Eenzame uitvaart nummer 38
IM de heer S. A.
geboren 31-3 1935 te Oostdongeradeel, overleden 5-3- 2005 in verpleeghuis Buitenhof, te Buitenveldert.
dinsdag 22 maart, 10 uur, begraafplaats Zorgvlied
Dichter van dienst: Anneke Brassinga
Ongehuwd, geen kinderen. De heer A. was ter bewindvoering door de Sociale Dienst aangemeld op 22/2 door het Maatschappelijk werk van het VU ziekenhuis, waar hij voorafgaand aan de opname in het verpleeghuis enige tijd verbleef op de afdeling neurologie. Dat betekent waarschijnlijk: meneer had niet zoveel meer aan kortetermijn-geheugen. Liedjes van vroeger zingen ging nog goed. Keurige man, in het bezit van een Daihatsu Charade uit 1994, een dieseltje.
Schitterende lentemorgen. Er zijn twee vertegenwoordigers van de Dienst gekomen. De grijze uitvaartleider probeert een muziekstuk minder uit, maar dat mag niet, van mij. Drie stukken zullen het zijn. We verlaten de aula met het Air van Bach, dat levenslustig, haast obsceen achter ons aan over het grindpad waait. De uitvaartleider mompelt aan het graf een half begonnen zin, later vraagt hij Brassinga om een kopie van haar gedicht, zegt: je wilt wat zeggen en je vindt de woorden niet. Of je zegt teveel. Hij vertelt van een tachtigjarige man, die nog elke dag paard reed en de aula barstte in lachen uit. Hij zat al vijf jaar in een rolstoel. Daarin reed hij naar de manege, paardrijden ging allang niet meer. Hij schudt zijn zorgelijk hoofd. Misschien dat ik uw gedicht nog kan gebruiken. Natuurlijk, zegt mevrouw Brassinga.
Ze heeft, om de woorden te vinden die ze zocht, een lange wandeling gemaakt en toevallige voorbijgangers aangekeken en gedacht: wie zal er straks bij jouw kist in de aula staan? Als we teruglopen kletsen we wat na, dat het maken van zo’n gedicht precies drie dagen kost, drie dagen en één slapeloze nacht.
Wat je meeneemt
Ik zeg je naam: wij hadden geen weet
van elkaar zolang je leefde, maar al die tijd
ademden wij dezelfde lucht en deelden
in de dampkring die alle levenden omvangt,
verwanten maakt van de talloze vreemden
wier wegen elkaar vluchtig kruisen, gaand
naar waar; te voet, op de fiets, of als jij
in een dieseltje met tweeënveertig paarden.
Eén glimlach desnoods, een roos in de winter
zoals meister Eckhardt zei – iets kleins
draagt ieder van ons bij zich voor het eind,
om te hervinden in dat ene gevleugelde ogenblik
wanneer, van geest bevrijd, je meegenomen wordt
op ademtocht, alleen met die rijkdom
waar niemand van weet, in je verdwijnen.
Anneke Brassinga