EENZAME UITVAART NUMMER 29
I.M. O. J.
3 mei 1963, Togo – 8 juni 2004, Amsterdam
Vrijdag 11 juni 2004, 10:30 uur, Begraafplaats St. Barbara
Dichter van dienst: Hans Kloos
Vrijdagochtend, kwart voor tien. Een onwaarschijnlijk heldere morgen. Scherp staan de bomen afgetekend in het lage zonlicht. Ik arriveer als eerste. Dan komt Hans Kloos aanfietsen, in een grijs pak, grijs overhemd, met een kinderzitje achterop de fiets. Even voor tienen draait ook Fritz in gezelschap van een jonge collega van Inkomensbeheer zijn auto de begraafplaats op. En daar is de lijkwagen, gevolgd door een drietal belangstellenden: twee Togolezen, een man en een vrouw, in gezelschap van een oudere heer die zich voorstelt als Nico. Hij draagt een bos bloemen mee: in eerste instantie houd ik hem voor een bloemist. De donkere man, een gedrongen, energieke verschijning, vraagt of de kist nog open kan: hij wil een foto maken voor de familie. Hij stelt zich voor als Paul, de vrouw mompelt iets onverstaanbaars en vangt aan met hartstochtelijk huilen. Fritz beent heen en weer tussen de heer Degenkamp van de begraafplaats en Paul. Kom maar. We lopen de aula binnen. Het deksel wordt losgeschroefd. Nico neemt aan het hoofdeind plaats en Paul begint aan een uitgebreide fotosessie. Ook de vrouw haalt, al wenend, een klein cameraatje tevoorschijn.
Op 8 juni, om twee uur ’s nachts, werd uit het water van de Singelgracht het lichaam van O. J., geboren op 3 mei 1963 te Adjabeng-Accra (Togo) gehaald. Om 3 uur dezelfde nacht werd in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis de dood vastgesteld. In 1995 werd aan de heer J. een tijdelijke verblijfsgunning afgegeven. Sindsdien is hij niet meer gesignaleerd. Bij de Burgerlijke Stand stond hij geregistreerd als vertrokken met onbekende bestemming. Hij beschikte niet over een vaste woon- of verblijfplaats. In zijn kleding werd een identiteitsbewijs, alsmede enige contanten aangetroffen.
De kist wordt weer gesloten. Het gezelschap gaat zitten. Nico neemt plaats tussen Paul en de vrouw. Dan zal hij de bloemist niet wezen. We wachten. Minutenlang gebeurt er niets. Eén van de dragers kucht. We horen de vrouw nu zachtjes snikken. Dan treedt Degenkamp naar voren om achter het gordijn de muziek te bedienen. Na het eerste, indifferente muziekstuk van de soort klassiek, opgewekt maar niet uitbundig, staat Hans Kloos op een leest zijn titelloos gedicht.
*
ik schrijf gisteren in haast
want vandaag word je begraven
één steek diep bovenop
misschien komt iemand
je ooit nog halen misschien
heeft iemand zich ergens vergist
of was je dat zelf toen je
met een dronken harses de gracht
in lazerde toen je met een hoofd
vol dromen uit Togo vertrok –
was je wel op weg naar hier
bovenop een steek diep
O. J., een naam
als een onbeholpen code
een varend anagram dat ik steeds
ontraceerbaar onder zie gaan
of ben je kopje onder gehouden
een steek diep bovenop
Togolees in Nederland ik schrijf je nu
mollenstelten die je door de aarde waden
palingvleugels die je door de alpen vliegen
pinguïnkamelen die je door de sahara
schaatsen naar Adjabeng-Accra
geboortegrond een steek diep
of waarheen je wil, je had al
geen adres geen vaste verblijfplaats je mocht
slechts tijdelijk vergund hier niet meer zijn
men dacht dat je was vertrokken zoals je kwam
met een onbekende bestemming
een steek diep bovenop
wilde je daarom leren lopen
op het water dat overal komt
nergens heen hoeft en blijft
bovenop een steek diep
Daar klinkt de Peer Gynt suite alweer. Alvorens het derde muziekstuk aanvangt, verklaart de uitvaartleider dat hiermee een einde aan de plechtigheid in de aula is gekomen: of we uit eerbied voor de overledene op willen staan, opdat onder de tonen van het derde muziekstuk de kist naar buiten zal worden gereden. We staan. Degenkamp komt weer vanachter zijn gordijn tevoorschijn. De dragers marcheren de aula uit, we volgen. Fritz sluit de deuren van de aula achter ons. Bij het graf gekomen herhaalt zich het fotoritueel. De uitvaartleider geeft nogmaals de gelegenheid tot spreken. Eerst komt Nico: O. zegt hij, je was een fijne vriend, ik zal je missen. Hij slaat een kruis. De vrouw treedt naar voren en spreekt de overledene toe: smekend, dan bestraffend, in het Togolees.
Dan komt Paul: O., zegt hij, een hand schuin omhoog geheven, ‘may you rest in peace brother’. Het klinkt als een opdracht. We wandelen terug naar de koffiekamer. Daar barst de discussie los. Paul meent dat O. moe was, wanhopig. Nico heeft gehoord dat iemand heeft geprobeerd hem uit het water te redden. Nico zegt: we hadden afgesproken dat hij bij mij voetbal zou komen kijken. Hij was zo lief en altijd vrolijk, stil maar opgewekt. En beleefd. Rookte niet, dronk niet. Deed alles wat hem gezegd werd. Paul vertelt van O.’s moeilijkheden met zijn papieren, dat hij naar Brussel moest, waar een Togolees consulaat is, en dat niet durfde. En dat hij al zijn geld bewaarde voor zijn advocaat. En dat hij niets durfde op te sturen. Nico snapt het niet. Waarom heeft hij niet van zijn moeilijkheden verteld? Ik had hem zo naar Brussel gereden. Hij vertelde nooit iets, weet Paul. Je moet onzichtbaar zijn, als illegaal. Nico heeft gehoord dat hij langdurig langs het water heeft gelopen, voor hij viel of sprong. En dat hij altijd zijn tas bij zich had. Waar is de tas gebleven?
En zijn geld? O. kwam Nico altijd helpen: ramen wassen, boodschappen doen, daar kreeg hij dan wat voor. Daarvoor was hij dankbaar. Hij had niets, en hij had ook niet veel nodig, meent Nico. Paul zal in de zomer naar Togo gaan en daar O.’s ouders opzoeken. Hij zal de foto’s van O. in zijn kist laten zien en zeggen: dit was je zoon. Hij heeft het niet gehaald.
We nemen langzaam afscheid; iedereen geeft elkaar nog eens een hand. Paul bedankt omstandig voor alle goede zorgen. Nico krijgt een exemplaar van het gedicht. Dag mevrouw Verdonk. Ik hoor dat u nogal vlug beledigd bent, als iemand opmerkingen maakt over de functionaliteit en de aard van uw beleid. Hier is het bewijs van uw effectiviteit. Hier is een man die u niet langer hoeft op te jagen. Hier is een man die uit zichzelf wegging.