Eenzame uitvaart #12

EENZAME UITVAART NUMMER 12:

IM heer P. K., 25 augustus 1926 – overleden 27 oktober 2003, om 5 over 12 ’s middags in het VU ziekenhuis te Amsterdam

begraafplaats Buitenveldert, maandag 3 november, 10 uur

Dichter van dienst: Simon Vinkenoog

Meneer K. woonde aan het Roelof Hartplein in ‘Het Nieuwe Huis’, maar bracht de afgelopen zes maanden wegens ruimtegebrek in zijn woning door in Hotel Omega, aan de Jacob Obrechtstraat, daar vlak in de buurt. Meneer Blok van de BUG is in de woning geweest en vond het ook heel klein. Men moet daar douchen op de gang

Meneer K. had geen familie. De BUG spoorde vier mensen op met wie hij contact had: een meneer van de RIAGG, een verpleger van de VU, de huisarts en de baliemedewerker van het hotel. De medewerker van de RIAGG overwoog de uitvaart bij te wonen, maar zag ervan af toen de uitvaart op een maandag viel, want dat is zijn vrije dag, de maandag, en dan heeft hij ‘andere dingen’.

Deze maandag, die inderdaad op een maandag valt, begeleidt een bleke lage zon en een forse tegenwind de lange fietstocht derwaarts. Uitvaartcentrum Zuid is gevestigd aan de Fred. Roeskestraat; begraafplaats Buitenveldert ligt, ingesloten door een afslag van de snelweg en de Amstelveenseweg, direct achter het modern lelijke uitvaartcentrum. Het gebouw lijkt een imitatie van de in de jaren zeventig gangbare architectuur van sociale woningbouw: van buiten rode baksteen, van binnen geel. Een paar haastig geknoopte wandkleden doen een poging het gebouw te versieren met overwegend de kleur grijs. Een neonverlicht kaal houten kruis op een witgestucte wand wil de katholieke identiteit van het uitvaartcentrum benadrukken.

Pieter Verbeek van de BUG woont namens de gemeente de uitvaart bij, Simon Vinkenoog brengt zijn eega Edith Ringalda mede. Even ontstaat er verwarring of we het allemaal eens kunnen worden over wie we nu eigenlijk de laatste eer gaan bewijzen. De heer Prins, de uitvaartleider met de gelijkenis, alsof hij de vader van Jules Deelder zou wezen, meent dat het Tamahata-kerkgenootschap, welk kerkgenootschap dat ook moge wezen, gevestigd te Osdorp, de dienst zal willen bijwonen.

Pieter Verbeek ontkent enig verband tussen kerkgenootschap en de heer K. Misschien de man van morgen.

We mogen de jas aanhouden; we gaan immers zo de kou weer in. Meneer Prins stelt op het laatste moment de muziekkeuze op het Corpus, het Adagio van Bach, het Lucrimoso van Mozart, zo schrijft hij het op een briefje, op verzoek van uw correspondent. Vinkenoog dicht:

*

Onbekend maakt niet onbemind, meneer K.,

je leeft een lang leven

wordt weggeblazen door de wind

die van jou een onbekende maakt

geen huis, geen kind, geen nabestaanden,

alles wat je achterlaat:

een leegte die steeds dieper gaat.

 

Onherkenbaar is het lot,

in een naam, een begin en een slot –

een vroedvrouw of dokter

vader of moeder in vergetelheid beland,

en jij, meneer K., aan de andere kant

waarvan het leven verdergaat.

 

De stem waarmee wij ons laten horen

de oren om te luisteren naar engelenkoren.

 

Deze groet als rouwkost op je lijkkist beland.

 

Daarop reciteert de dichter het gedicht Rouwkost, dat hij eerder – in 1995, ter gelegenheid van het 125 jarig bestaan van Zorgvlied schreef – en dat eindigt met het refrein: Alles voorbij voorbij / voorgoed voorbij, / morgen ik, heden gij / meneer K., rust in vrede.

Onder het derde muziekstuk wordt de kist naar buiten gereden. De klok in het torentje klingelt luid. Dat moet ook wel, in het geraas van de snelweg, dat onbarmhartig naar binnen waait zodra de deuren opengaan. Meneer K. gaat drie diep in de aarde. Helemaal onderin. De kist zakt totdat hij welhaast onzichtbaar in het schemerduister op de bodem staat. We scheppen onze schep met aarde. We nemen onze stilte; in gedachten tel ik tot zestig. Op de dertig vangt de regen aan.

Dan gaan we terug naar de koffiekamer. Zag je dat? Die zwammen! Enorm! Ja, ze waren mij ook opgevallen: halverwege de kuil groeien donkerbruine zwammen tussen de bielzen, die de kuil moeten stutten. Hoe doen die dingen dat zo snel. De vraag blijft onbeantwoord in de lucht hangen. Wat kan die man dichten zeg, merkt de heer Prins op. Prachtig, zegt hij. De koffie wordt in piepkleine kopjes gebracht. Vrolijk gekleurde suikerstaafjes met het opschrift Sugar Babies! en neutrale zakjes melkpoeder completeren de bediening. Vinkenoog klokt de koffie gulzig weg en gaat een tweede ronde vragen: heerlijke koffie, heerlijk! roept hij uit.

Als het tweede kopje komt, giet hij de inhoud van het tweede over in het eerste, waarin hij vast de poeder en de suiker strooide.

Meneer K. was niet arm, het was een keurig, zeg maar duur hotel geweest, waar hij de laatste maanden van zijn leven verbleef, alwaar zijn sporen alweer kundig waren uitgewist: zijn kleren gewassen, met zo’n strookje papier eromheen. Op zijn stoffige kamertje in Het Nieuwe Huis trof de Dienst al zijn bezittingen in dozen aan: veel stripboeken, heel veel stripboeken. Hij had zich daar niet populair gemaakt, door een extra slot op zijn deur te zetten: zo kon niemand van de receptie naar binnen.  In de hal van het Nieuwe Huis – oorspronkelijk gebouwd als tehuis voor alleenstaande onderwijzers –  bevindt zich de receptie, waar men de sleutels van alle kamers bewaart. Daar was men niet blij met het extra slot van meneer K. Voordat hij in het hotel ging wonen, heeft hij nog een tijdje in een verzorgingshuis gezeten, dat beviel hem niet: hij is daar weggelopen.  Zo komen we onder de heerlijke koffie te weten.

Het is nog veel harder gaan regenen. Wind mee, regen valt tegen. Onderweg vlucht ik druipend de Hema binnen, voor een enorm voordeelpak kaarsen in een diep paars.  Thuis steek ik vijf kaarsen aan en hang mijn nette broek te drogen.

F. Starik