Eenzame uitvaart #50

Eenzame uitvaart nummer 50

mevrouw A.J. B.

17 oktober 1924, Amsterdam † 5 december 2005 St. Lucas-ziekenhuis, Amsterdam

woensdag 21 december, 10.30 uur, Westgaarde.

dichter van dienst: F. Starik

Het programma Netwerk maakt een fijngevoelige reportage over de eenzame dood en meneer Fritz heeft een mooie dode voor ze uitgezocht, hij moet er telkens terug van zijn pensioen voor komen. Daarom (waarom? omdat het goed is voor de promotie van het Boek en verwarring voor -de kijkers thuis- schept als er dan opeens een andere dichter komt voorlezen, dan moet je zoveel extra uitleggen, dat de mensen in het land elkaar aanstoten en zeggen, was dat niet iemand anders, die ook al zoiets deed?) heb ik besloten deze mevrouw zelf met een gedicht te gedenken. De uitzending zal plaatsvinden op vrijdagavond 30 december, meteen na het journaal en als u dan tevergeefs naar Nederland 1 kijkt, zal de uitzending een week zijn uitgesteld, tot vrijdag 6 januari, maar een vrijdag wordt het zeker.

Mevrouw B., geboren en getogen in Amsterdam, trouwde op 46 jarige leeftijd in 1970, in 1985 overleed haar echtgenoot. Het huwelijk bleef kinderloos. Er werd geen naaste familie getraceerd.

Ze laat een zeer eenvoudige woning na, karig gemeubileerd, waarin geen enkele vorm van ‘vermaaksapparatuur’, zoals meneer Fritz dat noemde, aanwezig is: geen radio, geen televisie, geen pick-up, niets. Geen boeken, geen tijdschriften, geen krant, ja, van die gratis krantjes die bij iedereen door de bus worden geduwd. Geen foto’s. Ja, aan de muur hingen ’twee schilderijtjes’, reproducties van Van Gogh. Aan de straatkrant hingen er vitrages voor de ramen, aan de achterzijde roodbruine gordijnen. Het was tropisch heet in de woning. De thermostaat stond afgesteld op 35 graden.

Deze laatste details heb ik van de programmamaker, die de woning op de vrijdagmiddag voorafgaand aan de uitvaart mocht filmen. Inmiddels heb ik daags voor de uitvaart eenzelfde behandeling ondergaan. U gaat mij, vermits dit zo uitpakt in de montage, op 30 december op de televisie kunnen zien, terwijl ik mijn schoenen poets, mijn begrafeniskostuum aantrek, mijn overjas, en dan kaarsrecht de straat uitfiets, rechtsaf sla, waarna ik door de naast mij rijdende auto, waar de cameraman in de opengeschoven deur zit, op de Haarlemmerstraat weer word opgepikt.

Geen adressenboekje. Ja, een paar cassettebandjes, met Sonneveld, Hazes erop. Maar geen cassetterecorder om de bandjes af te spelen. In de slaapkamer een tweepersoonsbed met één kussen erop. Er was een uitvaartpolis, voor de crematie. Dat had ze in het jaar van haar huwelijk al geregeld. Ze betrok haar laatste woning enkele jaren voor haar huwelijk. Haar man is van daaruit op zijn laatste reis gegaan. En zij bleef achter.

Het televisieprogramma Netwerk zal niet alleen haar woning uitgebreid in beeld brengen, maar ook de afhandeling van deze zaak bij de ambtenaren, een gesprek hebben met Simon Vinkenoog en Menno Wigman, iemand van de Thuiszorg, die mevrouw gekend heeft, en tenslotte zal de uitvaart zelf gevolgd worden, al heeft de opnameleider ingestemd met mijn verzoek de kleine plechtigheid zelf buiten beeld te laten: ik zal het gedicht voice-over buiten beeld op een ander tijdstip uitspreken. Ik weet niet of dat leugenachtig is.  Van tevoren denk ik: ik ga in mijn gedicht toch rekening houden met het feit dat heel veel mensen dat gedicht, zij het buiten beeld, te horen krijgen.

Daags voor de uitvaart komt de filmploeg zorgen dat ik te bezichtigen zal zijn, achter de computer, zogenaamd werkend aan mijn gedicht. In werkelijkheid zal ik wel een mail gaan zitten beantwoorden of zoiets, dat de mensen denken: kijk, dat is een dichter, daar schrijft-i een gedicht. Het wordt een moeizame bevalling. Misschien weet ik deze keer te veel.

Details, nauwelijks ter zake doende feiten.

‘All the world’s a stage, but I’m a jukebox’  schreef Shakespeare al, geloof ik.

De ochtend van de uitvaart voltooi ik de lange tocht naar Westgaarde ruim op tijd en zonder hapering. Ik klets wat met twee te vroeg aangespoelde dames, die komen voor de begrafenis van kwart over elf.  In de verte zie ik de lijkwagen aan komen glijden, een schitterend zilverkleurig exemplaar. De cameraman loopt achteruit, gebukt over zijn apparaat, voor de stoet uit. Het is een wonderlijk tafereel, hij moet bijna rennen, om de uitvaartleidster die voor de auto uit plechtig op de aula afschrijdt met een grote zwarte dameshoed op. Een cameraman moet heel goed achteruit kunnen lopen. Op eerbiedige afstand volgt eerst de auto met de geluidsman en de reporter erin, en dan de auto van de Dienst, met Fritz en Jane erin.

Rokend wacht ik hun komst. Ik ga voor de zekerheid maar vast in de begrafenishouding staan. Je weet nooit of de camera zal zwenken. Meneer Fritz is formeler, afgemetener dan ik hem in lange tijd heb gezien. De komende gang van zaken wordt doorgesproken, ze willen de organist van dienst graag filmen, maar die wil dat niet. Alleen zijn handen dan, probeert de cameraman, die zo goed achteruit kan lopen, zonder om te kijken, maar even later volgt de uitslag, ook zijn handen niet. Dan gaat de geluidsman het geluid wel tappen. Dat mag.

Gisteren heb ik in mijn interview nog maar eens uitgelegd dat de beleidslijn is, dat de dienst zelf niet gefilmd kan worden, dat is een zaak tussen dichter en dode. Bereidwillig heb ik het gedicht vast voorgelezen, in mijn eigen overvolle woning, opdat het niet nodig zou zijn de dienst te filmen, ik had het kunnen weten, als we achter de uitvaartleidster aan de aula binnentreden loopt de filmploeg mee naar binnen, Hazes knalt al door de overdreven grote aula, een lied waarin een brief aan een moeder wordt geschreven, en die brief wordt aan een vlieger opgelaten. Mevrouw B. is kinderloos gebleven.

Fritz en Jane nemen plaats op de laatste twee aaneengesloten stoelen van de rij, dat laat mij een stoel in de naastgelegen rij, het gangpad ertussen, ik leg mijn overjas naast me, bij wijze van virtueel gezelschap. Als Hazes klaar is met zingen sta ik op, neem plaats achter de katheder met het vermanende opschrift: microfoon niet aanraken, neem mijn gedicht uit de envelop en lees het gedicht langzaam en gedragen, rekening houdend met de forse galm, de lege ruimte in, door de heldere geluidsinstallatie, die voor de eventuele hardhorenden onder ons ruim staat afgesteld.

 

Steen uit water

Ik was een leeg eiland, een rots uit zee gerezen,

steen uit water, kwam van nergens, ging nergens heen,

alleen, altijd, alleen. Ik bewaarde niets.

 

Geen enkel ding. Ergens maar een bleke foto van.

Vage ruis, geen dwalen in nostalgische herinnering.

Het was alles karigheid, vermorzeling.

 

Dit eiland, mijn woning, grauw als mijn dagen,

mijn uitzicht, geen uitzicht verdoezeld door vuile

vitrages. Voorbijgangers, en je niet afvragen

 

waarom zij voorbijgaan, waarheen, langs

deze stille woning, waar geen klok seconden

tikt, de uren slaat, eenvormige dagen

 

tussen andere dagen, huizen, straten tussen

betekenisloze straten, het kan hier overal wel zijn.

Het grote bed met het enkele kussen.

 

De stoet van eenzame nachten, hier doorgebracht.

Niets herinnert zich, houdt zich vast. Voorbijgangers,

de mens die ze waren, zij varen

 

zwijgend voorbij, er klinkt geen muziek op

niet voor mij. Zolang het lied dat ik zing

maar van binnenuit opklinkt, zolang ik kan horen

 

wat in mijn hoofd zich zingen wil is alles in orde.

De rots verandert de stroom van het water.

Laat ze maar praten, steen houdt zich stil.

 

F. Starik.

Ik vouw het gedicht weer op, sluit het in de envelop, schuif het onder de bloemen op de kist, maak de kleine buiging, die ik naar mijn eigen zin nog altijd niet goed beheers, en ga weer naast mijn jas zitten. Nu mag de organist. Hij doet ‘Het dorp’, van Wim Sonneveld. In gedachten zing ik half het liedje mee. Als het lied is uitgeklonken treedt de uitvaartleidster naar voren en vraagt ons te gaan staan, een minuut stilte in acht te nemen. Dat doen we.

Dan neemt de geluidsinstallatie het weer over: Lee Towers doet zijn onnavolgbare versie van het Ajax-clublied  ‘You’ll never walk alone’. Reken maar dat mevrouw veel heeft gelopen, en altijd alleen. Denk ik. Thuis viel immers ook niks te beleven. Tergend langzaam daalt de kist. De camera is nu veel dichterbij gekomen. Tenslotte, als de kist verdwenen is, sluit de marmeren tegelvloer zich weer, het hydraulische gedeelte iets witter dan de rest van de vloer.

We nemen koffie, er is cake. Fritz biedt cake aan, gaat met de schaal rond: meneer Starik, een stukje? lacht hij, het hoofdstuk van zijn eigen afscheid in het boek gelezen hebbend, we lachen allebei. Hij vond het een mooi gedicht, precies zoals het in die woning was. ‘Zie ik u nog, dit jaar,  meneer Starik,‘ informeert hij. Ik denk van niet. ‘Dit zou toch uw laatste laatste uitvaart zijn?’ ‘Ach’, zegt Fritz, ‘zeg nooit nooit.’

Dan komt ook de filmploeg binnen. Men is onder de indruk, bijna ontdaan. Goed geluid, meent de geluidsman. Bijna abstract, knikt de reporter. Prachtige hoed, zegt de cameraman aan de uitvaartleidster. We tekenen het condoleanceregister onder het toeziend oog van de camera. Via de achteruitgang verlaten we de koffiekamer.

Het is kwart over elf geweest, de volgende uitvaart moet al begonnen zijn.

Voor de film fiets ik de begraafplaats af, zonder om te zien. Terug thuis belt Fritz met melding nummer 51. We zullen elkaar dus inderdaad nog zien dit jaar, op derde kerstdag. Alles ging perfect vandaag, stelt hij tevreden vast, op één ding na, meneer Starik. Hij laat een dreigende stilte vallen. ‘Spreek vrijuit’, zeg ik. ‘Heeft u dat rode bord met die witte streep niet gezien?’ Ik weet van geen bord. ‘Op de begraafplaats, toen u wegreed. Verkeersregels gelden ook voor dichters,’ doceert hij dan. ‘U reed tegen de rijrichting in’. En inderdaad, herinner ik me dan, een volgende rouwstoet kwam langs dezelfde weg mij tegemoet gereden.