Eenzame uitvaart #41

I.M. M. N.

M. N., geboren in 1976, waarschijnlijk afkomstig uit de Oekraïne.
Hij leidde een zwervend bestaan. N. werd gevonden op 16 mei 2005
om 19.20 uur, op het Rembrandtplein in Amsterdam.

*

Ik geef je een vader, kromgeschoffeld
aan altijd weer tegenvallende oogsten
van een weerbarstig land, een bittere man,
dikwijls dronken, ik geef je zijn eeltige,
zijn harde, harde hand.

Ik geef je een kleine stevige moeder
gewikkeld in donkere doeken, starend
over de toendra, ik geef je haar eeuwig
weeklagen, de klachten over de hitte,
de droogte, de winter, de koude, je vader.

Ik geef je een maaltijd, een stevige soep
van overgehouden aardappelen, van wortels
en knollen, van lang gekookte kool. Moeder
snijdt het brood. Het brood is oud. En vader
hij drinkt weer. Zijn soep wordt koud.

Ik laat je verhuizen naar een troosteloze
buitenwijk, een stad van haveloze flatgebouwen,
op lawaaierige trappen tussen overbevolkte
kamers de zelfde zware geur van soep, kool
of riool, je ruikt geen verschil.

Ik geef je een straat, auto’s op de stoep
rijp voor de sloop. Leeggelopen banden.
En ik geef je het verlangen dat uit rijden wil.
Weg van hier. Nooit meer goedkoop.
Ik geef je vrij reizen. Ik zal je ontsnappen.

Ik geef je een stad van vrijheid en voorspoed.
Ik geef je een plein, waar de welvaart bestaat uit
deur na deur een kroeg, de hel van peepshows,
disco’s, herrie, fastfood, gokpaleizen.
Ik geef je een eind en het eind komt te vroeg.

F.Starik

Rust zacht, N., zegt de dichter, en buigt voor de eenzame dode. Neemt weer moederziel alleen plaats in de lege aula, helemaal vooraan. Klapt zijn brilletje dicht en vouwt hem in de brillenkoker. Moondog jr. klinkt op. Iets te hard zet het orgeltje in. Ik heb jarenlang gedacht dat ik dit nummer graag op mijn eigen uitvaart zou willen laten horen.
‘You see I could never understand how to get out of that cell. Please don’t send me back to hell’.
Dat is de laatste zin. Die zin blijft in de stilte hangen. Een van de dragers hoest. Dan beginnen de grote violen te zagen. Na twee minuten draai ik me om teneinde de uitvaartleidster het teken te geven dat we kunnen beginnen met gaan. Even later stappen de dragers naar voren. Tegen de tijd dat het nummer te lang gaat duren, staan we buiten in het schetterende zonnelicht. De uitvaartleidster met Degenkamp voor de stoet uit, de dragers langszij de baar, en Starik moederziel erachteraan. We verzamelen ons om het graf. Er wordt gezwegen. Hoopvol kijkt Degenkamp de uitvaartleidster aan. Dan spreekt ze de formule van het vertrouwen en de aarde. Daar gaat hij, één steek diep. Ik werp een schepje zand. Eén schepje. Het is volbracht.

Die blijft bij mij, zegt Degenkamp vaderlijk. We slenteren terug naar de koffiekamer. Hoe vonden jullie de muziek? informeert Starik. Mooi. Die violen hadden nog best langer mogen duren, vindt men. Moondog moeilijk. Bregovicz weer goed. Schrijft u die gedichten nu helemaal zelf? wil de uitvaartleidster weten. Degenkamp stelt voor de cd achter te laten. Morgen immers weer een eenzame uitvaart. Dan kan die weer te pas komen. Ik denk dat ik een klinkende muzikale overwinning heb behaald. Jan vraagt waarom ik  hem N. noemde en niet A., van Anoniem. Ik leg het uit. Hij was anders al aardig adellijk geworden in de koeling, spreekt Jan dan waarderend. Degenkamp merkt op, dat hij de gedichten die bij eenzame uitvaarten worden gesproken, verzamelt. In zijn muziekhokje, achter de spiegelruit, kan hij de tekst niet goed verstaan. Hoe verzin je het toch elke keer weer, schudt hij waarderend, de tekst langzaam proevend.
Tot morgen, zwaaien we. Tot morgen.