Eenzame uitvaart #13

EENZAME UITVAART NUMMER 13

IM heer N.N., 29 oktober 2003, Amsterdam

Dinsdag 4 november 2003, 14.30 uur, begraafplaats St. Barbara.

Dichter van dienst: Menno Wigman

Dinsdagmiddag: wisten wij niet dat de herfst is ingetreden, men kon het houden voor een lentedag. Ik draag mijn lange grijze winterjas, gewoon omdat het al november is. Ook Fritz heeft zijn camelkleurige mantel weer uit de garderobekast genomen. Hij is alweer terug van een korte vakantie. Met een brede groet verwelkomen we elkaar. Hij brengt collega Ton mee – spijkerbroek, tofleren jasje – die ostentatief kauwgum kauwend een grote zwijgzaamheid tentoonspreidt. De lijkwagen is vroeg; als om kwart over twee ook Wigman is gearriveerd in zijn eigen lange winterjas dringt meneer Degenkamp aan dat we best kunnen beginnen. We verwachten verder niemand. Maar Fritz volhardt: de aanvang is halfdrie, dus halfdrie zal het wezen.

Bouwvakkers troffen om acht uur ’s morgens op 29 oktober 2003 een man aan die in een kast van een woning in aanbouw aan de Oude Nieuwstraat was gekropen. Hij sliep. Ze kregen hem niet wakker. Ze waarschuwden de politie, die vervolgens de schouwarts liet komen. Hij constateerde dat de dood gedurende de nacht was ingetreden. Ja, dat hadden de bouwvakkers hem ook kunnen vertellen. Gisteren lag hij er nog niet, maar vandaag dus wel. De onbekende man was een bekende van de politie: hij stond geregistreerd als Habib A., zonder vaste woon of verblijfplaats, geboren op 27 april 1972 te Algerije. Aangezien hij zich van diverse aliassen bediende, is de politie niet honderd procent overtuigd van zijn identiteit, reden waarom hij als N.N. één steek diep het graf in gaat. Hij was juist uit detentie ontslagen. De doodsoorzaak is vermoedelijk een overdosis. AT 5 besteedde aandacht aan de vondst van het lijk in de kast.

De vrije muziekkeuze wordt doorgesproken: iets van  Chopin, Saint Saens, en tot slot Vivaldi’s Herfst. Mooi gekozen, menen we eenstemmig. Om twee voor half drie betreden we onder de klanken van Chopin de aula. Als de dodenmars is uitgeklonken neemt Menno Wigman het woord. Hij heeft een brief geschreven, zegt hij; zijn gedicht kreeg de vorm van een brief aan de dood. Hij haalt zijn gedicht uit een onbeschreven envelop. De dood heeft immers geen adres:

 

Een brief

De dood heeft geen adres. Maar toch een brief,

vandaag, een dag als deze, droog, koud, een brief

aan iemand die van mensen houdt, nooit te beroerd

 

om op een woensdagnacht, diep in oktober,

het is zijn werk. En wij weer als vanouds

verrast. Dit keer een N.N. in een kast.

 

Een goede hand van kiezen heb je niet,

eigenlijk nooit gehad. Je doet, als ik

zo vrij mag zijn te schrijven, doet maar wat.

 

De herfst van Vivaldi is met het oog op de weersomstandigheden kennelijk vervangen door de lente: zo uitbundig klonk de herfst nooit eerder. Daar gaan we. Op dat moment slaan de weersomstandigheden om; een schrale wind steekt op, we huiveren in onze lange jassen. Bij zijn eerste uitvaart merkte Wigman al op dat tijdens een begrafenis de weersomstandigheden zelden bestendig zijn. Volgens Degenkamp lijkt dat maar zo. Het is meer dat je buiten bent, naar binnen gaat, weer buiten komt.  Dat je je daarom bewust bent van de weersomstandigheden. De meeste mensen zitten de hele dag maar op kantoor. Dan merk je dat niet zo, alleen ’s ochtends heen en ’s avonds weer. Zwijgend bereiken we het eindpunt.

De uitvaartleider, meneer Nijman, een man met een huid zo grijs als zijn kostuum, laat zich inspireren tot een spontaan gedicht. We begraven hier een naamloze, maar naamloos dat is ook maar een woord. Ergens was een moeder, ergens was een vader, ergens moeten er mensen van je gehouden hebben, zegt hij. Ik weet niet wat er onderweg met je gebeurd is. Misschien is er iets fout gegaan. Ik weet dat niet. Maar vanuit mijn levensovertuiging zou ik toch willen zeggen: moge de engelen je begeleiden. Waarheen je, naar jouw overtuiging, ook heen gaat. Even blijft Nijman, als getroffen door de zwaarte van zijn eigen woorden, licht voorovergebogen, als bevroren staan. Alsof hij overweegt zich achter de kist aan in het graf te werpen. Dan richt hij zich tot ons. En mag ik u tenslotte vragen enkele ogenblikken stilte in acht te nemen. Ik tel de seconden in gedachten mee. De stilte houdt precies tweeënveertig seconden aan. Dan schept de heer Nijman een schep zand en reist de kist met zand en al zijn laatste reis, één steek diep. Als de kist ter aarde is besteld volgen de anderen met de worp van het zand. Wigman werpt zijn ongeadresseerd gedicht met envelop en al erachteraan.

Bij de koffie bespreken we de herkomst van de naam ‘Febo.’ Het schijnt dat men vroeger zijn kroketten draaide op de Ferdinand Bolstraat. De Fe van Ferdinand, de Bo van Bol, legt Ton uit. Nu de uitvaart achter de rug is, voelt hij zich zichtbaar opgelucht.  De uitvinder van de Febo, zo niet van de kroket zelf, zou een meneer Cohen zijn, de schoonvader van de voetballers van één der gebroeders de Boer, zeg maar de patatgeneratie, weet Ton. Het is zijn tweede, deze eenzame uitvaart. Niet mijn pakkie-an, bekent hij, en dat hij meer van een goede pot voetbal houdt dan van een anonieme uitvaart. Hij steekt een verse kauwgum in zijn  mond en biedt het pakje doordrukstrips uitnodigend aan, maar verder wil niemand kauwen. Fritz maakt zich zorgen over zijn exemplaar van het gedicht: die zal toch niet in de kuil zijn achtergebleven? Hij vertelt dat deze onbekende meneer waarschijnlijk Alice heette. ‘Alice’ betekent Liefde, in het Arabisch, weet Wigman. Ton kent een voetballer uit de eerste divisie van die naam. Meneer Degenkamp zal het gedicht wel even kopiëren, hij wil er zelf immers ook altijd graag een hebben. Misschien heeft meneer Starik er een in zijn zak, veronderstelt hij, zijn hand ophoudend als een bedelaar die om een kwartje vraagt. Een kopieerapparaat? doe ik grappig.

Inmiddels is in mijn hoofd het liedje Go Ask Alice in mijn hoofd gaan klinken, when she’s ten feet tall. And if you go chasing rabbits… de rest van de tekst komt niet opdagen, de melodielijn zeurt hardnekkig verder in het hoofd. Ik geloof dat het liedje probeert een trip te beschrijven, van zo’n jaren zeventig supergroep, ik gok op Jefferson Airplane. Verdovende middelen waren toen stoer, vrolijk en magisch. Geschikt voor het ontsluiten van nieuwe werkelijkheden, zelfs leidend tot religieuze vervoering. Even later is Degenkamp met de kopieën terug. We kunnen gaan. De lange jas wordt maar weer aangetrokken, ofschoon het inmiddels weer is opgeklaard. Handen worden geschud. We brachten iemand weg in de late novemberzon. We joegen op konijnen, we waren drie meter hoog per stuk, we konden u missen als kiespijn, kleine dief van het leven. Wie bedroog nu wie? Daar ging u, met een bloemetje en een brief van de dichter één steek diep de aarde in; stilletjes lag u temidden van het reusachtig gericht van belangrijke mannen. De hand die geeft, de hand die neemt, verklaren kunnen ze alles. Wie sloot zichzelf op in een kast? In vrijheid gesteld, meteen gescoord, in de blinde verslaving gezocht naar een plek voor de nacht, de eindeloze nacht: Habib, Alice, slaap zacht, slaap zacht.

F. Starik