Eenzame uitvaart #241, verslag

Dure nachtjaponnen

Een volgende eenzame dode dient zich alweer aan. Terwijl de vorige, meneer R., nog niet eens is begraven. Als zulks is geschied, het is dan vrijdag 3 mei, zoek ik contact met verpleeghuis De Venser waar de 73-jarige meneer P. ruim een week eerder in zijn slaap is overleden.
Omdat er een bewindvoerder is, die de baten en lasten van meneer P. netjes op een rij heeft gezet, gaan mijn vrienden van Team Rampendienst, Uitvaarten en Pension (TRUP) van de gemeente Amsterdam, die ik tijdens hun inventarisaties als een pilootvis pleeg te volgen, niet naar de woning.
Dus is mijn vraag aan De Venser of ik zelfstandig een blik in de biotoop van meneer P. mag komen werpen. Ik moet immers gepaste muziek voor hem uitzoeken en mij een beeld van hem zien te vormen, om de dichter van dienst, die een vers voor hem zal componeren, van informatie te kunnen voorzien.
Na een paar keer doorverbinden krijg ik een mevrouw aan de lijn die locatieondersteuner is. Zij vindt het prima als ik langskom, alleen is de kamer van meneer P. de dag ervoor al ontruimd, door medewerkers van kringloopwinkel De Winkel van Sinkel.
Meneer P. had geen broers of zussen, zijn ouders zijn al jaren dood. Hij trouwde niet en kreeg geen kinderen. Er zijn, kortom, geen nabestaanden, en dan is ‘dit traject’ de gebruikelijke gang van zaken.

De locatieondersteuner weet verder niets van meneer P., die op internet, waar ik wanhopig naar hem zoek, geen enkel spoor heeft nagelaten; een kunst op zich, tegenwoordig. De schim die hij bij leven al was dreigt dus direct te vervagen.
Gelukkig zijn er twee verplegers van De Venser, Judith en Rinia, die in hun bovenkamers brokstukken van zijn leven hebben veiliggesteld. Meneer P. was van de herenliefde, vertellen ze. Met zijn vriend en levenspartner baatte hij een kapperszaak uit op de Prinsengracht.
Die zaak verkochten ze, begin deze eeuw, om in een redelijk riante woning in Duivendrecht neer te strijken. De levenspartner stierf, meneer P. was wanhopig: hij deed voor niemand open en dronk meer dan goed voor hem was. Twee buurvrouwen praatten op hem in. Ze wezen hem op De Venser, waar oudere homofielen extra welkom zouden zijn.
Toen meneer P. in 2014 zijn kamer betrok zag hij eruit als een griezel. Al snel knapte hij op, al bleef hij met zijn lange haar en volle baard met snor een excentrieke verschijning.
Zijn nagels waren ronduit griezelig, zeggen Judith en Rinia. Hij liet ze niet knippen en maakte er klauwende bewegingen mee. Sommigen schrokken daarvan, al was het volgens hen schertsend bedoeld.
De buurvrouwen zouden in De Venser eenmaal op visite zijn geweest, het enige bezoek dat ooit voor hem kwam. Tijdens dat bezoek zou onmin zijn ontstaan, meneer P. dacht om een of andere reden dat ze spullen van hem stalen.

Met andere bewoners sprak meneer P. niet. Alleen in het begin had hij contact met een wat meer onderlegde mede-bewoner, die helaas kwam te overlijden. Meneer P. hield niet van kletspraatjes, liever zat hij op zijn kamer, waar hij, anders dan de meeste anderen, in zijn eentje de maaltijd gebruikte.
Hij luisterde naar opera, er zou op een keer ook iets van George Michael hebben geklonken. Elke dag dronk meneer P. minstens een fles wijn leeg en ondanks een chronische longziekte pafte hij stevig door. Roken was zijn hobby, zegt Rinia. Als dat niet meer kon was het klaar voor hem.
De garderobe van meneer P. was piekfijn in orde. Hij was erg goed in strijken, urenlang kon hij daarmee bezig zijn. Ik zou mijn was wel bij u willen brengen, zei Rinia op een keer.
Het huis in Duivendrecht kon kennelijk niet voor een goede prijs worden verkocht, misschien had meneer P. schulden. In ieder geval zorgde de bewindvoerder ervoor dat meneer P. niet veel kon spenderen, wat hem nogal ergerde.
Tegen Judith zei hij op een keer dat ze een taxateur moest laten komen. De abstracte schilderijtjes aan zijn muur waren volgens hem duizenden euro’s waard. Als zij hem hielp zou hij voor haar en alle andere verpleegsters op de afdeling dure nachtjaponnen kopen.

Meneer P. was een lichte man, vier kraaien dragen dinsdagmiddag 7 mei zijn kist de kapel van begraafplaats Sint Barbara binnen. Ik laat uit de Cavaleria Rusticana van Pietro Mascagni, die deze opera baseerde op het gelijknamige werk van Giovanni Verga, het intermezzo spelen.
Als Thomas Möhlmann zijn gedicht heeft voorgelezen, en dit tussen de anjers op de kist heeft gestoken, zingt George Michael A Different Corner, waarvan me de tekst op het leven van meneer P. van toepassing lijkt.
Het regent pijpenstelen als het adagio in G mineur van Tomaso Albinoni, in de uitvoering van cellist Julian Lloyd Webber, heeft geklonken. De vier kraaien plaatsen de kist, die nummer 108 heeft gekregen, op een met velours beklede rolbaar.
Onder één paraplu met Möhlmann schuifel ik achter hen, beheerder Richard Degenkamp en de uitvaartleidster aan naar het graf. Meneer P. komt één diep rechts te liggen, pal naast meneer R.
De uitvaartleidster vraagt om één minuut stilte. Tijdens die stilte praat de stad. Vlakbij is een graafmachine bezig, verderop wordt geheid. Een vliegtuig komt over, een trein raast voorbij.

Joris van Casteren.

Gepost in Uncategorized