Eenzame uitvaart #32

Eenzame uitvaart nummer 32

IM de heer H. O.

geboren 7 maart 1936 Batavia, Nederlandsch-Indië, op 12 september 2004 dood in zijn Amsterdamse woning gevonden

De heer O. was ongehuwd, hij had geen kinderen. Hij genoot een pensioen van de grafische sector. Ger Fritz van de gemeente bezocht zijn woning aan de Overslaghof en vond onder andere dat de heer O. zeer veel aan liefdadigheidsinstellingen doneerde. Daarnaast hield hij zich intensief bezig met stamboomonderzoek naar zijn eigen naam. Desondanks werd er geen naaste familie getraceerd.

Daar scharrelt opnieuw de filmploeg ons blikveld binnen. De deur van de koffiekamer wordt gesloten. Als we, met de familie, de aula binnentreden, staat de filmploeg in de deuropening te filmen. Achteraf wordt er gezegd dat wij allen keurig, zoals gevraagd, onherkenbaar en anoniem in beeld zijn gebracht. Bij de volgende uitvaart ware het beste, betoogt de ijverige documentairemaakster, wanneer, ten behoeve van het evenwicht in het beeld, de dichter recht achter de kist gaat staan om zijn kunstje te vertonen. We filmen van vrij hoog, zo legt zij uit, dit is echt de beste plek om de dichter buiten beeld te houden. Hoe men een kist met een dichter erachter filmt zonder de dichter in beeld te brengen, ontgaat mij. Het filmisch bezwaar dat wordt ingebracht wanneer de dichter van zijn stoel opstaat om achter de katheder te gaan staan: dan zou hij immers zomaar plompverloren door het beeld heen schieten. Mevrouw, leg ik haar uit, het gaat om de zuiverheid van het moment. Ik heb een gedicht voor een meneer geschreven, die daar dood ligt. Niet voor u. Ik lees mijn gedicht vanaf de katheder voor, en als het moment daar is, vouw ik mijn papier terug in de envelop waarin ik het meebracht, leg het op de kist, en geef mijn brief aan de overledene mee.

Er wordt een discreet microfoontje opgespeld. Ik laat het toe. Er is weinig tegenin te brengen.

De regie is ons doeltreffend uit handen genomen. Er gebeurt precies waar ik al bang voor was. Enfin: de documentaire heeft van ons gewonnen. Geruisloos nemen de wetten van het smakelijke beeldverhaal de regie van de voorstelling over. Daarom wil ik dit niet: de dichter spreekt tot de aanwezigen, de overledene eerst, en dan zitten er soms de dragers, meneer Fritz van de Dienst. Er staat de uitvaartleider, er is de man die de muziek bedient. Wij richten ons niet over het hoofd van het inspraakloze lijk heen tot een fictief publiek.

Zo gaan de dingen. Misschien moet ik mij er niet zo druk om maken. In de gemediatiseerde samenleving hebben wij alleen bestaansrecht als we op de televisie komen. Laat maar gaan. Je kunt de laatste gang van meneer O. niet ontsieren door trillend van woede, bij wijze van voorgerecht, eerst ruzie te maken met een filmploeg, waarvan het je hoogstwaarschijnlijk niet eens lukt om ze weg te sturen, hoe hard je ook roept. Je zet alleen jezelf als ongelofelijke zeikerd te kijk, in zo’n situatie. Toch denk ik niet dat ik het erbij laat zitten. Er was toestemming voor geluid. Meer niet.

De beelden zullen vernietigd moeten worden. Ik doe mijn ding voor de mensen zelf, en ik mag niet toestaan dat de zogenaamd bewogen, tranentrekkende sfeerreportage de oprechte intenties van het project te grabbel gooien. En hoe langer ik erover denk, hoe kwaaier dat ik word. We zijn vandaag overvallen, alle afspraken zijn met voeten getreden. Misschien ben ik een slappe zak geweest, dat ik in het moment zelf geen ruzie wilde maken. Dat is het nadeel van de flegmatieke persoonlijkheidsstructuur. Derzulken laten maar over zich lopen.

Ik herinner mij het grapje dat ik vroeger met mijn broertje maakte, als we in een goed humeur waren. Het was de zomer van de geschreeuwde radioleus: ‘Veronica komt naar je toe deze zomer!’ De leus was ongetwijfeld opwekkend bedoeld, maar klonk – zeker in de betrekkelijk onschuldige tijd dat de commerciëlen nog maar net aan hun opmars begonnen –  ongehoord agressief. Ons grapje bestond nu hieruit, dat we in het voorbijgaan willekeurige voorbijgangers aangrepen, wild door elkaar heen schudden en hen toeschreeuwden: Veronica komt naar je toe deze zomer!

We doen dat al jaren niet meer. Mijn broertje is zelf geluidsman voor de televisie geworden. We zijn veel minder grappig nu en een klap voor je kanis ken je kraigen.

 

Dagen, namen

Zolang je leeft zijn de dagen belangrijk.

Is er nieuws. Hebben we tijd. Zondag schrijf ik: gisteren

bracht ik mijn liefste oom naar zijn laatste rustplaats

 

en vroeg mij af: zou het in het aangezicht van God

of goden schelen, met hoe velen wij tezamen komen

op de laatste dag.

 

Vandaag, dinsdag zeg ik gisteren met meer dan twee

honderd mensen, om met alle kracht mijn oom

omhoog te denken, of

 

stel je voor dat je een beroemde zanger was,

je op de middenstip van het stadion werd neergelegd

meer dan vijftigduizend bezoekers trok?

 

Je weet van al die mensen niet, en niet van het miljoen

dat aan de televisie zal zijn vastgekluisterd,

je weet van al die mensen niet, waarom ze huilen

 

denkt men aan de eigen dood? En niemand weet

of er een God is, die naar de klachten luistert.

En zou dat helpen dan.

 

Wie zal er voor jou komen?

Hoe veel mensen heb jij om je heen verzameld

als je afscheid van je lichaam hebt genomen,

 

wat laatste woorden hebt gestameld.

En wie er komt, het is even vergeefs: we keren niets om

je blijft even dood. Volledig geweest.

 

U hebt uw eigen naam gezocht,

bent generaties teruggegaan.

Er zal niet eens een stukje in de kranten staan.

 

Ik heb alleen die naam. Rond 1500,

dat men voor het eerst uw naam in de boeken trof.

Ik weet nu dat er in 1947

 

tweehonderdzevenendertig

O.’s rondliepen, voornamelijk in Zeeland

en Zuid Holland, niemand in de noordelijke provincies.

 

In een laagliggend, buitendijks gelegen land.

De stier zonder ding eraan.

 

Uw naam was maar een etiket,

dat nergens meer op plakt. Niet op de kist,

die aanstonds in de aarde zakt.

 

U gaf veel weg. Het goede doel,

dat onder het mom van ziekten

en de ouderdom de dood niet opheft.

 

Besef: u hebt niet mooi genoeg gezongen.

Geen steen zal rusten op uw graf:

de man die veel en om wie niemand gaf.

 

Vandaag is nog vandaag: de laatste keer

dat u met u wordt aangesproken, of jij met jij.

Vanaf nu bent u alleen maar hij.

 

U was.

U bent voorbij.

De tijd is om, het is gedaan.

 

F. Starik