Eenzame uitvaart #39 Amsterdam

Eenzame uitvaart nummer 39

I.M. R. W., 3 november 1964, Kaapstad – 10 maart 2005, Amsterdam

Een man wordt op 10 maart levenloos aangetroffen in de Van Beuningenstraat in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Dat is mijn straat. Ik woon daar ook, bedoel ik. In de straat waar die man gevonden werd. Dat maakt mij zijn dichter van dienst. De man was in het bezit van een identiteitsbewijs. De gewaarschuwde familie herkende hem echter niet. Ze waren niemand kwijt. Ze wisten van een oom, die ooit zijn paspoort was kwijtgeraakt, maar die maakte het verder prima. Die oom was helemaal niet dood.

Er werden vingerafdrukken genomen, van de man die dood gevonden werd in mijn straat. Die vingerafdrukken leidden tot een andere man, iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats, illegaal verblijvend in ons hartelijke land. Maar ook die was niet dood. Misschien dat er ergens iets verwisseld is. Iemand moet een vergissing hebben gemaakt. De politie heeft hem tenslotte zelf maar een naam gegeven. Zomaar een naam.

Hij wordt één steek diep begraven, niet ver van waar hij gevonden werd, op St. Barbara. Misschien heeft hij vaker in mijn buurt rondgelopen. Er lopen nogal wat mensen rond van wie mijn geliefde graag zegt, als wij ze tegenkomen: ‘De deuren staan weer open.’ Zeer oude verslaafden, alcoholisten, uitbehandelde psychiatrische patiënten, zorgmijders. Doorgaans een combinatie daarvan. Er is een kleine dikke man die in hoog tempo de hele buurt doorkruist, alsof hij verschrikkelijke haast heeft, maar hij gaat nergens heen. Hij rent gewoon rond. Er is er een die, bijna catatoon, geheel in zichzelf verzonken, als een soort standbeeld, meestal in de buurt van een supermarkt, zich onbeweeglijk houdt. Soms zit hij gehurkt tegen een muur en speelt op een klein, dun, metalen blokfluitje, daarbij geen enkel geluid voortbrengend, ofschoon hij wel met zijn vingers enigszins in de buurt van de gaatjes beweegt. Misschien weet hij niet dat je moet blazen. En zo zijn er meer.

Ze hangen rond bij supermarkten, rond bankjes op de brug, de Avondwinkel, op pleintjes, voor de kerk. Ik ben wat rond gaan vragen. Er is die ouwe junk die kwaaiig, scheef, in zichzelf mompelend door de buurt scharrelt, maar zo eens per maand ineens over een geweldig goed humeur beschikt. Breed grijnzend spreekt hij me aan, noemt me zijn vriend, en dan wil hij twee euro. Ik heb die twee euro graag voor onze vriendschap over. Gelukkig omhelst hij me niet. Wel drukt hij me zijn opmerkelijk eeltige, ruwe handen. Hij steekt zijn twee duimen naar me omhoog, zwaait. Ik spreek hem aan. Of hij iemand mist. Hier in de buurt. Of hij heeft gehoord dat er iemand op straat is doodgegaan. Die lui moeten elkaar toch kennen, hoewel je ze onderling nooit contact ziet hebben. Ieder lijkt geheel verzonken in zijn eigen wereld. Men komt elkaar in ieder geval dikwijls tegen, of men nu op een punt stil blijft staan of juist voortdurend door de buurt rent. Maar mijn vriend is niemand kwijt. Heeft niet gehoord van een dooie. Of het al heel lang geleden is, wil hij weten. En wie er dan is doodgegaan. ‘Dat wil ik nu juist van jou weten.’

Het centrale verzamelpunt voor de verloren lopenden vind je bij mij in de buurt in de Nassaukerk, waar des ochtends door vrijwilligers gratis koffie wordt geschonken. Kerk in de Buurt, wordt het project genoemd. Er hoort een kringloopwinkel bij. Op sommige middagen zetten ze de meubels die ze in de verkoop hebben buiten op de stoep, om te drogen. Trekt vocht aan, zo’n kelder. Je zou vermoeden dat de kringloopwinkel op zulke momenten geopend is. Het assortiment verandert niet zichtbaar. Massief eikenhouten meubelen, niet stuk te krijgen, vermoedelijk heel lang geleden bij het vuil gevonden, want je vindt ze niet bijna niet meer, massief eiken meubelen, bij het vuil.

Ik was er nooit binnen geweest. Een bedompte ruimte, ruim onder het maaiveld gelegen, tl-verlicht, daar er nauwelijks daglicht doordringt, ofschoon er in de dubbele deuren die toegang tot de kelder verschaffen wel ramen zijn geplaatst. Het licht heeft alle lust verloren om daaronder nog ver door te dringen. Het Kerk in de Buurt-koffieproject speelt zich af op dezelfde meubels, in een ruimte boven de kringloopwinkel, even benauwd, de kachel wordt er hoog opgestookt, kun je even lekker opwarmen. De geur van natte hond. Als ik binnenkom, zitten er zo’n twaalf mannen, ieder aan een eigen tafel, zo ver mogelijk van elkaar af gezeten, diep over hun koffie gebogen. Niemand kijkt op. Het gaat om de koffie, voedzame koffie, dat wil zeggen: koffie met heel veel koffiemelk en enorm veel suiker erin. Ga je lekker vol van zitten. Zo te zien komen de meeste koffiedrinkers hier al heel lang, doorgaans mannen van ruimschoots middelbare leeftijd. Ik loop door naar de bar, van waarachter de koffie wordt geschonken. Een vrijwilliger straalt met heel zijn wezen uit dat vrijwillig niet meteen betekent dat je het ook leuk vindt, wat je doet.

Ik vraag het de norse koffieschenker, of hij toevallig iemand mist. Waarom ik dat weten wil. Hij vertrouwt het duidelijk niet. En nee, hij is niemand kwijt. Zelfs al zou hij iemand missen, dan ging mij dat niet aan. In een grote kudde mist men een, twee schaapjes niet. Dat moet ik toch begrijpen. Echt gezellig wil het niet worden. Ik vertrek al spoedig, onverrichter zake. Ik vraag het aan Raymond, de man van Magazijn Sportief, de man die alles over de buurt en haar bewoners weet, de man die alles kan bestellen wat u nodig heeft en als hij het niet kan bestellen heeft u dat niet nodig, zo simpel is het. Maar hij kent hem niet. Hij weet van geen dode. Ik vraag het aan de man met het grappige gezicht, ook zo’n man die altijd alles weet, over de buurt, hij woont hier nog langer dan ik. Ik vraag het aan de kalende activist en buurtpoliticus, die ik dikwijls bij de sigarenwinkel tegenkom. Hij heeft samen met de man met het grappige gezicht een eigen partij opgericht, de Buurtpartij. Maar ook hij weet van niets. Ik vraag het de daklozenkrantjesverkoper bij de Dirk. De daklozenkrantjesverkoper bij de Avondwinkel. Die bij de Albert Heyn. Ook zij weten het niet. Niemand.

 

je kunt je overal neerleggen om te worden gevonden

 

Wat’s in je naam? Een roos zou even zoet

geroken hebben als zij niet roos geheten had.

Jij zou wel in een andere straat gevonden zijn

van alle hulp verstoken als niet in mijn stad

buiten het huis waar ik dan veilig binnen zat.

 

Een koude maart, de laatste sneeuw

valt langs de ruiten terwijl jij – einde

oefening in onzichtbaarheid – vlakbij

waar ik mijn boontjes dop crepeert,

je laatste adem zichtbaar maakt

en verdwijnt, daarbuiten.

 

We zouden hoe dan ook verbonden zijn

in de naam van mijn straat, aan jouw toevallig

eind. Jij koos een ander leven uit, verdween

in een nieuwe identiteit. Identiteit?

 

Je naam is maar een etiket

dat willekeurig op je lichaam zit gekleefd

en in de dood wordt afgeweekt.

Een alibi, de wet, een vals papier.

 

We zijn maar stempels in persoonsbewijzen.

We kunnen ons overal neerleggen om te worden gevonden.

Zelfs hier. We kunnen iedereen wel zijn.

Alsof we werkelijk bestonden.

 

  1. Starik