005, 15 uur, begraafplaats Vredenhof
dichter van dienst: Thomas Möhlmann
Derde kerstdag. Het sneeuwt. Op begraafplaats Vredenhof verzamelen zich een zevental mannen, naast de uitvaartleidster, de vier dragers, uw verslaggever en de dichter van dienst, de heren Fritz en Kerstens van de Dienst, twee heren van – de Finse schrijvende pers – zoals die al geruime tijd waren aangekondigd door de Dienst. De heren moesten lang op hun uitvaart wachten; eerst de Volkskrant, dan Netwerk, dan waren zij pas aan de beurt.
Als ik aan kom lopen wenkt de begraafplaatsbeheerder me binnen, in de ontvangstruimte, want met dit weer kun je de mensen niet buiten laten wachten, vindt ze, en dan is er toch een vriend gekomen, hij zit er al. We stellen ons voor. Nu ja, een vriend, zegt hij ‘ik heb hem wel geholpen. We hebben vroeger wel samen gewerkt, in de bouw, ik heb hem nog een tijd een anti-kraakwoning gegeven, gratis,’ vertelt hij, ‘heeft-i toch mooi twee jaar gewoond.’ Na twee jaar werd eindelijk met de verbouwing begonnen. ‘En toen moest hij eruit. Woud-i niet. Hatt-i toch mooi twee jaar gehad om een andere woning te zoeken. Maar dat hatt-i niet gedaan, een andere woning zoeken.’ Dat was niet prettig afgelopen. Want hij moest wel weg. Uiteindelijk was hij vertrokken. Maar niet helemaal, eh, vrijwillig. Hij had wel gehoord dat het de laatste tijd niet goed ging. ‘Drinken, gokken, schulden, en dan nu, met die nieuwe ziekenwet, dan ga je dus onverzekerd rondlopen. En dan krijg je dit.’ Hij wijst om zich heen, door de verder nog lege ontvangstruimte. Hij had er al over in de krant gelezen, dat er dan een dichter komt, bij zulke uitvaarten, maar toen hij dat artikel las stond hij er niet bij stil dat zoiets dan ook werkelijk gebeurde, dat het zomaar kon gebeuren dat je even later in de werkelijkheid van dat artikel staat, dat je een paar weken geleden las. Toch wel goed, dat was het, het gaf hem het gevoel dat hij niet helemaal voor niets gekomen was.
Dan zie ik de dichter van dienst komen aanfietsen. Thomas Möhlmann heeft wat waarschijnlijk zijn beste pak is aangetrokken, zwart, met heel chique, licht contrasterende glimstrepen, zwart overhemd. Met een wit overhemd erbij zou je het ook naar een bruiloft of promotie aankunnen. Het was vermoedelijk niet een heel erg duur kostuum, het straalt al uit hoe spoedig de glimstrepen zich zullen uitbreiden over het zitvlak, en ook onder de ellebogen zal de sleet zich teleurstellend snel aandienen, knieën zullen zich aftekenen in de broek.
Van mijn kostuum laat de zoom van de linkerbroekspijp ook al los, moet ik erbij zeggen. Ik moet de broek de laatste tijd heel voorzichtig aantrekken, en dan nog, hoe voorzichtig ik ook doe, telkens laat de zoom een stukje verder los.
Dit moest dit jaar de laatste uitvaart dan maar wezen.
Fritz en Kerstens arriveren tegelijk met de heren van de schrijvende pers uit Finland, de een met moderne bakkebaarden, de andere met een hippe bril op. De vriend inmiddels heeft verteld wat hij zo’n beetje weet. Veel is het niet. Hij hield van Solomon Burke, daar heeft hij nog eens een cd-tje van gebrand, voor hem, zomaar. ‘Moet je dan geen auteursrechten afdragen’, had hij nog opgemerkt, maar dat was meer voor de grap geweest. Van Hazes hield hij niet, daar moest hij niets van hebben. ‘Dat is jammer,’ zeg ik, ‘ik heb vanmiddag nog met die cd van Solomon Burke in mijn handen gestaan, stom, ik dacht dat het te religieus zou zijn. Ik heb in plaats daarvan een cd van Patti Smith meegenomen, en een van Robert Wyatt, en ook die laatste van Neil Young.’ Ik frommel de cd’s uit de binnenzak van mijn overjas, laat ze zien, ongeveer alsof ik voor mezelf een handel in gestolen cd’s begonnen ben, ‘Patti Smith, ja, daar hield hij ook wel van’, besluit de vriend, de handelswaar oppervlakkig beziend.
De begraafplaatsbeheerder vindt dat we eerst nog maar eens moeten overleggen. Ze beaamt dat Hazes op het menu staat. Die moet er dus af, zeg ik. Fritz weet van niets, zegt hij, ‘ik weet niet van welke muziek meneer hield.’ ‘In ieder geval dus niet van Hazes’, persisteer ik. Fritz neemt de cd aan, zegt dat het wel in orde komt.
De heer V. stond sinds 14 juli 2004 in Amsterdam ingeschreven, zonder vaste woon of verblijfplaats. Hij genoot een uitkering van de Sociale Dienst via een postadres.
Nooit getrouwd, geen kinderen bekend. Hij werd op 19 december des avonds door de regiopolitie dood aangetroffen op een zolder in de Jan van Galenstraat. Hij was op dat moment naar schatting ongeveer 14 dagen geleden overleden.
De politie trof een afscheidsbriefje aan, waarin hij onder andere verklaarde ‘ik heb gewoon geen zin meer in’. In het afscheidsbriefje maakt hij voorts melding van het feit dat hij geen familie meer heeft. Zijn ouders zijn inderdaad allebei overleden. Wel is er nog een halfbroer en een broer, die beiden niets meer met hem te maken willen hebben. Er zijn twee zussen, naar wie door de Dienst nog gezocht wordt. In het briefje is verder sprake van een vriend, die eveneens verklaarde geen belangstelling (meer) te hebben. Tenslotte maakt zijn brief gewag van een goede vriend die heeft verklaard misschien te willen komen, de verwachtingen van de Dienst zijn daaromtrent niet hooggespannen.
Misschien is de bouwman wel de goede vriend waarvan de afscheidsbrief spreekt. Dat ga ik dus niet vragen. We gaan de aula binnen. ‘Het dorp’ van Sonneveld klinkt op, ditmaal door de meester zelf gezongen; vorige week hoorden we het nummer nog in de woordloze uitvoering van de organist van Westgaarde. Ruim verspreid zetten we ons neer op het overvloedige aanbod aan stoelen. Als het nostalgische verlangen goed en wel is uitgeklonken, staat de dichter op, komt achter het spreekgestoelte staan en leest, allengs emotioneler, zijn gedicht.
De dichter heeft zijn gedicht in een zwart schrift gestoken. Erop geschreven staat de titel van het gedicht, Vonk, in hoofdletters, met een zilveren pen, met de hand geschreven. Rechte lijnen uit de losse pols.
Vonk
Licht kort op en eindelijk zal iemand
je vinden iemand sjort de strop los
iemand moet de trap met je af niemand
over om echt kwaad op je te worden.
Doof maar laat wat schade na, licht
kort op en laat een vlek achter
we weten toch al niet zo veel, leren
weinig bij vergeten het meeste het is
genoeg: voeg je naar een schoot
adem in adem uit verlies gaandeweg
je huid, word fijner stof om on-
bekende schouders te bedekken.
Thomas Möhlmann
Het lijkt wel alsof gedurende zijn lezing de dichter licht begint te blozen. Als hij is uitgesproken, vouwt hij zijn gedicht in het schrift en legt het schrift dichtgeslagen op de kist, maakt dezelfde kleine, korte, wat onhandige buiging als ik mezelf altijd zie doen: nooit helemaal onder de knie gekregen. Houdt de kist een ondeelbaar moment extra vast, voor hij zijn hand aan zichzelf teruggeeft. Loopt dan gedecideerd terug naar zijn zitplaats.
Andrea Bocelli klinkt op. Time to say goodbye. De schrijvende pers heeft al onder het uitspreken van het gedicht luidruchtig te kennen gegeven over een ouderwetse spiegelreflexcamera te beschikken, zo een waarvan je de spiegel omhoog hoort klappen en even later weer omlaag. De muziek dempt de klak van het overjarig toestel.
Dat moet je de muziek nageven.
Eindelijk, na een lang aangehouden stilte, klinkt het intro van de aarzelende piano van Patti Smith’s ‘My Madrigal’ op. Met ingehouden hartstocht, van een intense treurigheid vervuld, zingt zij, na de dood van haar geliefde ‘oh, till death do us part’, en dat herhaalt zij vele malen, vele malen.
De uitvaartleidster wenkt ons recht te staan. Dan gaan de deuren open. De dragers staan klaar, op de witte sneeuw, in een onwerkelijk verlicht landschap. De man die zolang heeft gewacht met het derde muziekstuk aanzetten, duwt nu de gordijnen opzij, sneller dan ze automatisch voor de deuren moeten wijken. Hij verdwijnt erin, alsof hij de stof omhelst. Er is geen wind.
Zij gaat voorop. We schrijden de snijdende koude in, ik zie dat Thomas zijn overjas kennelijk in de ontvangstruimte heeft achtergelaten. In niets dan zijn mooie pak gaat hij de begraafplaats op. Alle overige heren hebben de overjas weer aangetrokken. Begeleid door de dubbele klak van de camera gaan we naar de laatste rustplaats van de vlam, die nooit werd aangestoken. Ik moet zelfs beven in mijn jas.
De minuut van stilte houdt lang aan. De kist daalt. Er is geen schep. We gaan elkander voor de koffie in. Gegevens worden uitgewisseld. Er moet nog een interview worden afgewerkt. In restaurant Amsterdam wacht een verslaggever van Amsterdam Weekly. Ik heb haar weggestuurd, voor aanvang, omdat die vriend gekomen was, het leek me teveel, twee heren en een dame van de schrijvende pers, en dan moet jij die vriend voorstellen.
Thomas vertelt over zijn gedicht. Je vindt er een verwijzing in naar het stof op de jas van de zeer langzaam levende dichter, wat eigenlijk gewoon een grapje was, van een andere schrijver, een grapje dat ik in mijn boek citeer, over een andere dichter die ooit een gedicht voor eenzame uitvaart schreef en dat daar voorlas, hetgeen maar weer aantoont dat als je ooit iets moois zegt, het altijd terecht komt, ergens, vroeger of later. Hij verwijst naar een gedicht van Tsead Bruinja, dat hij ‘Adem’ noemde, hij verwijst naar Simon Vinkenoog’s ‘Adem even in, adem even uit.’
Hij verwijst naar de Griekse mythologie, naar Hermes, die der menschen behulpzaam was de rivier de Styx over te steken, ook al had Hermes daar niet altijd zin in, hij deed het toch maar.
De mevrouw van Amsterdam Weekly knikt beleefd.